Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2017:1016

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
11-12-2017
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
AUA201703043
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft bij het gerecht geen bezwaarschrift ingediend. Aldus is niet voldaan aan het vereiste van connexiteit. Weliswaar biedt artikel 94, vierde lid, van de La een verzoeker de mogelijkheid om eerst nadat uitspraak op een verzoek om het treffen van een voorziening bij voorraad is gedaan een bezwaarschrift betreffende de hoofdzaak in te dienen, maar in dit geval is de termijn, waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt reeds verstreken. Anders dan verzoekster mogelijk meent, verlengt artikel 94, vierde lid, deze termijn niet. Een nog in te dienen bezwaar zal naar voorlopig oordeel dan ook niet ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 december 2017

AUA201703043

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoekster],

wonende te Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

de Korpschef van het Korps Politie Aruba

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J.O. Senchi.

1 PROCESVERLOOP

Klaagster, medewerker premieheffing werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), heeft zich in het jaar 2012 aangemeld voor de opleiding Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) en heeft daartoe de toelatingsprocedure gevolgd. Op 6 september 2017 heeft klaagster door middel een e-mailbericht van de Directeur SVB vernomen dat zij niet is toegelaten tot de opleiding.

Op 8 september 2016 heeft klaagster aan verweerder verzocht om de beslissing te heroverwegen. Op dit verzoek heeft klaagster geen reactie gekregen.

Op 6 november 2017 heeft zij aan het gerecht verzocht een voorziening bij voorraad te treffen als bedoeld in artikel 94 van de La.

Het verzoek is op 27 november 2017 in raadkamer behandeld, waar verzoekster is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde; verweerder is verschenen bij gemachtigde. Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Landsverordening Ambtenarenrechtspraak (La) kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

2.1.1

Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de La staat tegen de uitspraak geen voorziening open. Zij heeft geen betekenis voor de beslissing in de hoofdzaak. Zij vervalt, indien niet binnen acht dagen na de uitspraak een bezwaarschrift, betreffende de hoofdzaak, bij het gerecht is ingediend.

2.1.2

Ingevolge artikel 35 van de La kan een bezwaarschrift worden ingediend ter zake dat beschikkingen, handelingen of weigeringen (om te beschikken of te handelen), ten aanzien van een ambtenaar als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, feitelijk of rechtens met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften strijden, of dat bij het nemen, verrichten of uitspreken daarvan het administratief orgaan van zijn bevoegdheid kennelijk een ander gebruik heeft gemaakt dan tot de doeleinden waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

2.1.3

Ingevolge artikel 1 van het Landsbesluit bijzondere opsporingsambtenaren 2012 (Lbo) wordt voor de toepassing van het Landsbesluit onder de kandidaat verstaan, de ambtenaar die tot opleiding is toegelaten.

2.1.4

Ingevolge artikel 2, onderdeel f, van het Lbo kan, voor zover van belang, tot de opleiding de ambtenaar worden toegelaten ten aanzien van wie uit een antecedentenonderzoek niet van bezwaren is gebleken.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Lbo is sprake van bezwaren in de zin van artikel 2, onderdeel f, indien de ambtenaar op enig tijdstip wegens een ambtsdelict is veroordeeld, uit strafbladen van de strafregisters blijkt van enig misdrijf door de ambtenaar begaan of er op andere gronden geoordeeld wordt dat de ambtenaar niet aan de opleiding kan deelnemen.

2.1.5

Ingevolge artikel 5, derde lid, van het Lbo worden de resultaten van het antecedentenonderzoek aan de ambtenaar schriftelijk en met redenen omkleed medegedeeld door de korpschef. Aan het diensthoofd wordt schriftelijk medegedeeld of er ten aanzien van de ambtenaar van bezwaren is gebleken.

2.1.6

Ingevolge artikel 5 , vierde lid, van het Lbo kan de ambtenaar binnen twee weken na ontvangst van het resultaat een gemotiveerd verzoek tot heroverweging indienen bij de korpschef. De korpschef bericht de ambtenaar en het diensthoofd binnen 14 dagen, na de heroverweging, schriftelijk over zijn beslissing. Tegen deze beslissing staat geen beroep open.

2.2

Het Gerecht oordeelt dat uit de wettelijke bepalingen volgt dat tot de opleiding voor BOA enkel ambtenaren kunnen worden toegelaten. Nu de weigerig om verzoekster toe te laten tot de opleiding zijn grondslag vindt in de bepalingen van het Lbo wordt de weigering aangemerkt als een beslissing welke ten aanzien van verzoekster als ambtenaar is genomen. Met betrekking tot de niet toelating van de ambtenaar tot de opleiding op basis van artikel 2, onderdeel f, in verband met artikel 5 Lbo dient de korpschef van het Korps Politie Aruba te worden aangemerkt als administratief orgaan in de zin van artikel 35 La. Tegen de weigering kan derhalve ingevolge artikel 35 La bezwaar worden gemaakt bij de ambtenarenrechter. Het gerecht laat hierbij artikel 5, vierde lid, van het Lbo buiten beschouwing. Naar voorlopig oordeel kan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, niet worden afgedaan aan het in artikel 35 van de La neergelegde recht van een ambtenaar om de ambtenarenrechter te adiëren.

2.3

Niettemin komt het gerecht niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

2.3.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de La wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Ingevolge artikel 41 La, tweede lid, wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

2.3.2

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de beslissing om verzoekster niet toe te laten tot de opleiding dateert van 26 juni 2017. Verzoekster is hiervan op 6 september 2017 door de Directeur SVB op de hoogte gesteld waarna zij op 8 september 2017 een verzoek om heroverweging heeft gedaan. Een reactie hierop is door de korpschef niet gegeven. Dat zij definitief niet toegelaten wordt tot de opleiding was vervolgens pas in de maand oktober (volgens het verzoekschrift op 9 oktober 2017) duidelijk voor verzoekster. Ook indien 9 oktober 2017 wordt aangehouden als datum waarop de weigering is uitgesproken, dan had verzoekster binnen 30 na deze datum een bezwaarschrift moeten indienen.

2.3.3

Verzoekster heeft bij het gerecht geen bezwaarschrift ingediend. Aldus is niet voldaan aan het vereiste van connexiteit. Weliswaar biedt artikel 94, vierde lid, van de La een verzoeker de mogelijkheid om eerst nadat uitspraak op een verzoek om het treffen van een voorziening bij voorraad is gedaan een bezwaarschrift betreffende de hoofdzaak in te dienen, maar in dit geval is de termijn, waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt reeds verstreken. Anders dan klaagster mogelijk meent, verlengt artikel 94, vierde lid, deze termijn niet. Een nog in te dienen bezwaar zal naar voorlopig oordeel dan ook niet‑ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het vorenoverwogene bestaat geen grond voor het treffen van een voorziening.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken in raadkamer op maandag, 11 december 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.