Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:553

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
A.R. 1756 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Studieschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2016

Behorend bij A.R. 1756 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap, Dienst uitvoering onderwijs (DUO),

zetelend te ’s-Gravenhage, mede kantoorhoudende te Groningen,

EISERES, hierna ook te noemen: DUO,

gemachtigde: advocaat mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen:

Gedaagde,

wonend te Aruba, [adres gedaagde],

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift dat op 12 augustus 2015 op de griffie is ingediend;

- de conclusie van antwoord, genomen op de rolzitting van 18 november 2015;

- de conclusie van repliek, genomen op de rolzitting van 24 februari 2016,

- de conclusie van dupliek, genomen op de rolzitting van 25 mei 2016.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis dat is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

DUO, althans haar rechtsvoorganger Informatie Beheer Groep, heeft aan Gedaagde op grond van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) gelden verstrekt in de vorm van een lening.

2.2

Gedaagde heeft verzuimd om de lening tijdig terug te betalen.

3 DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1

DUO vordert dat het gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde veroordeelt om aan DUO, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen het bedrag van € 10.323,34, zijnde de hoofdsom ad € 7.014,57 vermeerderd met incassokosten ad € 1.052,18 en rente berekend tot en met 8 juli 2015 ad € 2.256,59, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 7.014,57 te berekenen vanaf 9 juli 2015, met veroordeling van Gedaagde in de kosten van het geding.

3.2

De vordering van DUO heeft betrekking op de nog openstaande termijnen:

- de maandtermijnen april 2004 t/m december 2004 ad € 780,57

- de jaartermijn 2005 ad € 892,32

- de maandtermijnen januari 2006 t/m december 2007 ad € 1.784,64

- de maandtermijnen januari 2008 t/m december 2008 ad € 892,32

- de maandtermijnen januari 2009 t/m december 2011 ad € 2.664,72

Totaal: € 7.014,57

3.3

Gedaagde voert verweer en concludeert tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 4.090,60, zijnde de hoofdsom ad € 3.557,04 vermeerderd met de rente berekend tot en met 8 juli 2015, vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen vanaf 9 juli 2015, met afwijzing van het meer of anders gevorderde en met veroordeling van DUO in de proceskosten. Gedaagde betwist het gevorderde bedrag verschuldigd te zijn.

Daartoe voert Gedaagde aan dat de vordering met betrekking tot de maandtermijnen april 2004 tot en met december 2007 is verjaard en dat de berekende rente tot en met 8 juli 2015 daarom niet juist is. Ten slotte voert Gedaagde verweer tegen de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag welk bedrag Gedaagde aan DUO verschuldigd is in verband met opeisbare termijnen tot terugbetaling van de studieschuld, waarmee Gedaagde achterstallig is.

4.2

Bij conclusie van repliek heeft DUO de vordering nader toegelicht en onderbouwd met stukken.

DUO heeft gesteld dat zij Gedaagde verscheidene malen heeft aangemaand de openstaande maandtermijnen te voldoen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft DUO een aantal aanmaningsbrieven overgelegd. Deze aanmaningsbrieven, onder meer gedateerd op 10 maart 2006, 8 juli 2006, 7 mei 2009 en 25 augustus 2009 terzake de maandtermijnen april 2004 tot en met december 2007, zijn verzonden naar het adres [adres gedaagde] in Aruba.

Gedaagde heeft het verweer gevoerd dat hij bovengenoemde aanmaningsbrieven nimmer heeft ontvangen en dat de vordering met betrekking tot bovengenoemde maandtermijnen derhalve is verjaard.

Het gerecht stelt voorop dat niet in geschil is dat Gedaagde in de periode 2004 en 2008 niet langer ingeschreven stond op het adres [adres gedaagde] in Aruba. Uit de overgelegde aanmaningsbrieven blijkt dat de aanmaningen vanaf 2006 telkens naar hetzelfde bij DUO bekende adres van Gedaagde zijn verzonden, te weten [adres gedaagde] in Aruba. Dit is ook het adres dat vermeld staat in het vonnis van 4 juli 2007 dat gewezen is in een procedure die DUO reeds in 2006 tegen Gedaagde heeft aangespannen. Het voorgaande brengt met zich dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat Gedaagde aldaar de aanmaningsbrieven heeft kunnen ontvangen. DUO heeft vele aanmaningsbrieven in het geding gebracht, waartegenover Gedaagde niet kon volstaan met de enkele betwisting dat DUO die brieven daadwerkelijk heeft verzonden, en evenmin dat de brieven op het gebruikte adres zijn aangekomen. Daarom is het verweer van Gedaagde dat hij de bedoelde aanmaningsbrieven niet heeft ontvangen onvoldoende onderbouwd. Het enkel stellen dat tijdens onderhavige periode veel problemen waren met de bezorging van de post door het postbedrijf in Aruba is niet voldoende om het gerecht tot een ander oordeel te laten komen. Op grond van artikel 4:104 Algemene wet bestuursrecht (Awb) verjaart een rechtsvordering vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat de aanmaningsbrieven Gedaagde hebben bereikt althans dat hij daarvan had kunnen kennis nemen, zodat deze een stuitende werking hebben gehad. Nadien heeft DUO de verjaringstermijnen door verscheidene aanmaningsbrieven telkens tijdig gestuit. Het beroep op verjaring faalt.

4.3

Gedaagde heeft de rente tot en met 8 juli 2015 berekend op € 1.733,45. Deze berekening is echter gebaseerd op een lager bedrag dan hij verschuldigd is. DUO heeft de rente aan de hand van artikel 6.8 Wet studiefinanciering 2000 (WSF) berekend en toegelicht. Ingevolge dit artikel betreft de rente de wettelijke rente. Nu Gedaagde deze berekening op zich niet heeft bestreden, wordt deze berekening voor juist gehouden.

4.4

DUO heeft incassokosten ter hoogte van 15 % van de hoofdsom gevorderd en verwezen naar artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). Gedaagde betwist de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten omdat hij onder meer de hiervoor in rechtsoverweging 4.2 genoemde aanmaningsbrieven niet heeft ontvangen. Dit verweer faalt. Dat Gedaagde de aanmaningsbrieven niet heeft ontvangen is niet beslissend. Waar het om gaat is of DUO die aanmaningsbrieven aan Gedaagde heeft verstuurd zoals zij heeft gesteld en dat is door Gedaagde niet voldoende onderbouwd bestreden. Dat DUO daadwerkelijk kosten heeft gemaakt om betaling buiten rechte te verkrijgen, heeft zij aannemelijk gemaakt met de door haar overgelegde producties. De vordering tot betaling van die kosten kan dus, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

4.5

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, welke kosten worden begroot op Afl. 750,-- aan griffierecht, Afl. 229,77 aan explootkosten en Afl. 2.000,-- (2 punten bij tarief 4) aan salaris van de gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht,

veroordeelt Gedaagde om aan DUO tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 10.323,34, althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse Florin tegen de koers geldende op de dag van betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 7.014,57 gerekend vanaf 9 juli 2015;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van DUO worden begroot op Afl. 2.979,77;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Schendel, rechter, en werd uitgesproken door mr. J. Sap, ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.