Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:585

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
A.R. no. 1338 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, onverschuldigde betaling mist voldoende grondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 31 augustus 2016

Behorend bij A.R. no. 1338 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de vennootschap naar Panamees recht

WEST INDIES INVESTMENT COMPANIES INCORPORATED,

gevestigd en kantoorhoudend te Panama,

eiseres, hierna ook te noemen: West Indies,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A. Ruiz,

tegen:

de naamloze vennootschap

INARCH (INTERIOR AND ARCHITECTURAL DESIGN) N.V.,

te Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: Inarch,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.J. Swaen en D.M. Passchier.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 28 mei 2014 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-het proces-verbaal van de krachtens voormeld vonnis op 16 september 2014 gehouden comparitie van partijen;

-de gelijktijdig door partijen op 4 maart 2015 genomen aktes na comparitie;

-de gelijktijdig door partijen op 6 mei 2015 genomen antwoordaktes na comparitie;

-de aan partijen gerichte brief van dit Gerecht van 14 maart 2016;

-de aantekeningen van de griffier van de in het kader van fysiek pleidooi gehouden terechtzitting van 28 april 2016.

1.2

Uit die aantekeningen blijkt dat partijen ter zitting zijn verschenen bij hun respectievelijke gemachtigden, die van Inarch vergezeld door C. Prodet en M. Profet (directeur respectievelijk administrateur van Inarch). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van overgelegde pleitnota’s, die van West Indies voorzien van toegelaten nadere producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen, met dien verstande dat de onder 2.1 van dat vonnis vermelde bedrag in verband met de in de conclusie van repliek neergelegde eisvermindering een kennelijke verschrijving betreft die zich leent voor het volgende eenvoudige herstel, zonder partijen daar op te horen. Daar waar in bedoeld vonnis onder 2.1 staat vermeld “Afl. 309.217,62” moet verbeterd worden gelezen “Afl. 286,669,77”.

2.2

Voorop wordt gesteld dat de grondslag van de vordering van West Indies geen ongerechtvaardigde verrijking doch (door West Indies te bewijzen) onverschuldigde betaling betreft, nu West Indies terugbetaling eist van beweerdelijk door haar teveel aan Inarch betaalde bedragen, ad in totaal het in hoofdsom gevorderde bedrag.

2.3

De door Inarch bestreden stelling van West Indies - dat Inarch haar facturen heeft opgesteld of samengesteld op grond van een verkeerde berekeningsmethode mist naar het oordeel van het Gerecht voldoende grondslag. De facturen zijn immers niet opgesteld krachtens het zogeheten en bij partijen genoegzaam bekende ARNA, maar op grond van - hetgeen Inarch niet of onvoldoende bestreden heeft gesteld - een tussen partijen overeengekomen betalingsschema. Eén en ander klemt temeer omdat vast is komen te staan dat Inarch voor niet minder dan tien andere projecten architectwerkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [naam X] (hierna: [naam X]), aandeelhouder en directeur van West Indies, en dat de dienaangaande door Inarch uitgebrachte facturen zijn opgemaakt volgens dezelfde methode als die met betrekking tot de onderhavige facturen, terwijl is gesteld noch gebleken dat ten aanzien van die andere facturen ooit is geklaagd in het verleden.

2.4

Wat betreft het beroep van Inarch op onverschuldigde betaling wordt het volgende overwogen, waarbij wordt vooropgesteld dat West Indies heeft erkend dat zij niet alleen aan Inarch de opdracht heeft verstrekt tot uitvoering van alleen het voorlopig ontwerp, maar ook tevens de opdracht heeft verstrekt tot uitvoering van het definitieve ontwerp, en dit naar het oordeel van het Gerecht telkens met betrekking tot de in het tussenvonnis onder 3.7 in verbinding met 3.2.1 tot en met 3.2.3 bedoelde offertes (874 ten aanzien waarvan op 17 november 2010 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, 874-01 ten aanzien waarvan op 7 april 2010 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en 874-03 ten aanzien waarvan op 31 augustus 2010 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen).

2.4.1

West Indies stelt in voormeld verband dat Inarch eerst met de uitvoering van de het definitieve ontwerp had mogen starten na verkregen goedkeuring van de Welstandscommissie en nadat de bouwvergunning was afgegeven. Gesteld noch gebleken is echter dat partijen dat zo hadden afgesproken. Voorts geldt dat die door Inarch gemotiveerd bestreden stelling voldoende verificatoire deskundige onderbouwing mist. Het had te dezen met name op de weg van West Indies gelegen om haar beweerdelijke voor architecten geldende norm te onderbouwen met een verklaring van die commissie en een verklaring van de instantie die gaat over de afgifte van bouwvergunningen dan wel een verklaring van enige andere ter zake deskundige (rechts)persoon van goede naam en faam. De hier besproken stelling van West Indies wordt gepasseerd.

