Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:543

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
A.R. no. 890 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Overeenkomst strekkende tot samenwerking ter zake van de invoer en verkoop in Aruba van vuurwerk. Onrechtmatige daad. Schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2568

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2016

Behorend bij A.R. no. 890 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

Eiser in conventie, verweerder in reconventie,

wonende in Aruba,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna ook te noemen: [A*],

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

Gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

wonende in Aruba,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna ook te noemen: [B*],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord en van eis in reconventie, met producties;

-de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;

-de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;

-de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

2.1 [

A*] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [B*] veroordeelt:

a. om ten titel van nakoming te betalen aan [A*] US$ 110.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 14 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met 15% aan overeengekomen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

b. om ten titel van schadevergoeding uit hoofde onrechtmatige daad te betalen aan [A*] US$ 14.310,--, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 19 februari 2015;

c. om ten titel van schadevergoeding uit hoofde onrechtmatige daad te betalen aan [A*] Afl. 15.216,70, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 19 februari 2015;

d. in de proceskosten.

2.2 [

B*] voert verweer en concludeert dat [A*] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens. Verder verzoekt [B*] dat het Gerecht [A*] op de voet van artikel 141 Rv beveelt tot overlegging van stukken.

in reconventie

2.3

Na toegelaten vermeerdering van eis vordert [B*] dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

e. de door [B*] verrichte rechtshandeling van 30 december 2013, strekkende tot terugbetaling aan [A*] van US$ 110.000,-- “belichaamd in een schuldbekentenis” vernietigt op de grond van misbruik van omstandigheden althans bedreiging;

f. de door [B*] verrichte rechtshandeling van 1 februari 2014, strekkende tot terugbetaling aan [A*] van US$ 16.397,44, US$ 5.442,44 en US$ 10.955,-- “belichaamd in een schuldbekentenis” vernietigt op de grond dat de op die schuldbekentenis geplaatste handtekening van [B*] een valse handtekening is;

g. [A*] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

2.4 [

A*] voert verweer en concludeert dat [B*] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, kosten rechtens.

in conventie en in reconventie

2.5

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

De conventionele en reconventionele vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stelling lenen zich naar hun aard voor gezamenlijke bespreking.

3.2

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [A*] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem in conventie verzochte. Indien blijkt dat [A*] geen vorderingsrechten heeft op [B*], dienen zijn rechtsvorderingen afgewezen te worden. Hetzelfde geldt met betrekking tot [B*] en zijn reconventionele vorderingen. De respectieve ontvankelijkheidsverweren worden verworpen.

3.3

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voorzover uitdrukkelijk naar verwezen en voorzover niet of onvoldoende bestreden, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

3.3.1 [

A*] is directeur van het bedrijf [bedrijf] N.V. (hierna: de bedrijf), met volledige bevoegdheid. In augustus 2013 hebben partijen een schriftelijke overeenkomst gesloten strekkende tot samenwerking ter zake van de invoer en verkoop in Aruba van vuurwerk gedurende een periode van vijf jaren aanvangende op 20 augustus 2013 (zie productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie). Die door [A*] in persoon en als directeur van het bedrijf en door [B*] ondertekende overeenkomst vermeld onder meer:

All business deals from this day on shall only be conducted under the name [bedrijf] N.V. and no third party is allowed to conduct business under such name except the two individuals mention in this agreement without the written permission given by the director permitting them to do so.

3.3.2

Op enig na 20 augustus 2013 gelegen moment is op grond van de afgesproken samenwerking tussen partijen een container met vuurwerk besteld in China, teneinde dat vuurwerk in Aruba tegen de jaarwisseling 2013/2014 te verkopen. Betaling van die bestelling heeft plaatsgevonden. Als gevolg van motorpech van het schip waarmee de door partijen gekochte container vuurwerk naar Aruba werd vervoerd is die container eerst na die jaarwisseling op 13 januari 2014 in Aruba aangekomen, terwijl vuurwerk in Aruba alleen verkocht mag worden telkens in de periode van 27 december tot en met 31 december. De te laat in Aruba aangekomen partij vuurwerk is uiteindelijk op 16 januari 2014 in handen van het bedrijf terecht gekomen. Die partij vuurwerk is - na opslag op de daartoe door de overheid aangewezen plaats -vervolgens door het bedrijf verkocht tegen de jaarwisseling 2014/2015, waarbij heeft te gelden dat na aftrek van alle kosten (waaronder begrepen de inkoopprijs) de nettowinst van de verkoop van vuurwerk gelijk is aan het bedrag waarvoor het is ingekocht.

