Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:568

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
A.R. 2361 van 2007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis. Benoeming van een medisch deskundige en een arbeidsdeskundige en verwerping van bezwaren tegen de benoeming, mede in het licht van de beperkte beschikbaarheid van deskundigen. Tevens vaststelling van de te beantwoorden vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0216

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2016

Behorend bij A.R. 2361 van 2007

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

Eiser,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Eiser,

gemachtigden: advocaten mr. M.O. Lopez en G. de Hoogd,

tegen:

de naamloze vennootschap

DALTRA ANTILLES N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Daltra,

gemachtigde: advocaat mr. J.L. Peterson.

1 DE PROCEDURE

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de rolbeschikking van 18 mei 2016;

- de producties die Eiser heeft toegezonden op 16 en 17 juni 2016;

- de producties die Daltra heeft toegezonden op 15 juni 2016;

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 22 juni 2016 .

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Vaststaat dat Daltra aansprakelijk is voor de schade die Eiser lijdt als gevolg van het bedrijfsongeval op 2 september 2004. Partijen zijn verdeeld over de vaststelling van de medische beperkingen en arbeidsdeskundige gevolgen die door dat ongeval zijn ontstaan. Tot op heden is geen deskundige rapportage uitgebracht waarop de verdere beslissingen kunnen worden gebaseerd. Wel is er een rapport aanwezig van een keuring door de verzekeringsarts M. Schaad van 10 augustus 2009, opgemaakt ten behoeve van de Sociale Verzekeringsbank SVB (verder: de SVB-rapportage). Daarnaast is een arbeidsdeskundige rapportage van 12 mei 2010 aanwezig van J.C.M. Schendzielorz, dat het rapport van 10 augustus 2009 “vertaalt” naar de mate van mogelijke arbeidsinzet van Eiser. Op basis van de vastgestelde beperkingen, zoals die blijken uit de SVB-rapportage, wordt geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46%.

2.2

In het kader van de vaststelling van de door Eiser geleden en te lijden schade kan niet worden volstaan met de SVB-rapportage en evenmin met de daarop gebaseerde arbeidsdeskundige beoordeling. Immers, de beoordeling op basis van het aansprakelijkheidsrecht is een andere dan die van het sociaal-verzekeringsrecht. Bovendien is Daltra niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die rapporten.

2.3

Ter zitting heeft het Gerecht met partijen doorgenomen welke deskundige moet worden aangezocht, zowel qua discipline als qua persoon. Partijen kunnen zich vinden in de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige, maar mét hen stuit het Gerecht op het praktische bezwaar dat het aantal in aanmerking komende personen zeer gering is en rond hen een discussie ontstaat over de vraag of zij onbevangen kunnen rapporteren. Bovendien heeft de SVB haar artsen verboden om dergelijke keuringen in zaken als de onderhavige uit te voeren. Daltra heeft voorgesteld om de revalidatie-arts B.A.A. Zahavi te Curaçao te benoemen. Hoewel hij geen verzekeringsgeneeskundige is, acht het Gerecht de deskundigheid van een revalidatie-arts afdoende om de medische gevolgen en beperkingen van Eiser in kaart te brengen. Nu van inhoudelijke bezwaren van Eiser tegen Zahavi niet is gebleken (behoudens dat hij geen verzekeringsgeneeskundige is) zal hij worden benoemd.

2.4

Ten aanzien van de vraagstelling aan dr. Zahavi, zal het Gerecht aansluiten bij de zogenoemde IWMD-vraagstelling, nu deze een voor een arts duidelijk kader geeft waarbinnen het onderzoek dient plaats te vinden. Daarnaast zal aan de revalidatie-arts worden gevraagd een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen ten behoeve van het te verrichten arbeidsdeskundig onderzoek. Partijen hebben voorstellen gedaan voor wat betreft de te stellen vragen. De thans door het Gerecht geformuleerde vragen komen daaraan voldoende tegemoet en in zoverre heeft het Gerecht de vragen geherformuleerd.

