Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:546

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
A.R. no. 1062 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Geldvordering uit hoofde van een huurovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2016

Behorend bij A.R. no. 1062 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ROYAL PLAZA N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Royal Plaza,

gemachtigde: de advocaat mr. R.T.J.M. Oomen,

tegen:

Gedaagde,

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met één productie;

-de conclusie van dupliek, met producties;

-de akte uitlatingen producties.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Royal Plaza vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Gedaagde veroordeelt:

-om ten titel van nakoming aan Royal Plaza te betalen Afl. 227.351,11, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

-in de proceskosten.

2.2

Gedaagde voert verweer en concludeert dat Royal Plaza niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat Royal Plaza niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van Gedaagde wordt daarom verworpen.

3.2.1

Royal Plaza stelt onder meer dat zij op 3 november 1998 een schriftelijke huurovereenkomst heeft gesloten met Gedaagde krachtens welke Gedaagde een winkelpand huurde van Royal Plaza voor de periode vanaf 1 december 1998 tot en met 31 oktober 2001 tegen een huurprijs van Afl. 5.340,-- maandelijks, bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste dag van iedere maand. Gedaagde heeft de juistheid van voormelde stelling van Royal Plaza naar het oordeel van het Gerecht ondubbelzinnig erkend (zie sustenu 4 van de conclusie van antwoord: “In 1998 is gedaagde in principe een huurovereenkomst aangegaan met eiseres.”; en dat in verbinding met sustenu 19 van die conclusie: “Vast staat dat de huurovereenkomst met gedaagde per 30 november 2001 automatisch is geëindigd.”). Die erkenning kan op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 133 Rv slechts worden herroepen indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Gesteld noch gebleken is dat van dit één of ander sprake is.

3.2.2

Zo Gedaagde voormelde stelling van Royal Plaza niet uitdrukkelijk heeft erkend, heeft in het licht van de als productie 2 bij het verzoekschrift overgelegde huurovereenkomst - waarin Gedaagde telkens staat vermeld als huurder, en die Gedaagde ook als zodanig ondertekend - in samenhang met voormelde geciteerd weergegeven stellingen of verklaringen van Gedaagde in verdere samenhang met het hierna onder 3.3.2 overwogene te gelden dat het tegen die stelling opgeworpen verweer voldoende grondslag mist.

3.2.3

Al het vorenstaande brengt met zich dat vast komt te staan dat partijen op 3 november 1998 een huurovereenkomst hebben gesloten krachtens welke Gedaagde in elk geval voor de periode 1 december 1998 tot en met 30 november 2001 een winkelpand huurde van Royal Plaza tegen een huurprijs van Afl. 5.340,-- maandelijks, bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste dag van iedere maand.

3.3.1

In het licht van vorenstaande staat verder vast dat na ommekomst van die periode het gehuurde niet is ontruimd door Gedaagde, in welk verband Royal Plaza stelt dat de huurovereenkomst door Gedaagde diverse malen schriftelijk is verlengd (voor het laatst in 2006), en vervolgens stilzwijgend tot en met 31 oktober 2013. Gedaagde stelt daarentegen dat de huurovereenkomst op enig moment is overgegaan naar of overgedragen aan of overgenomen door het aan hem toebehorende en in het gehuurde gevestigde bedrijf [bedrijf] N.V. (hierna: het bedrijf), hetgeen volgens Gedaagde blijkt uit de omstandigheid dat het bedrijf altijd de huur betaalde en daarvoor door Royal Plaza schriftelijk werd gekwiteerd en uit het gegeven dat toen het bedrijf de huurovereenkomst schriftelijk had opgezegd tegen 1 november 2013 Royal Plaza zonder enig voorbehoud de sleutels van het gehuurde heeft aanvaard. Gedaagde stelt in dit verband verder dat de huurovereenkomst telkens is verlengd door het bedrijf, en niet door Gedaagde op persoonlijke titel. Ter zake van dat door Royal Plaza bestreden verweer wordt het volgende overwogen.