3.3.3

Bij het aan het bedrijf ter attentie van [A*] gerichte schrijven van 22 december 2014 van het Departement der Invoerrechten en Accijnzen is het bedrijf uitgenodigd tot betaling ten titel van naheffing van Afl. 15.216,70 aan invoerrechten.

3.3.4

De tussen partijen gesloten en ondertekende (en door [B*] van goedschrift voorziene) schuldbekentenis van 30 december 2013 - waarin met “schuldeiser” wordt bedoeld [A*] en met “schuldenaar” [B*] - vermeldt onder meer:

“(…).

1. Schuldenaar is, uit hoofde van een minnelijke regeling, verschuldigd aan schuldeiser het bedrag van USD. 110,000 (Honderd Tien Duizend Amerikaanse Dollar).

(…).

4. Kosten voor buitengerechtelijke incasso, welke door partijen worden vastgesteld op 15%, advocaatkosten en andere eventuele kosten te maken voor het verkrijgen van betaling, komen voor rekening van de schuldenaar.

(…).”.

3.4

Ter zake van de conventionele vorderingen onder b. en c. wordt het volgende overwogen, waarbij voorop wordt gesteld dat - en daar heeft [B*] terecht impliciet op gewezen - het vermogen van het rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijf en dat van [A*] als gescheiden hebben te gelden. Voorts wordt vooropgesteld dat - zo als in de omschrijving van deze vorderingen al naar voren is gekomen - de vorderingen onder b. en c. vorderingen tot betaling van schadevergoeding betreft. Daaruit volgt dat [A*] zich te dezen niet beroept op (nakoming van) de door hem bij repliek overgelegde schuldbekentenis van 1 februari 2014, waarin overigens andere bedragen staan vermeld dan gevorderd onder b. en c. en van welke schuldbekentenis [B*] onbestreden heeft gesteld dat de in dat document bij zijn naam geplaatste handtekening niet door hem is geplaatst en daarom vals is.

3.4.1

Uit de hiervoor onder 3.3.1 vermelde overeenkomst in samenhang met voormelde aan het bedrijf gerichte brief van het Departement der Invoerrechten en Accijnzen volgt dat het bedrijf degene is geweest die bedoeld vuurwerk (hierna: het vuurwerk) heeft besteld in China en uit dien hoofde in beginsel de koopprijs diende te betalen aan haar aldaar gevestigde leverancier (hierna: de leverancier), althans dat de (al dan niet impliciete) stelling van [A*] - dat hij persoonlijk het vuurwerk heeft besteld en dat hij persoonlijk de koopprijs verschuldigd was aan de leverancier - voldoende grondslag mist. Bij gelegenheid van repliek heeft [A*] met documenten onderbouwd (productie 2 bij repliek) echter gesteld dat hij het bij de leverancier bestelde vuurwerk heeft betaald. Die stelling heeft [B*] niet (nader) bestreden, waardoor die vast komt te staan. Een dergelijke betaling is ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 6:30 BW rechtsgeldig, en doet het bedrijf bevrijden van haar betalingsverplichtingen jegens de leverancier en doet [A*] ter zake van die betaling in de rechten treden van het bedrijf jegens de leverancier. Vast staat echter dat [A*] US$ 14.310,-- teveel (oftewel onverschuldigd) heeft betaald aan de leverancier, en dat die leverancier dat teveel betaalde bedrag heeft willen terugbetalen. Vast staat verder als door [B*] erkend dat [B*] dat bedrag onder zich heeft gehouden of heeft verduisterd, terwijl dat bedrag naar het oordeel van het Gerecht toebehoort aan [A*] die op dit punt immers in de rechten van het bedrijf jegens de leverancier is getreden. Uit het gegeven dat [B*] bedoeld bedrag zonder recht of titel onder zich houdt en niet wenst af te dragen aan [A*], volgt dat hij onrechtmatig handelt jegens [A*] als gevolg waarvan hij aansprakelijk is voor de daardoor door [A*] geleden schade. Die schade betreft US$ 14.310,--, gelijk aan het door [B*] verduisterde of onder zicht gehouden bedrag. Het beroep van [B*] op verrekening van dat bedrag met een beweerdelijke vordering van hem op het bedrijf is ongegrond, omdat zo’n verrekening alleen kan plaatsvinden met vorderingen van [B*] op [A*]. Eén en ander brengt mee dat de vordering onder b. zal worden toegewezen. De over dat bedrag gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan zullen, als zijnde onbestreden, worden toegewezen.

