Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:679

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
P-2016/05983, 477 van 2016
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vuurwapenbezit. Verweer: fouillering verdachte ism art. 78 Sv. Verweer verworpen ogv maatstaf artikel 14 Vuurwapenverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B.J. Huiskes.

De officier van justitie, mr. W.V. Gerritschen, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het feit te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft het woord tot verdediging gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

dat hij op of omstreeks 27 mei 2016 in Aruba voorhanden heeft gehad een revolver (van het merk Smith & Wesson, model 36, serie nr. 335828, kaliber .38 special), in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening.

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij op of omstreeks 27 mei 2016 in Aruba voorhanden heeft gehad een revolver (van het merk Smith & Wesson, model 36, serie nr. 335828, kaliber .38 special), in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat er in casu sprake is van onrechtmatige bewijsvergaring aangezien verdachte - in strijd met artikel 78 Sv - werd gefouilleerd vóórdat hij werd aangehouden en het vuurwapen tijdens deze fouillering werd aangetroffen. Zij verzoekt het gerecht hier de nodige gevolgen aan te verbinden.

De officier van justitie voert aan dat de fouillering, bezien in het licht van de Vuurwapenverordening, niet onrechtmatig is geschiedt aangezien deze verordening een ruimere bevoegdheid toekent aan politieambtenaren om mensen aan hun kleding te onderzoeken. Dit is redelijkerwijs noodzakelijk voor de handhaving van de Vuurwapenverordening. Op grond hiervan is de fouillering rechtmatig geschiedt en is er geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

Het gerecht oordeelt als volgt.

Verbalisanten hebben een melding gekregen dat er schoten werden gehoord in de omgeving van het kerkhof te [plaats]. Ze hebben zich daartoe begeven en hebben van getuigen aanwijzingen gekregen dat de persoon die de schoten zou hebben gelost in een witte [merk auto] is weggereden, dat de bestuurder een blanke huidskleur heeft en dat hij herkend werd als een zekere ‘[verdachte]’. Ter hoogte van het pompstation te [plaats pompstation] troffen verbalisanten een witte [merk auto] aan. De bestuurder werd gevraagd om een identiteitsbewijs te tonen, waaruit volgde dat de tweede naam van de bestuurder ‘[verdachte]’ was.

Het onderzoek van de verbalisanten heeft plaats gevonden op basis van de Vuurwapenverordening. Hierbij geldt ten aanzien van artikel 14 van voornoemde verordening niet als maatstaf dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, maar ‘slechts’ dat er redelijkerwijs aanleiding bestaat tot toepassing van de in die bepalingen genoemde bevoegdheden op grond van – voor zover hier van belang – overtreding van artikel 3 van de Vuurwapenverordening.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het te ver vond gaan om te eisen dat er een concrete verdenking is dat de betrokken burger zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, omdat het nodig werd geacht om in bepaalde omstandigheden een bevoegdheid jegens een groep van personen te kunnen uitoefenen, zonder dat al een bepaalde persoon als verdachte aanwijsbaar is. Wel is vereist dat er een concrete aanleiding is om het gebruik van wapens of de dreiging daarvan te veronderstellen. De aanvullende eis dat die aanleiding er redelijkerwijs moet zijn, betekent in de ogen van de wetgever dat niet elke aanwijzing de bevoegdheid in het leven roept, maar slechts zodanige aanwijzingen dat het belang van toepassing van de bevoegdheid zwaarder weegt dan het belang dat de burger zich vrijelijk en ongemoeid kan bewegen (zie o.a. Kamerstukken II, 1984-1985, 14413, nr. 9, p. 21-23, toegepast naar analogie op artikel 14 van de Vuurwapenverordening).

Het gerecht stelt vast dat gelet op deze omstandigheden er in deze zaak voldoende concrete aanleiding was om verdachte op grond van artikel 14 van de Vuurwapenverordening aan diens kleding te onderzoeken. Immers, kort daarvoor had een schietincident plaats gevonden, waarbij de verdachte was weggereden in een witte [merk auto] en een getuige verdachte had herkend. Even later troffen verbalisanten een witte [merk auto] aan met verdachte aan het stuur. Het verweer wordt dan ook verworpen.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Vuurwapenverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, waarmee hij schoten heeft gelost. Het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen kan gevaarlijke situaties met zich meebrengen en behoort tot een categorie feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten nadele van verdachte geldt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de detentie verdachte zwaar valt. In het KIA wordt veel geroken en verdachte heeft hier veel last van. Zij heeft verzocht hiermee rekening te houden.

Aangezien de raadsvrouw geen onderbouwing heeft overgelegd die de last die verdachte door het roken ondervindt kan vastleggen, zal het gerecht aan dit verzoek voorbijgaan.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

Het gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:21, 1:22, 1:62 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het gerecht:

10.1

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

10.2

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

10.3

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

10.4

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

10.5

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWINTIG (20) maanden;

10.6

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot TIEN (10) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee (2) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna gestelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

10.7

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich gedurende proeftijd onder psychologische behandeling zal laten stellen zolang als de reclassering noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 1:22, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.M. Vanwersch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 7 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.