Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:851

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
04-01-2017
Zaaknummer
K.G. no. 2495 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Kort Geding. Verzoek tot schorsing van (verdere) executiemaatregelen geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 november 2016

Behorend bij K.G. no. 2495 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

STICHTING WASHINGTON JEUGDCENTRUM EN EVANGELISCH WEESHUIS (Centro Juvenil Washington),

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: de Stichting,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen:

Gedaagde 1, en

Gedaagde 2,

beiden wonende in Aruba,

gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: Gedaagde c.s.,

gemachtigde: de advocaat mr. R.C. Samuels.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van:

-de mondelinge behandeling van de zaak in eerste termijn ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2016, tijdens welke zitting de Stichting is verschenen bij haar gemachtigden, die werden vergezeld door dhr. [A], mw. [B] en mw. [C] (voorzitter respectievelijk secretarissen van de Stichting), en Gedaagde c.s. zijn verschenen samen met hun gemachtigde;

-de op 4 november 2016 gehouden gerechtelijke plaatsopneming met betrekking tot de bij partijen genoegzaam bekende in Aruba te Washington gelegen locatie, tijdens welke plaatsopneming zijn verschenen de Stichting bij mr. Ruiz voornoemd en mr. A. Thijsen, die werden vergezeld door [A], [B] en [C] voornoemd, en Gedaagde c.s. samen met hun gemachtigde. Tevens zijn toen als deskundigen verschenen dhr. I. Mathilda (werkzaam bij de Directie Openbare Werken) en dhr. H. Maduro (werkzaam bij het Kadaster);

-de voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak in tweede termijn ter openbare terechtzitting van 7 november 2016, tijdens welke zitting zijn verschenen de Stichting bij haar gemachtigden en bij mr. Thijsen voornoemd, die werden vergezeld door [A], [B] en [C] voornoemd, en Gedaagde c.s. samen met hun gemachtigde. Tevens zijn toen verschenen de deskundigen voornoemd.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

De Stichting verzoekt dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. Gedaagde c.s. beveelt de tenuitvoerlegging van het vonnis van dit Gerecht in kort geding van 18 mei 2016 met als zaaknummer K.G. 377 van 2016 (hierna: het vonnis) binnen 24 uren na de betekening van dit vonnis aan Gedaagde c.s. te staken en gestaakt te houden zolang bij vonnis in een bodemprocedure niet anders is beslist;

b. bepaalt dat Gedaagde c.s. ten behoeve van de Stichting een dwangsom verbeuren van Afl. 10.000,-- voor iedere dag of deel daarvan dat zij voormeld bevel niet opvolgen;

c. Gedaagde c.s. beveelt tot restitutie aan de Stichting van “de reeds ontvangen gelden uit het executoriaal beslag”;

d. te dezen enige andere juist voorkomende ordemaatregel uitvaardigt;

e. Gedaagde c.s. veroordeelt in de proceskosten.

2.2

Gedaagde c.s. voeren verweer en concluderen dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken die meebrengen dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van Gedaagde c.s. wordt daarom verworpen.

3.2

Het spoedeisend belang van de Stichting bij haar vorderingen volgt uit de aard van die vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Het verweer van Gedaagde c.s. op dit onderdeel wordt eveneens verworpen.

3.3

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voorzover uitdrukkelijk naar verwezen en voorzover niet of onvoldoende bestreden, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

3.3.1

Het dictum onder 5.1 van het vonnis luidt als volgt:

verbiedt de stichting de sporthal te realiseren op de locatie als bedoeld in de bouwvergunning van 9 juli 2015, totdat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is komen vast te staan dat de stichting het recht heeft de voorgenomen bouw van de sporthal op de in deze bouwvergunning bedoelde locatie uit te voeren, op straffe van een dwangsom van Afl. 20.000,00 per dag of dagdeel in geval van overtreding van dit verbod na betekening van dit vonnis en met een maximum van Afl. 500.000,00”;

3.3.2

Na oplegging aan de Stichting van het hiervoor onder 3.3.1 vermelde rechterlijk bouwverbod (hierna: het bouwverbod) heeft de Stichting op grond van een gewijzigde tekening op 8 juli 2016 een nieuwe bouwvergunning verkregen. De Stichting laat thans op de in die bouwvergunning aangegeven locatie de door haar beoogde en bij partijen genoegzaam bekende sporthal (hierna: de sporthal) bouwen door een aannemer.