3.4.2

Vast staat dat het bedrijf door het Departement der Invoerrechten en Accijnzen is uitgenodigd tot betaling ten titel van naheffing van Afl. 15.216,70 aan invoerrechten. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [B*] dienaangaande jegens [A*] schadeaansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad, ook niet als [A*] persoonlijk en op de voet van artikel 6:30 BW die naheffing voor het bedrijf bevrijdend heeft betaald. In dat geval treedt [A*] immers met betrekking tot die betaling in de rechten van het bedrijf jegens de Ontvanger van Belastingen, maar niet in de mogelijke rechten van het bedrijf jegens [B*] uit hoofde van onrechtmatige daad. Uit dit één en ander volgt dat er geen causaal verband bestaat tussen het beweerdelijk onrechtmatig handelen van [B*] jegens het bedrijf en de schade die [A*] stelt te hebben geleden als gevolg daarvan. Overigens heeft te gelden dat zonder meer niet valt in te zien dat betaling van invoerrechten schade oplevert, nu die rechten eenmaal worden geheven over in dit geval ingevoerd vuurwerk. De vordering onder c. zal worden afgewezen.

3.5.1

Ter zake van de vordering onder a. wordt het volgende overwogen. [A*] grondt zijn vordering op (nakoming van) de hiervoor onder 3.3.4 vermelde door partijen ondertekende en door [B*] van goedschrift voorziene schuldbekentenis (hierna: de schuldbekentenis). [B*] stelt echter dat hij door bedreiging en/of misbruik van omstandigheden zijdens [A*] is overgegaan tot ondertekening van de schuldbekentenis, op grond waarvan [B*] in reconventie vernietiging van die rechtshandeling vordert. Kort gezegd stelt [B*] uiteindelijk dat [A*] hem met nadeel heeft bedreigd (“niet zozeer vanwege de dreigende woorden die [A*] jegens [B*] had geuit”, maar) door ter ondertekening van de schuldbekentenis op de werkplek van [B*] te verschijnen terwijl [B*] met wetenschap van [A*] pas twee weken werkzaam was bij zijn nieuwe werkgever en zich nog in een proeftijd bevond (zie 5.12 van de conclusie van antwoord in conventie). [B*] wilde voorkomen dat er op die werkvloer een luide woordenwisseling zou ontstaan waardoor hij zijn pas verkregen nieuwe baan zou kunnen verliezen, hetgeen [B*] zich niet kon permitteren omdat zijn vrouw zwanger was. Door onder die situatie of omstandigheden (telkens) op het werk van [B*] te verschijnen heeft [A*] [B*] tevens onder misbruik van omstandigheden bewogen om tot ondertekening van de schuldbekentenis over te gaan, aldus [B*].

