Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:562

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
E.J. no. 166 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel – arbeid - doorbetaling van loon - wedertewerkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2557

Uitspraak

Beschikking van 30 augustus 2016

Behorend bij E.J. no. 166 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING in de zaak van:

[X],

wonende in Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: [X],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de stichting

FUNDACION PA HENDE MUHE DEN DIFICULTAD,

gevestigd in Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: FHMD,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 25 augustus 2015 blijkt uit de tussenbeschikking van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-het proces-verbaal van bewijslevering van 23 oktober 2015;

-het proces-verbaal van voortzetting bewijslevering van 27 november 2015;

-het proces-verbaal van voortzetting bewijslevering van 28 januari 2016;

-de door FHMD genomen conclusie na bewijslevering;

-de op 14 juni 2016 door [X] genomen antwoordconclusie na bewijslevering.

1.3

Beschikking is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenbeschikking neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

De thans te beantwoorden vraag is of FHMD is geslaagd in de aan haar gegeven opdracht om te bewijzen dat [X] de aan FHMD toevertrouwde en bij partijen genoegzaam bekende cliënt (1) onder valse voorwendselen naar de woning van [X] heeft laten brengen (oftewel met het opzet en de voorbedachte raad tot het navolgende) en (2) die cliënt (hierna: de cliënt) aldaar in een voor haar penibele situatie heeft gebracht door die niet daartoe voorbereide cliënt samen met de echtgenoot van [X] op een bedreigende wijze aan te manen en/of op een bedreigende wijze te intimideren om in het huwelijk te treden met de man die haar (de cliënt dus) heeft mishandeld. Het Gerecht volgt [X] in haar standpunt dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.

2.3

Uit de getuigenverklaring van de onder ede gehoorde cliënt blijkt immers dat er in de woning van [X] niets tegen de cliënt is gezegd over het in huwelijk moeten treden met de man die haar heeft mishandeld, laat staan dat de cliënt daartoe op bedreigende wijze is geïntimideerd of aangemaand door [X] en/of haar echtgenoot zoals allemaal gesteld door FHMD. Daar komt bij dat de cliënt ter zitting heeft verklaard dat zij na afloop van bedoeld gesprek in de woning van [X] niet overstuur is teruggekeerd bij FHMD, zoals ook gesteld door FHMD. Uit dit één en ander volgt dat evenmin komt vast te staan dat [X] de cliënt onder valse voorwendselen naar haar woning heeft laten brengen zoals hiervoor omschreven en gesteld door FHMD. Bij dit alles heeft te gelden dat het Gerecht meer gewicht toekent aan deze door de cliënt onder ede afgelegde verklaringen dan mogelijke andersluidende verklaringen die zij (niet onder ede) heeft afgelegd ten overstaan van de bij FHMD gehouden bij partijen genoegzaam bekende vergadering en/of individuele bestuursleden of medewerkers van FHMD. De impliciete stelling van FHMD, dat de getuigenverklaringen van de cliënt niet of onvoldoende betrouwbaar zijn (zie in dit verband sustenu 12 van de conclusie na bewijslevering van FHMD) mist voldoende verificatoire onderbouwing, temeer omdat het op de weg had gelegen van FHMD om gedurende het getuigenverhoor van de cliënt haar dienaangaande te bevragen. Bedoelde overigens door [X] bestreden stelling wordt gepasseerd.

2.4

De slotsom luidt dat niet komt vast te staan dat [X] aan FHMD een dringende reden heeft gegeven voor ontslag. Dat betekent dat de vorderingen van [X] zullen worden toegewezen, met inachtneming van het navolgende. FHMD heeft geen matiging van de toe te wijzen loonvordering van [X] verzocht, terwijl het Gerecht geen aanleiding ziet om daartoe ambtshalve over te gaan. Dit laatste omdat het naar het oordeel van het Gerecht vooral aan de proceshouding van FHMD is te wijten (in verband met alle tevergeefs gebleken getuigenverhoren zijdens FHMD) dat deze zaak - waarvan het verzoekschrift binnen vier maanden na het aan [X] gegeven ontslag ter griffie is ingediend, hetgeen niet heeft te gelden als laat - zo’n anderhalf jaar heeft moeten duren. Het had in dat verband ook meer op de weg van FHMD gelegen om de cliënt als eerste getuige voor te brengen, nu die de enige is die - en daar gaat het om - uit eigen wetenschap of uit eigen waarneming kon verklaren over hetgeen zich al dan niet in de woning van [X] heeft afgespeeld.

2.5

Het Gerecht ziet wel aanleiding om de wettelijke verhoging gematigd vast te stellen op telkens maximaal 15%. Dwangsommen zullen gemaximeerd worden opgelegd aan FHMD.

2.6

FHMD zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [X], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan verschotten en Afl. 4.050,-- aan salaris voor de gemachtigde (4,5 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 900,-- per punt), waarbij heeft te gelden dat voor getuigenverhoor van 8 januari 2016 - waarvan ter zitting bleek dat het geen doorgang kon vinden omdat de toen enige door FHMD voorgebrachte getuige haar baby had meegenomen naar het gerechtsgebouw, terwijl die baby niet kon worden toegelaten tot de zitting - eveneens een half punt van het liquidatietarief is toegekend. Bij dit alles wordt nog overwogen dat het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement (en het daarin neergelegde herziene liquidatietarief) buiten toepassing blijft, omdat deze zaak ten tijde van die inwerkingtreding reeds voor wijzen van beschikking stond zodat geen sprake is van verdere behandeling van een reeds aanhangige zaak in de zin van artikel 138 van dat reglement.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-verklaart voor recht dat het door FHMD op 2 september 2014 aan [X] gegeven ontslag nietig is;

-veroordeelt FHMD om aan [X] door te betalen haar normale loon gerekend vanaf 2 september 2014 totdat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 15%, telkens gerekend vanaf de dag waarop dat loon telkens opeisbaar werd;

-beveelt FHMD om [X] binnen drie dagen na de uitspraak van deze beschikking weder te werk te stellen in dezelfde functie en tegen hetzelfde loon;

-bepaalt dat FHMD ten behoeve van [X] een dwangsom verbeurt van Afl. 250,-- voor iedere dag dat FHMD voormeld bevel niet opvolgt, en bepaalt voorts dat FHMD te dezen niet meer dan Afl. 100.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

-veroordeelt FHMD in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [X], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan verschotten en Afl. 4.050,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 augustus 2016.