Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:663

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
AR no. 1914 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis. Koopovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 5 oktober 2016

Behorend bij AR no. 1914 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de vennootschap naar buitenlands recht

WEST INDIES INVESTMENT COMPANIES INCORPORATED,

gevestigd in Panama,

eiseres,

hierna ook te noemen: “West Indies”,

gemachtigde: mr. J.J. Steward,

tegen:

de naamloze vennootschap TANDARTSENPRAKTIJK M.E. DE L’ISLE N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: “de NV”,

gemachtigde: mr. D.L. Carolina.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

- de conclusie van repliek, tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie,

- de akte uitlating betaling aanvullend griffierecht zijdens West Indies.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

West Indies heeft in gedeeltes een lening verstrekt tot een totaalbedrag van Afl. 2.000.000,00 tegen 7% per jaar. Ter zekerheidstelling voor de terugbetaling van deze lening heeft de NV op 21 september 2011 ten behoeve van West Indies een recht van hypotheek verleend op het bedrijfspand van de NV voor een bedrag van twee miljoen florin plus 40% opslag voor kosten.

2.2

In de hypotheekakte staat opgenomen:

“(..)De comparant sub 1 genoemd (opmerking gerecht: de directeur van de NV namens de NV), handelend als gemeld, verklaarde dat de debiteur van de crediteur ter leen heeft ontvangen en alzo te dier zake aan de crediteur schuldig te zijn, de som van TWEE MILJOEN ARUBAANSE FLORIN (Afl. 2.000.000,00), van welk bedrag de debiteur beloofd heeft en waartoe de debiteur zich bij deze verbindt aan de crediteur of haar rechtsverkrijgende interesten te betalen ingaande op negentien januari tweeduizendtien (19 januari 2010) naar reden van zeven procent (7%) in het jaar.

Het op grond van het hiervoor vermelde verschuldigde, dient te worden voldaan in maandelijks aflossingen, de hoegrootheid van welke onderling tussen de debiteur en crediteur is overeengekomen conform een aflossingsschema, aan partijen genoegzaam bekend en van welke zij geen specificatie in deze akte wensen op te nemen.

De duur van de geldlening is vijftien (15) jaar, zodat het verschuldigde volledig dient te zijn voldaan, uiterlijk op negentien januari tweeduizendvijfentwintig (19 januari 2025), tenzij de duur door partijen bij nadere overeenkomst wordt gewijzigd.(..)”

2.3

Partijen hebben nadien de aflossingstermijn verlengd en de maandelijkse aflossing (uiteindelijk) verlaagd tot Afl. 15.000,00 per maand.

2.4

Nadat de NV haar afbetalingsverplichtingen niet correct was nagekomen, heeft West Indies na daartoe bekomen verlof op 1 augustus 2014 conservatoire derdenbeslagen doen leggen onder Banco di Caribe, CMB Bank, RBC Bank en Uitvoeringsorgaan AZV.

2.5

Partijen zijn uiteindelijk overeengekomen dat West Indies het bedrijfspand zou kopen voor een bedrag van Afl. 1.950.000,00. De afspraken zijn vastgelegd in een koopovereenkomst.

2.6

In de koopovereenkomst staat het volgende opgenomen:

“- (..) The sale price will be used to pay the balance of the loan to Lender, which in this case is also the Mortgage Holder and buyer. Seller will pay the remaining balance of the loan to Buyer/Lender/Mortgage Holder as to be agreed upon.

- Parties agree to make further arrangements and a separate agreement within a period of 2 months after signing of this agreement regarding the amount of the remaining balance of the loan after deduction of the sale price. This balance will be paid off not later than 5 years of signing aforementioned agreement.

2.7

Het pand is op 12 januari 2015 aan West Indies overgedragen.

3 DE VORDERINGEN OVER EN WEER

In conventie

3.1

West Indies vordert, samengevat, dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht verklaart dat de NV toerekenbaar tekort is geschoten bij de nakoming van de tussen partijen geldende geldleningsovereenkomst;

- de NV veroordeelt tot betaling aan West Indies ten titel van voormelde vordering op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2011, althans een door dit gerecht in goede justitie vast te stellen andere datum, tot aan de dag van algehele voldoening;

- althans een zodanige beslissing neemt die het gerecht in goede justitie vermeent te behoren.

met veroordeling van de NV in de proceskosten.

