Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:102

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
EJ 2110 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

civiel-ej-gezagswijziging ex artikel 1:253n afgewezen-hoofdverblijf-omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 14 februari 2017

Zaaknummer EJ 2110 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[X] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. H.U. Thielman,

tegen:

[Y],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna: de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith.

Belanghebbenden:

[A], de dochter, geboren op [datum] 2004 in Aruba,

[B], de zoon, geboren op [datum] 2010 in Aruba,

hierna samen aan te duiden als de minderjarigen.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 19 januari 2016, waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen is bepaald en de Voogdijraad is verzocht een onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover rapport uit te brengen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het rapport van de Voogdijraad van 28 september 2016;

- de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren van 13 december 2016, waaruit blijkt dat partijen bijgestaan door hun gemachtigden zijn verschenen, en dat namens de Voogdijraad aanwezig was mevrouw J.M. Pietersz-Dijkhoff.

Hierna is de uitspraak bepaald op heden.

2 DE BEOORDELING

2.1

Aan de orde is het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, althans om hem voortaan alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen te belasten.

Gezag

2.1

De vader heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd, dat de communicatie tussen partijen al enige tijd niet goed verloopt en dat de moeder zich niet aan de door partijen gemaakte afspraken, die zijn opgenomen in het echtscheidingsconvenant, houdt.

2.2

Zoals het gerecht reeds in de tussenbeschikking van 19 januari 2016 heeft overwogen, en voor zover thans van belang, kan de rechter, ingevolge artikel 1:253n BWA, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

Het moet hierbij gaan om een zodanige verandering van de situatie, dat het niet langer in het belang van het kind is de bestaande gezagsuitoefening te handhaven. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.

2.3

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken (vgl. Gerechtshof Den Haag d.d. 12 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3126)

2.4

Uit het verhandelde ter zitting en het rapport van de Voogdijraad, is het volgende gebleken.

2.4.1

Na de echtscheiding van partijen in november 2010, zijn de minderjarigen bij de moeder blijven wonen. In 2012 hebben partijen psychologische begeleiding gezocht voor de dochter, omdat zij de echtscheiding van partijen niet kon verwerken. De vader heeft van januari 2013 tot en met mei 2015 in Nederland gewoond en is in die periode twee keer naar Aruba gekomen om de minderjarigen te zien. In juli 2015 zijn de minderjarigen bij de vader gaan wonen. De communicatie tussen partijen verloopt stroef en zij communiceren (voornamelijk) via de minderjarigen of de moeder van de vader met elkaar.

2.4.2

De psychologe van de Voogdijraad heeft geconstateerd dat bij de minderjarigen sprake is van “parental alienation syndroom” jegens de moeder. De dochter uit haar frustraties door onbeschoft te zijn tegen de moeder, en zij accepteert het gezag van de moeder niet. De relatie tussen de moeder en de dochter is beschadigd. De zoon verkeert in een loyaliteitsconflict. Hij wil wel contact met de moeder, en wil bij haar blijven overnachten, maar hij weet dat de vader dat niet fijn zal vinden. De vader laat het aan de zoon over om te kiezen of hij bij de moeder blijft overnachten.

2.4.3

Volgens de Voogdijraad zijn er aanwijzingen dat er sprake is van verbetering in de communicatie tussen partijen, maar kan van de moeder, gelet op haar tekort aan pedagogische inzicht en haar psychische instabiliteit, thans niet worden verwacht dat ze goede beslissingen zal nemen met betrekking tot de minderjarigen. De vader heeft sterke pedagogische kwaliteiten, hij draagt zorg voor de basale voorzieningen van de minderjarigen en biedt hen structuur, regelmaat, stabiliteit en veiligheid, aldus de Voogdijraad.

De conclusie is dat de ontwikkeling van de minderjarigen klem dreigt te raken indien de ouders het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. De Voogdijraad adviseert dan ook om de vader met het eenhoofdig gezag te belasten.

2.4.4

Ter zitting heeft de vader zich, behoudens een aantal kleine punten, met dit advies verenigd. De moeder is het er niet mee eens. De moeder stelt zich op het standpunt dat het alleszins in het belang van de minderjarigen is om het gezamenlijk ouderlijk gezag te handhaven. Op die manier kan zij een rol blijven spelen in het leven van de minderjarigen, aldus moeder. Bij moeder bestaat, gelet op de houding van de vader, de vrees dat, indien vader onverhoopt met het eenhoofdig gezag belast wordt, zij in het geheel niet door vader betrokken zal worden in het leven van de minderjarigen en dat vader zich niet zal houden aan de omgangsregeling tussen moeder en de minderjarigen, waardoor de minderjarigen totaal van haar vervreemd zullen raken.

2.5

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van een verstoorde relatie van de moeder met de minderjarigen en de vader en dat er geen althans weinig communicatie plaatsvindt tussen partijen. Gesteld noch gebleken is echter dat bij belangrijke beslissingen de minderjarigen betreffende, bijvoorbeeld bij de schoolkeuze van de minderjarigen, het aanvragen van een paspoort of identiteitskaart of bij noodzakelijke medische (be)handelingen, de besluitvorming door de moeder wordt belemmerd. Het gerecht is dan ook van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het gerecht acht de (communicatie-) problemen tussen de vader en de moeder niet zodanig ernstig dat het gevaar bestaat dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de vader en de moeder. Evenmin zijn andere gronden aanwezig die meebrengen dat het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat het eenhoofdig gezag aan de moeder moet worden toegewezen.

Hoofdverblijf

2.6

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de minderjarige bij de vader hun gewone verblijfplaats zullen hebben. Nu niet is gebleken dat het niet in het belang van de minderjarigen is dat hun gewone verblijfplaats bij de vader wordt bepaald, zal het gerecht dienovereenkomstig beslissen.

Omgang

2.7

Uitgangspunt is dat het in het algemeen in het belang van een kind is te achten dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder, in dit geval de moeder, en in beginsel hebben beiden ook recht op omgang met elkaar, tenzij zwaarwegende belangen van het kind zich daartegen verzetten.

2.8

De psycholoog van de Voogdijraad heeft ten aanzien van de dochter geadviseerd om de omgang met de moeder in de vorm van begeleiding te laten herstellen en de huidige omgang tijdelijk stop te zetten omdat de omgang op dit moment averechts werkt. Ten aanzien van de zoon is geadviseerd de omgang met de moeder voort te zetten, voorlopig zonder overnachtingen.

2.9

Gelet op het bovenstaande en het verhandelde ter zitting zal het gerecht een omgangsregeling vaststellen, waarbij rekening zal worden gehouden met de belangen van beide ouders en de minderjarigen.

2.10

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt de gewone verblijfplaats (hoofdverblijf) van de minderjarigen, [A], geboren op [datum] 2004 in Aruba, en [B], geboren op [datum] 2010 in Aruba, bij de vader,

bepaalt de omgang tussen de moeder en [B] als volgt:

- elke zaterdag, van 12:00 uur tot 19:30 uur;

- elke woensdag van 17:00 uur tot 19:30 uur;

- om de week op zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van 14 februari 2017in aanwezigheid van de griffier.