Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:793

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
A.R. no. 2709 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 november 2016

Behorend bij A.R. no. 2709 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de naamloze vennootschap,

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Nederland,

eiseres,

hierna ook te noemen: “de Bank”,

gemachtigde: mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen:

[GEDAAGDE],

wonende te Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: “[gedaagde]”,

procederende in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingediend op 26 november 2015,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek.

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen zijn in Nederland een kredietovereenkomst geregistreerd onder nummer 46.64.39.938 aangegaan, op grond waarvan de Bank een geldkrediet verstrekt aan [gedaagde].

2.2 [

gedaagde] is op 2 maart 2014 naar Aruba verhuisd.

2.3 [

gedaagde] heeft het geldkrediet niet volledig afgelost en een bedrag van € 2.812,09 onbetaald gelaten.

3 DE VORDERING

3.1

De Bank vordert, na vermindering van eis, dat het gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen het bedrag van € 3.566,53, zijnde de hoofdsom ad € 2.812,09 vermeerderd met incassokosten ad € 421,81 en rente berekend tot en met 17 september 2015 ad € 332,63 en verminderd met verrichte aflossingen ad € 731,46 en € 138,58, nog te vermeerderen met rente over het bedrag van € 2.812,09 te berekenen vanaf 18 september 2015, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2

De Bank onderbouwt haar vordering als volgt. De Bank heeft een krediet verstrekt aan [gedaagde]. Door het vertrek van [gedaagde] naar Aruba is het krediet ingevolge artikel 9 van de toepasselijke Voorwaarden Privelimiet Plus opeisbaar geworden.

3.3 [

gedaagde] voert samengevat het volgende verweer. [gedaagde] erkent de hoofdsom van € 2.812,09 verschuldigd te zijn. [gedaagde] heeft niet de kans gekregen om een regeling te treffen met de Bank. [gedaagde] verzoekt het gerecht om de gevorderde incassokosten en proceskosten af te wijzen en hem de mogelijkheid te geven de hoofdsom in termijnen terug te betalen.

3.4

Op de stellingen van partijen zal in de beoordeling, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

De Bank heeft de door haar gevorderde hoofdsom en rente voldoende onderbouwd, terwijl [gedaagde] heeft erkend de hoofdsom en rente verschuldigd te zijn en niet heeft weersproken dat de Voorwaarden Privelimiet Plus op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn. De gestelde financiële situatie van [gedaagde] staat er niet aan in de weg dat de Bank de schuld ingevolge artikel 9 van de toepasselijke Voorwaarden Privelimiet Plus ineens in rechte kan opvorderen. De gevorderde hoofdsom en rente liggen derhalve voor toewijzing gereed.

4.2

De Bank heeft gesteld dat [gedaagde] de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is op grond van haar algemene voorwaarden en bovendien omdat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, maar heeft niet weersproken dat de algemene voorwaarden van de Bank van toepassing zijn. Uit de door de Bank in het geding gebrachte algemene voorwaarden volgt, in tegenstelling tot hetgeen de Bank heeft gesteld, niet dat de Bank recht heeft op vergoeding van 15% buitengerechtelijke incassokosten, maar slechts op overige bijzondere kosten van de Bank voortvloeiend uit de relatie met de cliënt die voor zover dit redelijk is voor rekening komen van de cliënt (artikel 28 lid 2). De Bank heeft voorts niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, voor welke verrichtingen de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. Daarbij merkt het gerecht nog op dat de twee door de Bank in het geding gebrachte aanmaningsbrieven ongetekend zijn, terwijl [gedaagde] betwist heeft deze brieven te hebben ontvangen. Het gerecht ziet in deze omstandigheden aanleiding de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten integraal af te wijzen.

4.3

De Bank heeft bij haar akte uitlating producties erkend dat [gedaagde] vanaf juli 2016 in totaal € 283,73 aan aflossingen heeft ontvangen. Dit bedrag strekt (als eerste) in mindering op het gevorderde rentebedrag ad € 332.63, zodat een bedrag van € 48,90 resteert. Eventuele additionele aflossingen die gedaan zijn voor het uitspreken van dit vonnis strekken in mindering op het toe te wijzen bedrag.

4.4

Als de in het ongelijk te stellen partij dient [gedaagde] veroordeeld te worden in de proceskosten die aan de zijde van de Bank zijn gevallen, welke kosten worden begroot op Afl. 450,00 aan griffiegeld, Afl. 226,67 aan oproepingskosten en Afl. 1.250,00 (2.5 punten bij tarief 3) aan gemachtigdensalaris.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht, recht doende:

5.1

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk kwijting aan de Bank te betalen het bedrag van € 2.860,99, te vermeerderen met de contractuele rente over het bedrag van € 2.812,09 te berekenen vanaf 18 september 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten gevallen aan de zijde van de Bank, tot op heden te begroten op een bedrag van Afl. 450,00 aan griffiegeld, een bedrag van Afl. 226,67 aan oproepingskosten en een bedrag van Afl. 1.250,00 aan gemachtigdensalaris;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 november 2016 in aanwezigheid van de griffier.