Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:736

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
A.R. 279 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Bewijs vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 26 oktober 2016

Behorend bij A.R. 279 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

Eiser,

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat: mr. N.S. Gravenstijn,

tegen:

Gedaagde ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat : mr. E.E. Roosenstand.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie na antwoord op 13 september 2016.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en een samenlevingscontract op laten maken op 10 augustus 2009. Eind september 2014 zijn partijen uit elkaar gegaan.

2.2

Hierin is onder meer bepaald:

Artikel 1.

1. Tussen partners zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan behoudens;

a. de mogelijkheid dat goederen gemeenschappelijk worden verkregen krachtens een rechtshandeling welke door hen gemeenschappelijk werd verricht;

b. de verkrijging van de goederen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding.

2.3

Artikel 4 van de samenlevingsovereenkomst luidt:

1. Indien de samenleving anders dan door overlijden van een der partijen eindigt, worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld met toepassing van de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

2. In geval tussen partijen geschil bestaat omtrent de eigendom van een goed en geen van beiden zijn recht op dit goed kan bewijzen, wordt het goed geacht aan beiden toe te behoren, ieder voor de onverdeelde helft.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiser] vordert de verdeling naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen zoals weergegeven in het inleidende verzoekschrift, met

a. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag ad Afl. 184.068,50 wegens overbedeling, alsmede de helft van de door haar geïnde huurpenningen vanaf 1 december 2015 en ook de helft van de door [eiser] gedane aflossingen op de persoonlijke lening bij Aruba Bank;

b. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle persoonlijke goederen van [eiser] alsmede de goederen van [vader van eiser], op straffe van een dwangsom van Afl. 500,00 voor elke dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

c. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van eventuele noodzakelijke aktes die ingeschreven kunnen worden;

d. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 [

eiser] baseert zijn vordering op de stelling dat partijen - ondanks wederzijdse inspanningen - niet tot overeenstemming zijn gekomen.

3.3 [

gedaagde] voert hiertegen - samengevat - het volgende verweer.

Partijen hebben op 18 november 2015 definitieve overeenstemming bereikt over de vaststellingsovereenkomst, zoals overgelegd als productie V bij conclusie van antwoord. Om deze reden dient het gevorderde afgewezen te worden.

4 DE BEOORDELING

4.1

Als eerste dient de vraag te worden beantwoord of tussen partijen op 18 november 2015 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Indien dit het geval is, dienen de vorderingen van [eiser] te worden afgewezen.

4.2

Ter onder onderbouwing van haar stelling voert [gedaagde] aan dat er op 12 november 2015 een gesprek heeft plaats gevonden ten kantore van Aruba Bank N.V., waarbij aanwezig waren, [eiser], [gedaagde] en twee accountmanagers van de bank. Aruba Bank heeft zich akkoord verklaard met de door partijen voorgestelde wijzigingen, mits partijen de vaststellingsovereenkomst van 5 oktober 2015 zouden ondertekenen, het woonhuis verhuurd zou worden en de te ontvangen huurpenningen volledig ten goede zouden komen van de hypothecaire aflossing. Na afloop van het gesprek bij de bank stelde [eiser] aan [gedaagde] voor om de vaststellingsovereenkomst enigszins te wijzigen en op 18 november 2015 bereikten partijen een nieuw akkoord. Aldus was er algehele overeenstemming over hetgeen in de vaststellingsovereenkomst van 18 november 2015 is vastgelegd. [eiser] heeft zich evenwel niet aan de gemaakte afspraak gehouden en heeft niet ondertekend. Dit alles aldus [gedaagde].

4.3

Nu [eiser] betwist dat er sprake was van algehele overeenstemming ten aanzien van de te verdelen goederen, op [gedaagde] de bewijslast rust van haar stelling en zij uitdrukkelijk bewijs heeft aangeboden, wordt zij in de gelegenheid gesteld dit bewijs bij te brengen. [gedaagde] dient feiten te bewijzen waaruit volgt dat tussen partijen algehele overeenstemming bestond zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst van 18 november 2015.

4.4

De zaak wordt naar de rol voor akte uitlating bewijsopdracht aan de zijde van [gedaagde] verwezen.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

laat [gedaagde] toe bewijs bij te brengen van haar stelling dat [eiser] op 12 november 2015 heeft ingestemd met het concept vaststellingsovereenkomst d.d. 5 oktober 2015 en dat dit concept op zijn verzoek is gewijzigd in het concept van 18 november 2015, waarna tussen partijen algehele overeenstemming bestond ten aanzien van de verdeling van de (beperkte) goederengemeenschap;

5.2

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 23 november 2016 voor akte uitlating bewijsopdracht aan de zijde van [gedaagde];

5.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.