3.2

West Indies legt samengevat het volgende aan haar vordering ten grondslag. De lening is met ingang van 1 mei 2012 omgezet in een annuïteitenlening. Voor die tijd diende de NV 7% rente te betalen over het uitstaande bedrag. De NV is de tussen partijen geldende betaalafspraken niet deugdelijk nagekomen. Na overdracht van het pand aan West Indies resteerde er per 9 februari 2015 een restschuld van Afl. 245.829,33. Tussen partijen is ondanks een ingebrekestelling door West Indies geen overeenstemming bereikt over de restschuld, zodat de restschuld thans opeisbaar is.

3.3

De NV betwist de vordering en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van West Indies in de proceskosten. De NV voert daartoe samengevat het volgende aan. Partijen hebben de begindatum van de aflossingen verschoven naar 1 juni 2012, waardoor de rente op de hoofdsom pas vanaf 1 mei 2012 (zie conclusie van antwoord) dan wel 1 juni 2012 (zie conclusie van dupliek) verschuldigd was. West Indies heeft door de beslagleggingen de bedrijfsvoering van de NV platgelegd. Zij kon geen enkele betaling meer doen en raakte daardoor nog dieper in de financiële problemen. De restschuld bedroeg op 3 september 2014 Afl. 2.200.889,22. De NV heeft op 3 september 2014 Afl. 294.000,00 betaald, zodat een saldo van Afl. 1.906.889,22 resteerde. Aangezien West Indies het pand voor Afl. 1.950.000,00 heeft gekocht, is West Indies een bedrag van Afl. 43.110,78 verschuldigd aan de NV. Er resteert derhalve geen vordering meer op de NV, maar wel omgekeerd. Bovendien zijn partijen overeengekomen dat de NV een eventuele restschuld eerst op 2 september 2019 dient af te betalen, zodat een eventuele vordering op de NV nog niet opeisbaar is.

In reconventie

3.4

De NV vordert, samengevat, dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- West Indies beveelt om de gelegde derdenbeslagen op te heffen onder verbeurte van een dwangsom,

- West Indies veroordeelt tot betaling van de door de gelegde beslagen geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat,

- West Indies veroordeelt om aan de NV te betalen een bedrag van Afl. 43.110,78 vermeerderd met wettelijke rente,

met veroordeling van West Indies in de proceskosten.

3.5

De NV legt samengevat het volgende aan haar vordering ten grondslag. De bedrijfsvoering van de NV werd door de gelegde beslagen lamgelegd, waardoor de NV genoodzaakt werd haar bedrijfsvoering te staken. Door de beslagen heeft CMB Bank een rekening courant faciliteit ingetrokken. De beslagen zijn gebaseerd op een fictieve vordering. De werkelijke executiewaarde van het pand was hoger dan de restschuld, waardoor de beslagen volstrekt vexatoir zijn. West Indies stond minder ingrijpende middelen ten dienst om de achterstand te verhalen, zoals het in beheer nemen van het gebouw en de opbrengsten aanwenden om de aflossingen te voldoen. Zij heeft voorts misbruik gemaakt van de situatie door het gebouw te kopen voor de herbouwwaarde. West Indies is per saldo nog een bedrag van Afl. 43.110,78 aan de NV verschuldigd.

3.6

West Indies betwist de vordering en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van de NV in de proceskosten. West Indies voert daartoe samengevat het volgende aan. De beslagen op de bankrekeningen hebben geen effect gehad wegens het ontbreken van enig positief saldo. Alleen het beslag onder AZV heeft effect gehad tot oktober 2014. De NV heeft niet aan haar schadebeperkingsplicht voldaan, door geen opheffing van de gelegde beslagen te verzoeken. De NV heeft nimmer enige bezwaren gemaakt tegen de opgemaakte taxatie van het pand. West Indies had ook gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om haar hypotheekrecht te executeren, maar heeft besloten om het niet afgebouwde pand tegen een redelijke waarde over te kopen.

In conventie en in reconventie

3.7

Op de stellingen van partijen zal in de beoordeling, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Gelet op verwevenheid van de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk besproken worden.