3.3.3

Gedaagde c.s. hebben de Stichting vanaf het moment dat de bouwplaats van het thans in aanbouw zijnde (met wit zand) werd uitgezet herhaalde malen schriftelijk uitdrukkelijk gewaarschuwd dat volgens hen het bouwverbod tevens ziet op die plaats.

3.3.4

Gedaagde c.s. hebben krachtens het vonnis op 10 augustus 2016 executoriaal beslag gelegd op de bij de RBC Royal Bank (Aruba) N.V. gehouden bankrekening van de Stichting. Onder dat beslag is door die Bank inmiddels ten laste van de Stichting Afl. 83.000,-- afgedragen aan Gedaagde c.s.. Gedaagde c.s. hebben deze gelden op een afzonderlijke rekening gezet, en maken geen gebruik van die gelden.

3.4

Ter zake van de door de Stichting beoogde schorsing van (verdere) executiemaatregelen uit hoofde van het vonnis stelt het Gerecht voorop dat het slechts die schorsing kan bevelen, indien het van oordeel is dat Gedaagde c.s., mede gelet op de belangen aan de zijde van de Stichting, geen in redelijkheid te respecteren belang hebben bij gebruikmaking van hun bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de Stichting een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.5

In het licht van vorenstaande is niet gesteld of gebleken dat het vonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten op grond waarvan klaarblijkelijk aan de zijde van de Stichting een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Van zo’n feit is in elk geval geen sprake als de Stichting na de uitspraak van het vonnis een sporthal bouwt of laat bouwen op een plaats of locatie waarop het bouwverbod ziet. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.6

De strekking en de geest van het vonnis en het daarin neergelegde bouwverbod brengen naar het voorlopig oordeel van het Gerecht met zich dat de Stichting geen sporthal of deel daarvan mag bouwen of laten bouwen op de locatie waar de sporthal gebouwd zou worden zoals aangegeven in de aan de Stichting verstrekte bouwvergunning van 9 juli 2015. Iedere andere door de Stichting aangevoerde interpretatie of uitleg van het vonnis en het daarin neergelegde bouwverbod wordt - als zijnde niet juist - verworpen.

3.7

Gedurende de gerechtelijke plaatsopneming op 4 november 2016 en ook tijdens de voortgezette mondelinge behandeling van de zaak op 7 november 2016 heeft deskundige Mathilda voornoemd, op grond van door hem in bijzijn van het Gerecht en partijen verrichte metingen, verklaard dat de verst van het perceel van Gedaagde c.s. gelegen (gevel)hoekpunten van de onder het bouwverbod vallende oorspronkelijke geplande sporthal gebouwd zouden worden op plaatsen die zijn gelegen op 11 meter aan de binnenkant van de thans in aanbouw zijnde sporthal gezien vanuit het perceel van Gedaagde c.s. en gerekend vanaf de dichtst bij dat perceel gelegen gevel van hetgeen thans wordt gebouwd. Nu is gesteld noch gebleken dat Mathilda voornoemd ter zake niet deskundig is en evenmin is gesteld of gebleken dat Mathilda te dezen niet of onvoldoende betrouwbaar is maakt het Gerecht die bevinding van Mathilda tot de zijne. Vast staat aldus dat de verst van het perceel van Gedaagde c.s. gelegen (gevel)hoekpunten van de onder het bouwverbod vallende oorspronkelijke geplande sporthal gebouwd zouden worden op plaatsen die zijn gelegen op 11 meter aan de binnenkant van de thans in aanbouw zijnde sporthal gezien vanuit het perceel van Gedaagde c.s. en gerekend vanaf de dichtst bij dat perceel gelegen gevel van hetgeen thans wordt gebouwd.