3.5.2

In het licht van voormelde door [B*] gestelde wilsgebreken is gesteld noch gebleken dat [A*] een violente persoon was of is en evenmin is gesteld of gebleken dat [A*] tegen [B*] heeft gezegd dat hij de werkplek van [B*], alwaar de schuldbekentenis door hem is ondertekend, niet zou verlaten alvorens de schuldbekentenis was ondertekend. Tegen die achtergrond is verder gesteld noch gebleken dat [B*] heeft gevraagd aan [A*] of onmogelijk kon vragen aan [A*] of hij de schuldbekentenis eerst mocht bestuderen (en ter advisering voorleggen aan een rechtsbijstandverlener) alvorens hij tot ondertekening daarvan zou overgaan. Gesteld noch gebleken is verder dat [B*] heeft gevraagd aan [A*] om onmiddellijk zijn werkplek te verlaten terwijl [A*] dat weigerde en bleef weigeren. In het licht van dit alles mist de stelling van [B*], dat hij door bedreiging en/of misbruik van omstandigheden zijdens [A*] is overgegaan tot ondertekening van de schuldbekentenis, objectief bezien naar het oordeel van het Gerecht voldoende feitelijke grondslag. Het enkele gegeven dat [A*] mogelijk opgewonden op de werkplek van [B*] is verschenen om hem de schuldbekentenis te laten ondertekenen (welke overigens niet meer beslaat dan één bladzijde A-4 met daarin neergelegd 5 heldere met een normale goed leesbare lettergrootte in evenzovele overzichtelijke alinea’s geschreven artikelen, in welk verband is gesteld noch gebleken dat [B*] onvoldoende tijd heeft gehad om de schuldbekentenis begrijpelijk te lezen alvorens hij die met plaatsing van een goedschrift ondertekende) brengt zonder meer niet met zich dat daarvan sprake is. Het mogelijke verschijnen van [A*] op 29 december 2013 op de werkplek van [B*] met de woorden dat hij vond dat het de schuld was van [B*] dat het vuurwerk niet was aangekomen en dat [A*] toen zei dat [B*] het door [A*] geïnvesteerde geld zo snel als mogelijk aan hem moest terugbetalen levert - anders dan [B*] dat ziet of ervaart - naar objectieve maatschaven nog geen bedreiging op in de zin van artikel 3:44 BW, ook niet in samenhang en verbinding met de wijze van ondertekening van de schuldbekentenis de dag daarna. Het Gerecht zou wellicht anders oordelen indien was gesteld en aannemelijk geworden dat [A*] op enig moment had gezegd tegen [B*] dat hij de schuldbekentenis moest ondertekenen bij nalaten of weigering waarvan [A*] al scheldend en tierend op zijn werk zou verschijnen en er voor zou zorgen dat [B*] zijn baan zou verliezen. Van dat alles is echter geen sprake. Bij dit alles komt overigens nog dat [A*] onbestreden heeft gesteld dat [B*] zich in het licht van de met betrekking tot het vuurwerk gerezen problemen volstrekt onbereikbaar hield voor [A*], in welk verband het niet zo vreemd is dat [A*] (telkens) fysiek op de werkvloer van [B*] is verschenen.

3.5.3

Eén en ander brengt met zich dat sprake is van een gave tussen partijen opgemaakte schuldbekentenis, en dat de reconventionele vordering van [B*] onder e. zal worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.

3.6

Vorenstaande brengt in beginsel mee dat de vordering onder a. moet worden toegewezen. [B*] stelt echter - zo het Gerecht begrijpt - dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [A*] zich op (nakoming van) de schuldbekentenis beroept, omdat - en dat staat vast - het bedrijf de te laat aangekomen partij vuurwerk na opslag daarvan alsnog heeft kunnen verkopen tegen de jaarwisseling 2014/2015. Tegen die achtergrond stelt [B*] verder dat door die verkoop alsnog de door partijen beoogde winst is behaald, zodat niet gezegd kan worden dat er schade is geleden. Dat betoog van [B*] miskent naar het oordeel van het Gerecht het gegeven dat het niet kunnen verkopen van het vuurwerk tegen de zich maar één keer voordoende en niet terugkerende jaarwisseling 2013/2014 met zich bracht dat er toen geen 100% van het toen geïnvesteerde bedrag kon worden gerealiseerd. Dat die winst gedurende de jaarwisseling 2014/2015 wel werd gerealiseerd, brengt niet met zich dat daarmee de misgelopen winst van het jaar daarvoor alsnog is gerealiseerd. Er had met betrekking tot bedoelde jaarwisselingen immers sprake kunnen zijn van twee maal 100% winst. De stelling van [B*], dat er geen schade is geleden, is tegen die achtergrond onbegrijpelijk en wordt daarom gepasseerd. Dat brengt met zich dat het hier besproken verweer van [B*] wordt verworpen, [B*] er geen belang bij heeft om [A*] op de voet van artikel 141 Rv te bevelen om stukken in het geding te brengen (nog daargelaten of dat al dan niet kan met betrekking tot stukken van het bedrijf) en dat de vordering onder a. eveneens zal worden toegewezen. De over dat bedrag gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan zullen, als zijnde onbestreden, worden toegewezen.