3.3.2

De stelling van Gedaagde, dat de huurovereenkomst op enig moment is overgegaan naar of overgedragen aan of overgenomen door het bedrijf mist voldoende grondslag. Artikel 6:159 lid 1 BW bepaalt immers dat van overname door het bedrijf van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst alleen dan sprake kan zijn als voldaan is aan het constitutieve vereiste van onder meer een daartoe tussen Royal Plaza en het bedrijf opgemaakte akte. Gesteld noch gebleken is dat op enig moment een dergelijke akte is opgemaakt, waarbij heeft te gelden dat op naam van het bedrijf gestelde door Royal Plaza uitgeschreven kwitanties of de door haar geaccepteerde schriftelijke beëindiging door het bedrijf van de huurovereenkomst naar het oordeel van het Gerecht geen aktes zijn als bedoeld in voormeld wetsartikel. Voormeld in de wet neergelegde constitutief vereiste brengt ook met zich dat Gedaagde (net als het bedrijf) er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de huur was overgegaan op of naar het bedrijf. Dit alles klemt temeer omdat uit artikel 6:30 BW volgt dat de op Gedaagde jegens Royal Plaza rustende verbintenis tot betaling van de maandelijkse huur ook door een ander (zoals in dit geval het bedrijf) kan worden nagekomen.

3.3.3

Vorenstaande in verbinding met het vaststaande gegeven dat Gedaagde na ommekomst van de aanvankelijke huurovereenkomst het gehuurde niet heeft ontruimd maar aldaar zijn bedrijf is blijven uitvoeren brengt mee dat Gedaagde de stelling van Royal Plaza - dat Gedaagde na die ommekomst de huurovereenkomst met Royal Plaza telkens heeft verlengd tot en met 31 oktober 2013, althans dat Royal Plaza er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval was - onvoldoende heeft bestreden. Die stelling komt daarom vast te staan. Dat de huurovereenkomst tegen 1 november 2013 wat Royal Plaza kennelijk betreft rechtsgeldig is opgezegd bij door Gedaagde als directeur van het bedrijf ondertekende brief maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dat Royal Plaza tegen de hiervoor geschetste achtergrond uit die brief niet kon afleiden dat haar contractspartij, te weten Gedaagde persoonlijk, de huur had beëindigd.

3.4

Ter onderbouwing van haar geldvordering heeft Royal Plaza als productie 8 bij het verzoekschrift een overzicht overgelegd van de volgens haar nog door Gedaagde aan Royal Plaza te betalen bedragen. Gedaagde heeft de juistheid van dat overzicht en de daarin vermelde bedragen niet bestreden. Vast komt daarom te staan dat Gedaagde uit hoofde van de (telkens verlengde) huurovereenkomst in totaal het in hoofdsom gevorderde bedrag verschuldigd is aan Royal Plaza.

3.5

Wat betreft het in de conclusie van antwoord neergelegde beroep van Gedaagde op verjaring van een in juli 2003 tot stand gekomen deel van die vordering, te weten

Afl. 26.611,71, wordt het volgende overwogen. Royal Plaza stelt bij repliek dat deze post telkens terugkeerde op de maandelijkse aan Gedaagde gepresenteerde rekeningen, en dat verjaring van bedoelde deelvordering daarom telkens is gestuit. Die stelling heeft Gedaagde bij gelegenheid van dupliek niet bestreden, en komt daarom vast te staan. Het beroep van Gedaagde op verjaring wordt, als zijnde ongegrond, verworpen.

3.6

De slotsom luidt dat Gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling aan Royal Plaza van het door haar in hoofdsom gevorderde bedrag. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen. Met name ziet het Gerecht geen grond tot toekenning van de door Gedaagde verzochte matiging van het toe te wijzen bedrag.

3.7

De door Royal Plaza gevorderde wettelijke rente zal, als zijnde niet bestreden, worden toegewezen als na te melden.

3.8

Het Gerecht ziet geen aanleiding om dit vonnis - zoals verzocht door Gedaagde - niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.9

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Royal Plaza, tot aan deze uitspraak begroot op (2.270,-- + 216,-50 =) Afl. 2.486,50 aan verschotten en Afl. 6.750,-- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten van liquidatietarief 8, ad. Afl. 2.700,-- per punt). Hierbij wordt nog overwogen dat het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement (en het daarin neergelegde herziene liquidatietarief) buiten toepassing blijft, omdat deze zaak ten tijde van die inwerkingtreding reeds voor wijzen van vonnis stond zodat geen sprake is van verdere behandeling van een reeds aanhangige zaak in de zin van artikel 138 van dat reglement.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt Gedaagde om ten titel van nakoming aan Royal Plaza te betalen

Afl. 227.351,11, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 11 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Royal Plaza, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.486,50 aan verschotten en

Afl. 6.750,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.