Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:586

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
A.R. no. 89 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, subsidiëren door het Land

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 31 augustus 2016

behorend bij A.R. no. 89 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

DE STICHTING VOOR VERSTANDELIJK GEHANDICAPTEN ARUBA,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: SVGA,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigden: de advocaten mrs. M.M.M.C. Ecury en D.C.A. Crouch.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek teven houdende een akte vermindering van eis, met producties;

-de conclusie van dupliek, met producties;

-de op 1 juni 2016 door SVGA genomen akte uitlating producties.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voorzover niet of onvoldoende bestreden, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

2.1

De tussen SVGA en het Land geldende subsidieovereenkomst (hierna: de overeenkomst, in welke voor “Eilandgebied” moet worden gelezen “het Land” en voor “Bestuurscollege” moet worden gelezen “de Minister”) vermeldt onder meer:

(…).

Artikel 3

De stichting zal zorgdragen voor de aanwezigheid van voldoende personeel volgens de normen die daaromtrent met het Eilandgebied zijn overeengekomen (…).

Artikel 4

Als subsidie voor het personeel (…) zal de stichting (…) ontvangen:

a. diens salaris zoals vastgesteld bij indiensttreden volgens de voor hem geldende loonschaal (…).

(…).

Artikel 13

De Stichting behoeft voorafgaande goedkeuring van het Bestuurscollege voor de volgende handelingen:

(…);

c. aannemen van te subsidiëren personeel;

(…).”.

2.2

De aan de te dezen bevoegde Minister gerichte brief van SVGA van 27 november 2013 vermeldt onder meer:

(…).

Hierbij deel ik u mede, dat [naam] ev [achternaam] met ingang van 1 december 2013 in dienst zal treden van de Stichting voor Verstandelijk Gehandicapten Aruba in de functie van groepsleidster. Het betreft hier opvulling van een bestaande formatieplaats (…).

Voorlopig wordt [naam] ev [achternaam] in schaal 5 met 1 dienstjaar ingeschaald.

Ik verzoek u deze benoeming vast te stellen en mij de ministeriële beschikking, zo spoedig als mogelijk, te doen toekomen.

(…).”.

2.3 [

naam] voornoemd (hierna: [naam]) is met ingang van 1 december 2013 in loondienst getreden van SVGA als groepleidster bij het gezinsvervangend tehuis Cas Sjabururi.

2.4

Van de Directie Financiën heeft SVGA per brief van 29 juli 2014 vernomen dat het Land de door SVGA gedeclareerde salarissubsidies ten behoeve van [naam] niet betaalbaar kunnen worden gesteld omdat er geen formele afwikkeling van haar functie heeft plaatsgevonden en dat de Directie Financiën pas na waardering van die functie en na inschaling van die werknemer door Departemento Recurso Humano tot uitbetaling van de verzochte salarissubsidie kan overgaan.

2.5

SVGA heeft het Land vervolgens meermalen doch tevergeefs schriftelijk verzocht om de opvulling door [naam] van de vacature bij voormeld gezinsvervangend tehuis vast te stellen, en om tot uitkering van de subsidie van de daarmee gemoeid gaande personeelskosten over te gaan. Per brief van 11 december 2014 heeft SVGA het Land wederom verzocht en zonodig gesommeerd om uiterlijk op 10 januari 2015 de die opvulling van de vacature bij voormeld gezinsvervangend tehuis vast te stellen, en om tot uitkering van de subsidie van de daarmee gemoeid gaande personeelskosten over te gaan. Bij rappelbrief van 16 juni 2014 heeft SVGA de bevoegde Minister nogmaals verzocht danwel gesommeerd om de opvulling door [naam] van de vacature bij voormeld gezinsvervangend tehuis vast te stellen, en om tot uitkering van de subsidie van de daarmee gemoeid gaande personeelskosten over te gaan.

2.6

Het Land heeft niet gereageerd op voormelde verzoeken en/of sommaties van SVGA. De personeelskosten met betrekking tot [naam] gerekend vanaf haar indiensttreding bij SGVA tot januari 2015 bedragen Afl. 56.375,94.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

SVGA vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het Land:

a. beveelt om de opvulling van de bestaande arbeidsplaats bij Cas Sjabururi per 1 december 2013 door [naam] binnen 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een andere door het Gerecht te bepalen termijn, vast stelt;

b. veroordeelt om aan SVGA tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de (achterstallige) subsidie van de met de aanstelling van [naam] gemoeid gaande personeelskosten, gerekend vanaf haar indiensttreding op 1 december 2013 tot januari 2015 ad Afl. 56.375,94, te vermeerderen met “de usantiële incassokosten” en gerekend vanaf 11 december 2014 de wettelijke rente

c. veroordeelt om aan SVGA te betalen de met aanstelling van [naam] gemoeid gaande personeelskosten, gerekend vanaf januari 2015 tot dat het dienstverband van [naam] met SVGA is beëindigd;

d. veroordeelt in de proceskosten.

3.2

Het Land voert verweer en concludeert dat SVGA niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, en tot uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SVGA in de proceskosten.

