Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:94

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
A.R. 1008 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet ontvankelijkheid-afgewezen-geen ontvankelijkheidsvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 februari 2016

Behorend bij A.R. 1008 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het incident in de zaak van :

de naamloze vennootschappen

A.T. BLOK TECHNICAL ADVISERS GROUP N.V.

en

CRD GROUP N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: AT Blok c.s. respectievelijk AT Blok en CRD,

gemachtigde: de advocaat mr. C.B.A. Coffie,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

LAND ARUBA,

en/of

DE ONTVANGER DER BELASTINGEN

te Aruba,

hierna ook te noemen: Land Aruba c.s. respectievelijk Land Aruba en De Ontvanger,

gemachtigde: mr. F.G. Geerman-Ruiz.

1 DE PROCEDURE

Het gerecht merkt ambtshalve op dat een rechtsgeding niet aanhangig kan worden gemaakt bij wijze van door het gerecht en de wederpartijen te beantwoorden meerkeuzevraag of de ene, of de andere dan wel beide in het inleidend verzoek genoemde verweerders in rechte betrokken worden. Nu Land Aruba c.s. beide in rechte zijn verschenen en tegen de wijze van aanhangig maken van het geding geen bezwaar hebben gemaakt zal het gerecht, Land Aruba c.s. volgend, zowel Land Aruba als De Ontvanger als verweerder aanmerken.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de incidentele conclusie van Land Aruba c.s.;

- de conclusie van antwoord in het incident van AT Blok c.s.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis in het incident.

2 DE VORDERING

2.1

Land Aruba c.s. verzoeken bij wijze van incident CRD niet-ontvankelijk te verklaren omdat artikel 4 van de Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen (verder: Landsverordening invordering) een zelfstandige regeling voor het in rechte doen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ken en het recht op verzet alleen toekomt aan degene tegen wie de vervolging is gericht. Dat is in dit geval niet CRD aldus Land Aruba c.s.

2.2

AT Blok c.s. voeren verweer.

3 DE BEOORDELING

3.1

AT Blok c.s. vorderen in dit geding voor recht te verklaren dat het bij exploot van 14 april 2015 ten laste van AT Blok gelegde beslag op roerende zaken (geen registergoederen) ten onrechte is gelegd, vexatoir is dan wel sprake is van misbruik van recht. In de conclusie van antwoord in het incident stelt – naar het gerecht begrijpt – CRD dat het recht om verzet te doen als bedoeld in artikel 4 Lansverordening invordering niet beperkt is tot AT Blok als schuldenaar en Land Aruba c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van – kort gezegd – bodembeslag.

3.2

Daarmee is de vordering en de grondslag daarvoor onduidelijk geworden. Beogen AT Blok c.s. met dit geding verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangschrift als bedoeld in artikel 4 Landsverordening invordering, in welk geval het niet voor de hand ligt om Land Aruba in rechte te betrekken omdat alleen De Ontvanger in rechte moet worden betrokken. Of baseren AT Blok c.s. de vordering op onrechtmatige overheidsdaad bij de executie van de voor ten uitvoerlegging vatbare titel die een dwangschrift is. In dat geval ligt het voor de hand Land Aruba in rechte te betrekken en niet De Ontvanger.

3.3

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating zijdens AT Blok c.s. Land Aruba c.s. zullen daarop nadien mogen reageren.

3.4

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

in het incident:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 maart 2016 voor uitlating AT Blok c.s.

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 3 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.