2.5

De vraagstelling aan de revalidatie-arts luidt als volgt:

(IWDM-2014)

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl, > publicaties). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1 DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Aanbeveling 2.2.4. RMSR:

De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van:

- de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Aanbeveling 2.2.6 RMSR:

Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Aanbeveling 2.2.5 RMSR:

Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.

Aanbeveling 2.2.7 RMSR:

Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Aanbeveling 2.2.8 RMSR:

Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Aanbeveling 2.2.15 RMSR:

Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

2 DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

Aanbeveling 2.2.16 RMSR:

Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

3 OVERIG

Aanbeveling 2.2.11 RMSR:

Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Aanvullend en in afwijking met de IWMD-vraagstelling:

b. wilt u ten behoeve van het te verrichten arbeidsdeskundige onderzoek een FML opstellen?

2.6

Met betrekking tot de arbeidsdeskundige die vervolgens dient te rapporteren, constateert het Gerecht dat het aantal regionaal beschikbare arbeidsdeskundigen zeer gering is. De arbeidsdeskundige Schendzielorz, werkzaam bij MedWork is bereid om de arbeidsdeskundige beoordeling te doen. Het Gerecht acht, gezien de geringe beschikbaarheid bij de benoeming van een arbeidsdeskundige het geen zwaarwegend bezwaar dat zij reeds heeft gerapporteerd in het kader van de SVB-rapportage. Niet gebleken is dat zij op verzoek van één van de partijen al naar de zaak heeft gekeken.

2.7

De aan de arbeidsdeskundige te stellen vragen zullen hieronder geformuleerd worden en sluiten aan op hetgeen partijen hebben voorgesteld. Daarnaast heet het Gerecht behoefte aan aanvullende informatie.

2.8

De vraagstelling aan de arbeidsdeskundige is de volgende:

1. Wilt u een beschrijving geven van de arbeidshistorie en het opleidingsniveau van Eiser?

2. Wilt u op basis van eigen onderzoek en op basis van het uitgebrachte rapport van de verzekeringsgeneeskundige c.q. revalidatie-arts beschrijven welke effecten de ongevalsgevolgen hebben op de arbeidsinzet van Eiser?

3. Wilt u in kaart brengen wat de arbeidsinzet van Eiser is geweest in de periode na het ongeval tot het moment van uw onderzoek en wat de verdiensten zijn die hij daarbij heeft ontvangen?

4. Tot welke werkzaamheden is Eiser redelijkerwijs nog in staat en wat zou hij daarmee nog kunnen verdienen?

5. Heeft Eiser nog enige vorm van ondersteuning nodig en, zo ja, welke is dat en hoe intensief zou die zijn?

6. Welke beperkingen ondervindt Eiser in het Algemeen Dagelijks Leven (ADL) en wat betreft het voeren van zijn huishouding? Indien sprake is van mantelzorg, wilt u die dan beschrijven en kwantificeren?

7. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

2.9

Voor wat betreft de kosten van de onderzoeken zal het Gerecht Daltra belasten met het betalen van het voorschot, nu zij aansprakelijk is voor de schade van Eiser en de onderzoeken noodzakelijk zijn om de gevolgen van het ongeval in kaart te brengen.

2.10

Ter zitting is met partijen ook gesproken over de inmiddels door Eiser geleden schade. Hij heeft verklaard dat hij nu in een appartementencomplex wat hand- en spandiensten verricht die hij op eigen tempo en naar eigen tijdsindeling kan verrichten. daartegenover staat als “beloning” dat hij kostenloze huisvesting in een appartement heeft. Verder ontvangt hij nu een uitkering van de SVB en ontvangt hij vanaf 1 juli 2015 van Daltra een voorschot op de schade van Afl 1.500,00 netto per maand. Volgens Daltra heeft Eiser na het ongeval begeleiding naar passend werk bij Daltra geweigerd, terwijl Eiser heeft ontkend dat Daltra daadwerkelijk iets aan re-integratie heeft gedaan. Het Gerecht zal de discussie over dit punt beoordelen na het gereedkomen van de deskundigenrapportages.