3.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Niet in geschil is tussen partijen dat de daadwerkelijke uitbetaling door het Land van subsidie aan SVGA een privaatrechtelijke rechtshandeling (tot nakoming van de overeenkomst) betreft. De schriftelijke beslissing van het daartoe bevoegde bestuursorgaan dat het Land krachtens de overeenkomst subsidie zal verstrekken aan SVGA met betrekking tot betaling salaris van haar personeel in de zin van het hiervoor onder 2.1 weergegeven artikel 4 sub a van de overeenkomst betreft naar het oordeel van het Gerecht een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Volgens vaste bestuursrechtelijke rechtspraak is zo’n besluit krachtens het tweede lid sub a. van artikel 2 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) uitgezonderd van het begrip beschikking in de zin van die Landsverordening, met als gevolg dat er te dien aanzien geen bestuursrechtelijke procedure voor SVGA open staat of stond. Hetzelfde geldt voor een uitgebleven beslissing op het verzoek van SVGA om vaststelling van (de aanspraak op) subsidieverlening (krachtens de overeenkomst). Dit ontvankelijkheidsverweer van het Land wordt verworpen, terwijl er geen andere gronden zijn gesteld of gebleken waaruit volgt dat SVGA niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte.

4.2

Vast staat dat SVGA krachtens artikel 3 van de overeenkomst zorg dient te dragen voor de aanwezigheid van voldoende personeel volgens de normen die daaromtrent met het Land zijn overeengekomen. Voorts is niet in geschil tussen partijen dat er op enig moment bij SVGA een vacature (betreffende een bestaande formatieplaats) is opengevallen. In het licht daarvan heeft SVGA bij brief van 27 november 2013 de te dezen bevoegde Minister medegedeeld dat [naam] met ingang van 1 december 2013 in dienst zal treden van SVGA ter opvulling van die vacature in de functie van groepsleidster, met voorlopige inschaling van haar in schaal 5 met 1 dienstjaar. Bij diezelfde brief heeft SVGA voornoemde Minister verzocht die benoeming vast te stellen bij ministeriële beschikking. Naar het oordeel van het Gerecht valt dat verzoek niet anders te zien of te begrijpen dan een verzoek tot voorafgaande goedkeuring van het Land voor het in dienst nemen door SVGA van een te subsidiëren personeelslid in de zin van het hiervoor onder 2.1 weergegeven artikel 13 van de overeenkomst (hierna: het verzoek), welke goedkeuring naar het oordeel van het Gerecht eveneens een besluit betreft dat geen beschikking is in de zin van de Lar. Vast staat dat het Land die goedkeuring nimmer heeft gegeven, terwijl verder vast staat dat [naam] op 1 december 2013 daadwerkelijk in loondienst van SVGA is getreden.

4.3

Tegen voormelde achtergrond stelt het Land dat het niet gehouden is om de door SVGA gemaakte en nog te maken kosten zijnde salarisbetalingen aan [naam]-[achternaam] te subsidiëren, omdat het Land voormelde toestemming of formalisering/vaststelling tot benoeming of indiensttreding van het te subsidiëren personeelslid [naam] nimmer heeft gegeven. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen.

4.4

Gesteld noch is gebleken dat SVGA zonder de invulling van voormelde vacature (zijnde een bestaande formatieplaats) door [naam] reeds beschikte over voldoende personeel in de zin van het hiervoor onder 2.1 vermelde artikel 3 van de overeenkomst. Gesteld noch gebleken is voorts dat [naam] niet of minder geschikt was of is om bedoelde vacature in te vullen, en evenmin is gesteld of gebleken dat het Land enige andere reden of grond had of heeft om geen goedkeuring te hechten aan de aanstelling van [naam]. In het licht van dit alles en in dat van het gegeven dat het Land nooit heeft gereageerd op het verzoek terwijl het wist of behoorde te weten dat SVGA voornemens was om [naam] in loondienst van SVGA aan te stellen en wist of behoorde te weten dat [naam] vanaf 1 december 2013 reeds door SVGA in loondienst was aangenomen rijst de vraag of het in het licht van die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het Land zich te dezen beroept op artikel 13 van de overeenkomst, en louter op grond daarvan niet overgaat tot subsidiëring van het door SVGA aan [naam] te betalen salaris.

4.5

Het Gerecht zal ter bespreking van voormelde vraag en ter beproeving van een minnelijke regeling van het geschil een comparitie van partijen gelasten waarop partijen ieder deugdelijk vertegenwoordigd dienen te verschijnen, desgewenst samen met gemachtigden.

4.6

Het Gerecht wijst partijen erop dat het uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die het geraden zal achten.

4.7

De partij die zich ter comparitie op producties wil beroepen, dient die stukken uiterlijk één week vóór de comparitie in fotokopie aan zijn wederpartij en aan de griffier van het Gerecht over te leggen.

4.8

De partij die is verhinderd om op de hierna te bepalen datum en tijdstip te verschijnen, dient binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis per brief aan de ondergetekende rechter onder opgave van redenen uitstel te verzoeken. Bij het verzoek om uitstel dienen tevens de verhinderdata te worden opgegeven van alle partijen en hun gemachtigden gedurende de drie komende maanden na onderstaande dagbepaling. Indien niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis om uitstel is verzocht, zal nog slechts uitstel worden verleend in geval van overmacht. In dat geval dient de partij die wegens overmacht is verhinderd te verschijnen, onmiddellijk na het intreden van die overmacht per brief aan de ondergetekende rechter uitstel te verzoeken.

4.9

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-gelast een verschijning van partijen voor het geven van inlichtingen en/of ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.H.M. van de Leur, rechter, op vrijdag 30 september 2016 om 15.00 uur in zaal A van het in Aruba te J.G. Emanstraat no. 51 gelegen gerechtsgebouw;

-bepaalt dat partijen dan aanwezig moeten zijn beiden vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar/hem te vertegenwoordigen, desgewenst samen met hun respectieve gemachtigden;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 31 augustus 2016.