Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:63

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
A.R. 139 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, huurovereengekomen, schuldvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 10 februari 2016

Behorend bij A.R. 139 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[naam 1]

en

[naam 2],

te Aruba,

hierna ook gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: E*,

gemachtigde: de advocaat mr. R.F.L. Dijkhoff,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

hierna ook te noemen: G*,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 november 2015;

- de akte waarbij de vertaalde huurovereenkomst is overgelegd.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE)

2.1

Op 8 september 2004 hebben G* en de rechtsvoorganger van E*, de heer [naam], een akte ondertekend getiteld: huurovereenkomst. De huurovereenkomst heeft betrekking op een door G* van [naam] voor Afl. 600, per maand gehuurd pand dat is bestemd tot bedrijfsgebruik als stoffeerderij. Het gehuurde is bij akte van 30 juli 2014 geleverd aan E*.

2.2

Bij onderhandse akte van 24 november 2014 hebben [naam] en zijn echtgenote – kort gezegd – alle rechtsvorderingen voortvloeiend uit de huurverhouding met G* gecedeerd aan E*. Daarvan is bij deurwaardersexploot van 26 november 2014 mededeling gedaan aan G*.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

3.1

E* vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van G* tot, kort gezegd, ontruiming en betaling van Afl. 13.000,, te vermeerderen met Afl. 1.000, per maand vanaf januari 2015 voor elke maand (een gedeelte daaronder begrepen) dat aan de ontruimingsverplichting niet voldaan wordt, met de wettelijke rente en met veroordeling van G* tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

E* grondt de vordering erop dat G* sinds januari 2014 niet aan de uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting van Afl. 1.000, per maand voldoet.

3.3

G* voert hiertegen verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van E* in de proceskosten.

3.4

G* vordert in reconventie verklaring voor recht dat hij schade heeft geleden doordat het door hem gehuurde zonder zijn kennis door [naam] is verkocht aan E* en een verklaring voor recht dat [naam] de openstaande water(deel)rekening aan G* verschuldigd is met bepaling dat “de aanbiedingen van E* ook omgezet kunnen worden in huurtermijnen”, met veroordeling van E* tot vergoeding van de proceskosten.

3.5

G* grondt de vordering erop dat in de huurovereenkomst een “koopoptie” ten gunste van hem is opgenomen en E* die niet nagekomen is waardoor G* schade heeft geleden. Verder werd met [naam] overeengekomen dat deze de helft van de waterrekening zou betalen wat niet is gebeurd.

3.6

E* voert tegen de vordering in reconventie verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van G* in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

4.1

G* ontkent een huurschuld te hebben. Dat vindt zijn oorsprong voornamelijk in het feit dat partijen het niet eens zijn over de huurprijs. Volgens E* bedraagt die Afl. 1.000,. Volgens G* heeft hij vanaf 8 september 2004 aanvankelijk Afl. 600, per maand betaald voor de gehuurde bedrijfsruimte. Toen G* en zijn gezin woonruimte nodig had is afgesproken dat zij van de bedrijfsruimte ook als woonruimte gebruik konden maken. De huurprijs is daarom verhoogd naar Afl. 1.000, per maand, of naar Afl. 900, met bijbetaling van Afl. 100, per maand voor een extra stuk grond. Toen het gezin andere woonruimte had gevonden is de huur weer naar Afl. 600, teruggegaan. E* heeft evenwel geweigerd dat bedrag in ontvangst te nemen, aldus G*.

4.2

Nu G* stelt dat hij vanaf maart 2014 nog Afl. 600, per maand huur moet betalen, gaat het gerecht ervan uit dat G* tot maart 2014 in ieder geval Afl. 1.000, per maand verschuldigd was in verband met het feit dat hij met zijn gezin van het gehuurde gebruik maakte.
E* vordert betaling van dat laatste bedrag aan huur over onder meer de maanden januari en februari 2014.

4.3

Op G* rust de bewijslast van de betaling van huur over de maanden januari en februari 2014 ad Afl. 2.000,. Het gerecht heeft met betrekking tot die betalingen geen kwitanties aangetroffen. Door G* is niet aangeboden door getuigen te bewijzen dat de huur over de maanden januari en februari 2014 is betaald. Bewijs van betaling is daarom niet geleverd zodat G* in beginsel nog Afl. 2.000,- aan E* schuldig is.

4.4

De omstandigheid dat de gemachtigde van G* in een brief van 17 september 2014 schrijft dat de huur Afl. 1.000, bedraagt is naar het oordeel van het gerecht niet doorslaggevend voor de periode vanaf maart 2014, nu in de akte van de huurovereenkomst staat dat de huur Afl. 600, bedraagt. Niet door E* verklaard wordt waarom de huur voor enkel de bedrijfsruimte in 2004 Afl. 600, bedraagt en in (in ieder geval) januari 2014 Afl. 1.000,. De huurovereenkomst bevat geen huurindexeringsclausule die dat kan verklaren. Dat partijen (althans de rechtsvoorganger van E* en G*) zijn overeengekomen, dat de huur slechts verhoogd werd naar Afl. 1.000, per maand in verband met het verblijf van het gezin van G* in het gehuurde (en mogelijk de huur van een extra stuk grond) is naar oordeel van het gerecht daarom onvoldoende gemotiveerd weersproken. Anders gezegd: de stelling dat de huur Afl. 1.000, per maand bedraagt is daarmee door E*, op wie de stelplicht rust met betrekking tot de grondslag van zijn vordering, onvoldoende gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd.