3.8

Vorenstaande brengt met zich dat vast komt te staan dat de Stichting (een 11 meter groot deel van) de sporthal bouwt of laat bouwen op een plaats waar krachtens het bouwverbod geen (deel van een) sporthal gebouwd mag worden. Hierbij wordt nog overwogen dat het betoog van de Stichting, dat de dichtst bij het perceel van Gedaagde c.s. gelegen gevel van het thans in aanbouw zijnde geen sporthal maar een douche- en/of toiletruimte betreft, miskent dat die ruimte heeft te gelden van een van de sporthal deel uitmakend bestanddeel. Gesteld noch gebleken is in elk geval dat de sporthal heeft te gelden als een van bedoelde douche- en/of toiletruimte deel uitmakend bestanddeel. Bovendien miskent dit betoog in het licht van de stelling van de Stichting - dat bedoelde douche- en/of toiletruimte gezien vanuit het perceel van Gedaagde c.s. 4 meter groot is - het gegeven dat de sporthal zonder de daarvan deeluitmakende douche en/of toiletruimte nog steeds (voor een 7 meter groot deel daarvan) wordt gebouwd op een plaats waar krachtens het bouwverbod geen (deel van een) sporthal gebouwd mag worden. Bij dit alles komt nog dat op grond van de nadere alternatieve lezing van de Stichting evenmin aannemelijk wordt dat zij de sporthal bouwt of laat bouwen zonder schending of overtreding van het bouwverbod, nu niet in geschil is tussen partijen dat (1) hetgeen thans wordt gebouwd een lengte heeft van 38 meter, (2) de dichtst bij het perceel van Gedaagde c.s. gelegen gevel van de oorspronkelijk geplande sporthal zou worden gebouwd tegen of op de grens van het perceel van de Stichting en dat van Gedaagde c.s., en (3) de huidige bouwplaats van de sporthal aanvangt op 33 meter afstand van het perceel van Gedaagde c.s.. Dit alles impliceert nog steeds een overtreding of schending van het bouwverbod met 5 meter (en als de van de sporthal deeluitmakende douche en/of toiletruimte wordt weggedacht nog steeds een overtreding of schending van het bouwverbod met 1 meter).

3.9

De slotsom luidt dat de Stichting het bouwverbod overtreedt door thans op de bij partijen genoegzaam bekende locatie een (deel van een) sporthal te bouwen of te laten bouwen, althans dat de stelling van de Stichting in dat verband - dat zij niet in strijd handelt met het aan haar opgelegde bouwverbod - feitelijke grondslag mist. Dit één en ander brengt naar het voorshandse oordeel van het Gerecht met zich dat de Stichting krachtens het vonnis dwangsommen verbeurt ten behoeve van Gedaagde c.s.. Bij die stand van zaken valt in een bodemprocedure niet met grote mate van zekerheid te verwachten dat de vorderingen van de Stichting zullen worden toegewezen. Dat betekent dat de thans door de Stichting gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld door de Stichting die een ander oordeel kunnen dragen.

3.10

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegendere belangen ziet van de Stichting bij toewijzing van haar vorderingen ten opzichte van de belangen van Gedaagde c.s. bij afwijzing daarvan. Dit klemt temeer omdat vast staat dat Gedaagde c.s. de Stichting vanaf het moment dat de bouwplaats van het thans in aanbouw zijnde (met wit zand) werd uitgezet herhaalde malen schriftelijk uitdrukkelijk gewaarschuwd hebben dat volgens hen het bouwverbod tevens ziet op die plaats. Anders dan de Stichting stelt had het in dat licht en in dat van de bij het vonnis aan haar opgelegde dwangsommen juist op haar weg gelegen om in rechte vast te laten stellen of de huidige bouwplaats van de sporthal al dan niet in strijd is met het bouwverbod, alvorens met alle voor de Stichting nare of ernstige gevolgen van dien aan te vangen zoals zij heeft gedaan met de met hoge kosten gemoeid gaande bouw van de door haar gewenste sporthal.

3.11

De Stichting zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Gedaagde c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.750,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-weigert de door de Stichting verzochte voorzieningen;

-veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Gedaagde c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.750,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 november 2016.