2.4.2

Vast staat dat de overeenkomst met betrekking tot offerte 874 met wederzijds goedvinden van partijen is beëindigd op 21 maart 2011, terwijl Inarch niet of onvoldoende bestreden heeft gesteld dat zij ten behoeve van dit project in totaal 24 tekeningen heeft gemaakt. Vast staat verder dat de overeenkomst met betrekking tot offerte 874-01 met wederzijds goedvinden van partijen is beëindigd op 11 juni 2011, terwijl Inarch niet of onvoldoende bestreden heeft gesteld dat zij ten behoeve van dit project in totaal 15 tekeningen heeft gemaakt. Voorts staat vast dat de overeenkomst met betrekking tot offerte 874-03 met wederzijds goedvinden van partijen is beëindigd op 28 februari 2012, terwijl Inarch niet of onvoldoende bestreden heeft gesteld dat zij ten behoeve van dit project in totaal 41 tekeningen heeft gemaakt.

2.4.3

Bij het vorenstaande wordt nog overwogen dat (en daarin volgt het Gerecht het standpunt van Inarch) uit de context van het als productie 5 bij het verzoekschrift overgelegde aan Inarch gerichte schrijven van [naam X] niet volgt dat door die [naam X] aan Inarch is verzocht om alle door haar gemaakte tekeningen aan hem toe te sturen, doch alle met betrekking het doen houden van een presentatie aan een potentiële koper relevante tekeningen en informatie. In het licht daarvan heeft Inarch niet of onvoldoende bestreden gesteld dat het hier gaat om alle zogeheten A-tekeningen (“architectural designs”), omdat alle andere tekeningen niet relevant zijn voor het doen houden van een dergelijke presentatie, en dat Inarch alleen die A-tekeningen heeft toegestuurd aan [naam X] naar aanleiding van zijn verzoek. Vorenstaande brengt mee dat verder vast komt te staan dat ir. R.G. Eman alleen bedoelde A-tekeningen heeft beoordeeld, zodat zijn bij partijen genoegzaam bekende oordeel met betrekking tot de waarde van de met die tekeningen gemoeid gaande werkzaamheden West Indies niet kan baten.

2.4.4

Tegen voormelde achtergrond stelt West Indies verder dat Inarch nadat voormelde overeenkomsten waren beëindigd telkens is doorgegaan met het maken van tekeningen die zij vervolgens (onverschuldigd) heeft laten betalen door West Indies. Ook die door Inarch bestreden stelling mist naar het oordeel van het Gerecht voldoende grondslag. Het had hier met name op de weg van West Indies gelegen om precies aan te geven (1) welke van de 24 tekeningen ten behoeve van project 874 precies na 21 maart 2011 nog door Inarch zijn gemaakt en aan West Indies in rekening zijn gebracht, (2) welke van de 15 tekeningen ten behoeve van project 874-01 precies na 11 juni 2011 nog door Inarch zijn gemaakt en aan West Indies in rekening zijn gebracht, en welke van de 41 tekeningen ten behoeve van project 874-03 precies na 28 februari 2012 nog door Inarch zijn gemaakt en aan West Indies in rekening zijn gebracht. Het nalaten daarvan komt en blijft voor risico en rekening van West Indies. Vast komt daarom te staan dat Inarch voor bedoelde projecten in totaal 90 tekeningen heeft gemaakt, terwijl niet vast komt te staan dat een deel daarvan is gemaakt nadat de overeenkomsten waren beëindigd.

2.5

Al het hiervoor vermelde brengt met zich dat de stelling van West Indies, dat zij in totaal het thans in hoofdsom gevorderde bedrag onverschuldigd heeft betaald aan Inarch voldoende grondslag mist. De slotsom luidt daarom dat de vordering van West Indies zal worden afgewezen. Er zijn geen overige feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.

2.6

West Indies zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Inarch, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 16.200,-- aan salaris voor de gemachtigden (6 punten van liquidatietarief 8, ad Afl. 2.700,-- per punt). Hierbij wordt nog overwogen dat het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement (en het daarin neergelegde herziene liquidatietarief) buiten toepassing blijft, omdat deze zaak ten tijde van die inwerkingtreding reeds voor wijzen van vonnis stond zodat geen sprake is van verdere behandeling van een reeds aanhangige zaak in de zin van artikel 138 van dat reglement.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door West Indies verzochte;

-veroordeelt West Indies in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Inarch, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 16.200,-- aan salaris voor de gemachtigden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 31 augustus 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.