2.11

Partijen hebben voorgesteld om thans ook reeds een rekenkundige te benoemen, maar daarvan ziet het Gerecht af, omdat het eerst de gevolgen in kaart wil brengen en daarna de uitgangspunten wil vaststellen voor een dergelijke rapportage.

2.12

De verdere procedure zal er als volgt uitzien:

- Datra en Eiser dienen gezamenlijk een kopie van het complete procesdossier ter beschikking te stellen aan de deskundigen. Het Gerecht merkt op dat hierbij ook de producties dienen te zijn gevoegd. Opmerkingen van een partij over de waarde van verschillende onderdelen in dat procesdossier zijn niet toegestaan;

- Daltra dient te zorgen voor tijdige betaling van de voorschotten op de hieronder aan te geven wijze;

- Nadat het rapport van Zahavi beschikbaar is, dienen partijen dat gezamenlijk aan de arbeidsdeskundige Schendzielorz toe te sturen;

- Partijen hebben de gelegenheid om op de conceptrapportages van de deskundigen opmerkingen te maken en eventueel verduidelijkende vragen te stellen;

- Nadat de deskundigenrapportages definitief zijn en zijn ingediend bij het Gerecht, hebben partijen de gelegenheid om een conclusie na deskundigenbericht te nemen. Daarna komt de zaak opnieuw voor vonnis.

2.13

Het gerecht wijst erop dat partijen op grond van artikel 174b lid 3 Rv wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Het gerecht zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan het gerecht daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.14

Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige(n) doet toekomen, dient zij daarvan onmiddellijk afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.15

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht

3.1

beveelt een onderzoek door deskundigen;

3.2

benoemt tot medisch deskundige:

Dr. B.A.A. Zahavi,

correspondentieadres: Kaminda Seru Waterloo 111, Curaçao,

telefoon: +5999 888-2560,

emailadres: ayalzahavi@gmail.com

3.3

draagt de medisch deskundige op antwoord te geven op de vragen zoals genoemd onder 2.5 van dit vonnis;

3.4

benoemt tot arbeidsdeskundige:

mw. J. Schendzielorz,

correspondentieadres: Tanki Flip 12, Unit A, Aruba,

telefoonnummer: +297 587-8880

emailadres: info@medwork.aw

3.5

draagt de arbeidsdeskundige op antwoord te geven op de vragen zoals genoemd onder 2.8 van dit vonnis;

3.6

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundigen het volgende:

- binnen drie weken na de datum van deze beslissing dient door de deskundigen een begroting van de kosten op te worden geven aan de griffie van het gerecht, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,

- de griffie zal de opgave van de deskundigen vervolgens toezenden aan partijen,

- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij het gerecht bezwaar maken tegen de begroting,

- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundigen begrote bedrag,

- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing;

3.7

bepaalt dat Daltra het voorschot dient over te maken

- op het bankrekeningnummer:

601347606 (Awg)

t.n.v. gemeenschappelijk hof van justitie

CARIBBEAN MERCANTILE BANK

CAYA BETICO CROES 53

ORANJESTAD, ARUBA

SWIFT CODE: CMBAAWAX

onder vermelding van "voorschot deskundigenrapport zaak AR 2361 van 2007" en wel binnen vier weken na deze beslissing;

3.8

draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

3.9

bepaalt dat partijen het procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.10

wijst de deskundigen er op dat:

de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,

de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact op te nemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

3.11

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken als daarom verzocht wordt, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

3.12

draagt de deskundigen op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

3.13

bepaalt dat de deskundigen een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, zodat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,

3.14

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden, en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

3.15

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van woensdag 14 december 2016,

3.16

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van Eiser op een termijn van vier weken,

3.17

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.18

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.