3.7

De door [A*] gevorderde overeengekomen vergoeding voor kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte zal worden afgewezen. Uit het enkele feit dat partijen vergoeding van die kosten overeen zijn gekomen vloeit niet voort dat de vordering op dit onderdeel zonder meer wordt toegewezen. Van belang is dat vast komt te staan dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft. Gesteld noch gebleken is met name dat zulke werkzaamheden zijn verricht, waarbij heeft te gelden dat de twee door [A*] overgelegde aanmaningbrieven - waarvan de één betrekking heeft op de vordering onder a en de ander op de vordering onder b, en die beiden niet meer beslaan dat één pagina A-4 – naar het oordeel van het Gerecht binnen het bereik van voormeld wetsartikel vallen (zie in dit verband HR NJ 2003/566 in verbinding met HR NJ 2007/482).

3.8

Hiervoor onder 3.4 is reeds overwogen dat vast staat dat de bij repliek in conventie overgelegde schuldbekentenis van 1 februari 2014 is voorzien van een vervalste handtekening van [B*]. Dat betekent dat er geen sprake is van een rechtsgeldige schuldbekentenis, omdat de daarin neergelegde tekst geen wilsverklaring is van [B*] en [B*] geen enkele rechtshandeling heeft verricht met betrekking tot bedoelde schuldbekentenis. Een niet bestaande schuldbekentenis en/of een niet verrichte rechtshandeling kan onmogelijk worden vernietigd. Dat brengt met zich dat de reconventionele vordering van [B*] onder f. zal worden afgewezen.

3.9 [

B*] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de conventionele procedure gevallen aan de zijde van [A*], waaronder begrepen die van het bij partijen genoegzaam bekende ten laste van [B*] gelegde conservatoire beslag. Tot aan deze uitspraak worden die kosten begroot op (450,-- + 1.880,-- + 261,80 + 196,50 + 223,85 + 186,20 =)

Afl. 3.198,35 aan verschotten en Afl. 8.100,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten van liquidatietarief 8; ad Afl. 2.700,-- per punt).

3.10 [

B*] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de reconventionele procedure gevallen aan de zijde van [A*], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 5; ad Afl. 900,-- per punt).

3.11

Ter zake van voormelde proceskostenveroordelingen wordt nog overwogen dat het per 1 augustus 2016 in werking getreden “nieuwe” Procesreglement (en het daarin neergelegde herziene liquidatietarief) buiten toepassing blijft, omdat deze zaak ten tijde van die inwerkingtreding reeds voor wijzen van vonnis stond zodat geen sprake is van verdere behandeling van een reeds aanhangige zaak in de zin van artikel 138 van dat Procesreglement.

3.12

Ten overvloede wordt tot slot overwogen dat zodra het Gerecht al dan niet op grond van bewijslevering een stelling als vaststaand oordeelt, daartegen geen tegenbewijslevering open staat. Dat is eerst anders indien het Gerecht een stelling voorshands (voorlopig) bewezen oordeelt of voor vaststaand aanneemt. Het betoog van [B*] onder 8. van zijn conclusie van antwoord miskent dat één en ander.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

in conventie

-veroordeelt [B*] om ten titel van nakoming te betalen aan [A*]

US$ 110.000,-- (of het equivalent daarvan in Arubaans courant), te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 14 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt [B*] om ten titel van schadevergoeding uit hoofde onrechtmatige daad te betalen aan [A*] US$ 14.310,-- (of het equivalent daarvan in Arubaans courant), te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 19 februari 2015;

-veroordeelt [B*] in de kosten van deze conventionele procedure gevallen aan de zijde van [A*], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 3.198,35 aan verschotten en Afl. 8.100,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders door [A*] verzochte;

in reconventie

-wijst af het door [B*] verzochte;

-veroordeelt [B*] in kosten van de reconventionele procedure gevallen aan de zijde van [A*], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2016 in aanwezigheid van de griffier.