4.2

West Indies heeft ter onderbouwing van haar vordering een rapport van haar accountant overgelegd, waaruit blijkt dat de restschuld per 8 februari 2015 Afl. 245.829,33 bedraagt. Uit dit rapport blijkt voorts dat het openstaande saldo van de lening aanvankelijk per 1 mei 2012 Afl. 2.096.388,36 bedroeg. De NV voert verweer tegen de vordering van West Indies stellende dat er geen restschuld meer bestaat. De NV voert blijkens sustenu 4 van haar conclusie van dupliek in conventie geen verweer tegen de door de accountant gehanteerde berekeningsmethode en gemaakte berekeningen, maar uitsluitend tegen het feit dat de berekeningen op een onjuist uitgangspunt zijn gebaseerd. Volgens de NV is ten onrechte in de berekeningen als uitgangspunt genomen dat de rente verschuldigd was vanaf mei 2010. Volgens de NV hebben partijen blijkens de hypotheekakte de betaling van de rente gekoppeld aan de terugbetaalperiode. Partijen zijn nadien overeengekomen dat de NV vanaf 1 juni 2012 zou gaan aflossen. Volgens de NV is de NV derhalve pas per 1 juni 2012 rente verschuldigd over het geleende bedrag. Dit is conform de bedoeling van partijen en hetgeen partijen in de hypotheekakte zijn overeengekomen, aldus de NV. West Indies heeft dit standpunt bestreden. Het gerecht kan de NV niet volgen in haar standpunt, omdat uit de hypotheekakte naar het oordeel van het gerecht niet volgt dat de hypotheekrente verschuldigd is vanaf de eerste terugbetaaldatum. In tegendeel, in de hypotheekakte staat duidelijk vermeld dat de rente verschuldigd is vanaf 19 januari 2010 en dat partijen een aflossingsschema zijn overeengekomen. Uit de tekst van de hypotheekakte vloeit geenszins voort dat de verschuldigdheid van de rente is gekoppeld aan de aanvangsdatum van de aflossingen. Bovendien zijn partijen het er over eens dat zij nadien zijn overeengekomen dat de NV de lening kon aflossen in maandelijkse termijnen van Afl. 15.000,00 ingaande 1 juni 2012. Uit het door de NV overgelegde, en door West Indies betwiste, aflossingsschema (productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie), blijkt een maandelijkse aflossing van Afl. 15.506,00, hetgeen dus niet overeenkomt met de eigen stellingen van de NV, namelijk dat een maandelijkse aflossing van Afl. 15.000,00 werd afgesproken. Voorts blijkt uit de koopovereenkomst dat partijen het er over eens waren dat er na verrekening van de verkoopprijs met de schuld, nog een restschuld overbleef en dat partijen nog een andere overeenkomst zouden sluiten over de afbetaling van die restschuld. Het standpunt dat de NV in de deze procedure inneemt miskent dit. Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat de NV geen voldoende dragend verweer heeft gevoerd tegen de vordering van West Indies en dat voldoende is komen vast te staan dat West Indies een restantvordering heeft op de NV ter hoogte van Afl. 245.829,33 per 9 februari 2015.

4.3

De NV heeft voorts nog betoogd dat de vordering van West Indies nog niet opeisbaar is, omdat partijen in de koopovereenkomst zijn overeengekomen dat partijen nog een aanvullende overeenkomst zouden sluiten voor de afbetaling van de restschuld en dat deze restschuld pas op 2 september 2019 afbetaald moet worden. De NV stelt zich op het standpunt dat pas nadat partijen het eens zijn over het bestaan van restschuld, een regeling getroffen dient te worden, met dien verstande dat de NV de restschuld dan binnen vijf jaar na de ondertekening van de koopovereenkomst moet terugbetalen. Het gerecht is van oordeel dat de NV zich niet met vrucht op de betreffende bepaling kan beroepen. Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhoudingen tussen partijen zijn geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De NV heeft niet gesteld dat zij de door haar gestelde uitleg aan de betreffende bepaling mocht toekennen en evenmin dat West Indies de bepaling zo heeft moeten begrijpen. Een redelijke uitleg brengt dit ook niet met zich mee. De afbetaaltermijn was gekoppeld aan de totstandkoming van een nadere overeenkomst binnen twee maanden. Die nadere overeenkomst is niet tot stand gekomen. Bovendien hebben partijen nog steeds geen regeling bereikt, terwijl de NV niet heeft weersproken dat West Indies na het verstrijken van de twee maanden de NV een ingebrekestelling d.d. 26 januari 2015 heeft verzonden, en weerspreekt de NV thans het bestaan van een restschuld. De NV kan zich er thans dan ook niet in redelijkheid op beroepen dat er eerst nog afspraken over de aflossing van de restschuld gemaakt moeten worden en dat de schuld nog niet opeisbaar is. Een redelijke uitleg van de betreffende bepaling brengt met zich mee dat, doordat er geen uitvoering is gegeven aan de betreffende bepaling uit de koopovereenkomst en er geen tijd voor nakoming is bepaald - waardoor de verbintenis op de voet van 6:38 BW terstond opeisbaar is -, West Indies thans in rechte tot invordering van de restschuld kan overgaan.

