Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:552

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
A.R. no. 1747 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel recht, studielening (schuldvordering). Overgang Procesreglement 1 augustus 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2016

Behorend bij A.R. no. 1747 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP, DIENST UITVOERING ONDERWIJS,

zetelend in Nederland,

eiser,

hierna ook te noemen: de Staat,

gemachtigde: de advocaat mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen:

Gedaagde,

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Gedaagde,

procederende in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek, met producties.

1.2

De Staat heeft ter rolzitting van 20 april 2016 verklaard niet te zullen reageren op de bij dupliek overgelegde producties.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

De Staat vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Gedaagde veroordeelt:

-om aan de Staat te betalen € 34.395,78, zijnde de hoofdsom vermeerderd met incassokosten ad € 3.990,20 en met tot en met 29 juli 2015 verschenen rente ad

€ 3.804,23, te vermeerderen met wettelijke rente over € 26.601,35 gerekend vanaf 30 juli 2015;

-in de proceskosten.

2.2

Gedaagde voert verweer strekkende tot afwijzing van het door de Staat verzochte, althans tot het treffen van een betalingsregeling.

3 DE BEOORDELING

3.1

Gedaagde heeft de door de Staat bij gelegenheid van repliek opgeworpen met producties onderbouwde nadere stellingen niet bestreden. Vast komt daarom te staan dat Gedaagde onder dossiernummer 14.00156 ad € 26.601 opeisbaar verschuldigd is aan de Staat uit hoofde onbetaald gelaten aflossingstermijnen ter zake van studiefinanciering, en dat Gedaagde over dat bedrag rente verschuldigd is zoals gevorderd door de Staat. Het door de Staat in hoofdsom gevorderde bedrag en de daarover gevorderde rente zal daarom worden toegewezen als na te melden.

3.2

Vast komt verder te staan dat de Staat ter verkrijging van voldoening buiten rechte meer werkzaamheden heeft verricht dan die waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft. Het is naar het oordeel van het Gerecht ook redelijk dat de Staat die werkzaamheden heeft verricht en dienaangaande de wettelijk vastgestelde forfaitaire vergoeding van 15% over de verschuldigde hoofdsom in rekening brengt aan Gedaagde. Ook deze vordering van de Staat zal worden toegewezen. Hierbij heeft te gelden dat de in het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement neergelegde bepaling ter zake van vergoeding van buitengerechtelijke kosten buiten toepassing blijft, omdat deze zaak ten tijde van die inwerkingtreding reeds voor (wijzen van) vonnis stond, zodat geen sprake is van verdere behandeling van een reeds aanhangige zaak in de zin van artikel 138 van dat Procesreglement. Daar komt bovendien nog eens bij dat bedoelde bepaling van dat reglement naar het oordeel van het Gerecht niet derogerend kan werken aan - zoals in het onderhavige geval - een wettelijk vastgestelde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

3.3

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de Staat, tot aan deze uitspraak begroot op (750,-- + 225,63 =) Afl. 975,63 aan verschotten en Afl. 2.200,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 6, ad Afl. 1.100,-- per punt). Te dezen geldt eveneens dat het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement (en het daarin neergelegde herziene liquidatietarief) buiten toepassing blijft om dezelfde reden als hiervoor onder 3.2 vermeld.

3.4

Bij al het vorenstaande wordt nog overwogen dat mogelijke betalingsonmacht van Gedaagde niet in de weg kan staan aan een veroordeling tot betaling van geldsommen, en dat het aan partijen is om in het licht van dit vonnis al dan niet een betalingsregeling overeen te komen.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt Gedaagde om aan de Staat te betalen € 34.395,78 althans het equivalent daarvan in Arubaans courant, zijnde de hoofdsom vermeerderd met incassokosten ad € 3.990,20 en met tot en met 29 juli 2015 verschenen rente ad € 3.804,23, te vermeerderen met wettelijke rente over € 26.601,35 gerekend vanaf 30 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de Staat, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 975,63 aan verschotten en Afl. 2.200,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.