4.5

E* wijst er – naar het gerecht begrijpt subsidiair op dat G* het gehuurde, althans voor zover het betrekking heeft op het medegebruik als woonruimte, niet heeft opgezegd of de sleutels heeft geretourneerd. Hij is er na maart 2014 met zijn gezin blijven wonen, aldus E*. Dat zou mede uit de door G* overgelegde foto’s blijken.
Volgens de bij conclusie van dupliek in conventie overgelegde verklaring van G* is het gebruik van het gehuurde (mede) als woonruimte in februari 2014 gestaakt op verzoek van [naam].

4.6

E* zelf heeft G* doen oproepen op het adres [adres 1] in plaats van [adres 2]. In het verzoekschrift is het eerste adres als woonplaats vermeld. G* is op het aldus betekende in rechte verschenen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dan onvoldoende duidelijk waarop E* baseert dat G* vanaf maart 2014 nog gebruikt maakt van het gehuurde als woonruimte.

4.7

Het gerecht komt daarom tot de conclusie dat G* vanaf maart 2014 een bedrag van Afl. 600, per maand aan huur aan E* verschuldigd is. Door E* is niet weersproken dat hij geweigerd heeft die betalingen in ontvangst te nemen. Anders dan E* nog aanvoert is G* op een dergelijke weigering niet verplicht de te betalen huur in consignatie aan het Gerecht in Eerste Aanleg te betalen noch ter zake een bewaarnemingsovereenkomst met een notaris te sluiten. Nu E* ter zake de huurbetaling in schuldeisersverzuim is komen te verkeren kan G* daarmee niet in verzuim komen.

4.8

De enkele omstandigheid dat G* nog Afl. 2.000, aan huur over de maanden januari en februari 2014 moet betalen rechtvaardigt geen ontruiming. Dat is reeds niet het geval omdat nergens door E* gesteld wordt dat hij de huurovereenkomst heeft ontbonden of wegens huurachterstand heeft opgezegd. Een verklaring van die strekking wordt ook niet gevorderd. Het enkele niet betalen van huur brengt op zichzelf nog niet mee dat de huurovereenkomst is of wordt beëindigd. Zolang de huurovereenkomst bestaat is G* gerechtigd tot het genot van het gehuurde.

4.9

De vordering in conventie stuit daarop, met uitzondering van de betalingsverplichting van Afl. 2.000, al af. Nu geen ingangsdatum voor de wettelijke rente is genoemd zal het gerecht die toewijzen vanaf datum vonnis. Wat partijen over en weer in conventie nog hebben aangevoerd hoeft niet meer te worden besproken.

4.10

Als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij zal E* de proceskosten in conventie van G* moeten betalen. Deze worden begroot op nihil nu G* in persoon procedeert.

4.11

Anders dan G* kennelijk meent, volgt uit artikel 10 laatste zin niet dat G* een koopoptie heeft. Het artikel, dat de ontruimingsplicht van huurder betreft, bepaalt in dat verband alleen dat de verhuurder de huurder ervan in kennis stelt dat hij het pand te koop heeft gezet en legt op huurder – ten onrechte maar dat is nu niet belangrijk – een ontruimingsverplichting in geval het gehuurde daadwerkelijk verkocht wordt. Of G* van [naam] mondeling een koopoptie verkregen heeft, zoals hij in zijn bij de conclusie van repliek in reconventie gevoegde verklaring nog stelt, is niet van belang. Gesteld noch gebleken is immers, dat E* daarvan op de hoogte was of had moeten zijn zodat hem niet kan worden verweten misbruik te hebben gemaakt van een toerekenbare tekortkoming zijdens [naam] op dit punt. De reconventionele vordering onder a. stuit hierop af.

4.12

De vordering onder b. komt niet voor toewijzing in aanmerking. G* vordert voor recht te verklaren dat [naam], nu E*, aan G* de openstaande water(deel)rekening verschuldigd is. Voor zover op [naam] op grond van een overeenkomst met G* al de verplichting is komen te rusten een deel van de waterrekening van G* te betalen is die verplichting op grond van de wet niet overgegaan op E* als rechtsopvolger in de huurverhouding tussen [naam] en G*. Gesteld noch gebleken is dat tussen G* en E* zo’n zelfde afspraak is gemaakt zodat het gevorderde ook op die grond niet kan worden toegewezen.

4.13

De vordering onder c. is niet geheel duidelijk. Het gerecht begrijpt dat G* verzoekt voor recht te verklaren, dat een door E* aangeboden vergoeding voor vrijwillige ontruiming in mindering kan komen op een eventuele huurschuld. Nu G* niet vrijwillig heeft ontruimd komt hem ook zo’n door E* vrijwillig te betalen vergoeding niet toe zodat er niks te verrekenen valt.

4.14

Als de in het ongelijk te stellen partij zal G* de proceskosten van E* in reconventie moeten betalen.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

in conventie

veroordeelt G* tot betaling aan E* van een bedrag van Afl. 2.000,, te vermeerderen met de wettelijke rente, steeds over het saldo van de dan openstaande hoofdsom vanaf 10 februari 2016 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt E* in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van G* worden begroot op nihil;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt G* in de kosten van de procedure, in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van E* worden begroot op Afl. 1.800, aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.