4.4

West Indies heeft bij verzoekschrift (onder meer) gevorderd dat de NV veroordeeld wordt tot betaling op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Deze vordering is niet toewijsbaar, aangezien de schadestaatprocedure uitsluitend bedoeld is voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (indien de omvang van de schade nog onduidelijk is), terwijl de onderhavige verplichting tot betaling van de restschuld primair voortvloeit uit overeenkomst en een vordering tot nakoming behelst. Bovendien staat de restschuld inmiddels vast. Het gerecht zal West Indies in de gelegenheid stellen om bij akte (enkel) haar eis te wijzigen. De NV zal bij antwoordakte (enkel) daarop kunnen reageren.

4.5

De vorderingen in reconventie zijn niet toewijsbaar. Uit het voorgaande vloeit reeds voort dat de door de NV gestelde tegenvordering ad Afl. 43.110,78 niet is komen vast te staan. Dat West Indies misbruik van recht heeft gemaakt door de beslagleggingen is evenmin komen vast te staan. Vooraleerst heeft West Indies onbestreden gesteld dat de beslagen op de bankrekeningen geen effect hebben gehad wegens het ontbreken van een toereikend saldo, zodat de gestelde schade door die beslagleggingen feitelijke grondslag mist. In dit verband valt West Indies niet te verwijten dat de CMB Bank na beslaglegging een kredietfaciliteit heeft opgeheven. Overigens heeft de NV die door West Indies betwiste stelling niet nader onderbouwd. Het enige beslag dat effect heeft gehad is het beslag onder Uitvoeringsorgaan AZV. Gelet op de hoogte van de restschuld en de door de NV erkende, door een drastische omzetdaling veroorzaakte, financiële problemen van de NV ten tijde van de beslaglegging, kan dit beslag niet als vexatoir worden aangemerkt. West Indies heeft terecht gesteld dat zij niet buitenproportioneel heeft gehandeld, te minder nu zij er ook voor had kunnen kiezen om haar hypotheekrecht te executeren. Van West Indies kon in redelijkheid niet worden verwacht om in plaats van beslaglegging het pand in eigen beheer te nemen en de opbrengsten aanwenden om de aflossingen te voldoen, zoals door de NV gesteld. West Indies had de restschuld bij de beslaglegging begroot op Afl. 319.206,48. Dit wijkt niet in buitensporige mate af van de achteraf vastgestelde restschuld. De NV heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om haar stelling, dat West Indies misbruik heeft gemaakt van haar positie door het pand voor de getaxeerde herbouwwaarde te kopen, te kunnen dragen. West Indies is in bijzijn van juridische adviseurs tot overeenstemming gekomen met de NV, terwijl niet is komen vast te staan dat de taxateur van een onjuiste herbouwwaarde is uitgegaan. Bij eindvonnis zal de vordering in reconventie dan ook worden afgewezen.

4.6

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht,

5.1

verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 november 2016 voor het nemen van een akte aan de zijde van West Indies, direct peremptoir, als in rechtsoverweging 4.4. bedoeld, waarna de NV een antwoordakte zal kunnen nemen, eveneens direct peremptoir, waarna de zaak weer voor vonnis verwezen dient te worden;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.