Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:531

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
E.J. no. 2840 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ - Huurcommissie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 23 augustus 2016

Behorend bij E.J. no. 2840 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

SPORTSHOP ANTILLIANO N.V.,

h.o.d.n. SPORT CARIBE,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: Sportshop,

en/of

2. de naamloze vennootschap

SPORT CARIBE N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: Caribe,

en/of

3 [verzoeker 3],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: [verzoeker 3];

appellanten,

gemachtigde: de advocaat mr. B.M. de Sousa

tegen:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LA LINDA REAL ESTATE II VBA,

gevestigd in Aruba,

geïntimeerde,

hierna ook te noemen: La Linda,

gemachtigde: de advocaat mr. J.J. Steward.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het beroepschrift, met producties;

-het verweerschrift, met producties

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak.

1.2

Die behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Sportshop en Caribe zijn ter zitting verschenen bij hun respectievelijke gemachtigde, en [verzoeker 3] is samen met zijn gemachtigde verschenen. La Linda is verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. B. Dirksz (extern adviseur van La Linda).

1.3

Beschikking is nader bepaald op heden.

2 HET BEROEP

2.1

Bij beschikking van de Huurcommissie van 27 november 2015, met kenmerk DHC/HOP/245/15 (hierna: de beschikking), is aan mr. Steward voornoemd dan wel aan La Linda toestemming verleend om de huurovereenkomst van Sportshop dan wel [verzoeker 3] (hierna: de huurovereenkomst) met betrekking tot het in Aruba te Emmastraat 5 gelegen bedrijfspand (hierna: het gehuurde) op te zeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van één jaar, onder de voorwaarde dat in geval van beëindiging van die overeenkomst het gehuurde voor de periode van drie jaren niet mag worden verhuurd anders dan aan bloedverwantschap tot en met de tweede graad.

2.2

Appellanten hebben bij fax van 11 december 2015 (vooruitlopend op het op 14 december 2015 ter griffie ingediende beroepschrift) beroep ingesteld tegen de beschikking bij de griffie van dit Gerecht. Dat beroep strekt tot vernietiging van de beschikking, althans dat het Gerecht bepaalt dat partijen in onderhandeling moeten treden teneinde een redelijke verkoopprijs van het gehuurde overeen te komen, althans dat aan appellanten minimaal een ontruimingstermijn van tien jaar wordt gegund in geval het Gerecht de door de Huurcommissie gegeven toestemming tot opzegging van de huurovereenkomst bevestigt.

2.3

La Linda voert verweer en concludeert dat Caribe en [verzoeker 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het door hen ingestelde beroep, althans tot afwijzing daarvan, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens waaronder begrepen de nakosten. Voorts concludeert La Linda tot ongegrondverklaring van het door Sportshop ingestelde beroep, en tot bevestiging van de beschikking, al dan niet onder aanvulling of verbetering van gronden, eveneens uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens waaronder begrepen de nakosten.

3 DE BEOORDELING

3.1

Caribe heeft ter zitting het beroep voorzover ingesteld door haar ingetrokken, omdat zij geen partij is bij de hierna vermelde huurovereenkomst. Het Gerecht zal Caribe veroordelen in de kosten van deze procedure die ten aanzien van haar zijn gevallen aan de zijde van La Linda, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. Met appellanten wordt hierna bedoeld: Sportshop en [verzoeker 3].

3.2.1

Gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 5 van de Huurcommissieverordening, in verbinding met het vierde lid van artikel 12 daarvan, stelt het Gerecht vast dat het beroep tegen de op 27 november 2015 gedagtekende beschikking tijdig is ingesteld. In zoverre zijn appellanten ontvankelijk in hun beroep.

3.2.2

La Linda heeft met stukken onderbouwd gesteld dat de huurovereenkomst ten aanzien waarvan de Huurcommissie toestemming tot opzegging heeft verleend is gesloten tussen (de rechtsvoorganger van) La Linda en Sportshop, en dat [verzoeker 3] geen partij is bij de huurovereenkomst. Die door [verzoeker 3] erkende stelling brengt met zich dat de Huurcommissie ten onrechte ook toestemming heeft gegeven om de huurovereenkomst met [verzoeker 3] op te zeggen. Het beroep van [verzoeker 3] is in zoverre gegrond en de beschikking zal in elk geval in zoverre worden vernietigd. Voor het overige zal [verzoeker 3] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep. De proceskosten met betrekking tot [verzoeker 3] zullen worden gecompenseerd tussen partijen, aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

3.2.3

Ambtshalve is het Gerecht van oordeel dat de Huurcommissie eveneens ten onrechte toestemming heeft gegeven aan mr. Steward tot opzegging van de huurovereenkomst, nu hij evenmin partij is bij die overeenkomst. De beschikking zal ook in zoverre in elk geval (ambtshalve) worden vernietigd. Met betrekking tot mr. Steward ziet het Gerecht geen aanleiding of grond voor het uitspreken van een kostenveroordeling.

3.3.1

La Linda stelt (met het bij partijen genoegzaam bekende op 31 juli 2015 uitgebrachte business plan (hierna: het rapport) onderbouwd) dat zij een rechtmatig belang heeft bij opzegging van de huurovereenkomst omdat zij het gehuurde nodig heeft voor eigen gebruik, te weten als opslagruimte voor haar overige door haar uitgebreide winkels en om aldaar een eigen winkel te realiseren. Die door Sportshop gemotiveerd bestreden stelling oordeelt het Gerecht niet aannemelijk dan wel onvoldoende (geloofwaardig) onderbouwd, en wel om het volgende.

3.3.2

Naar eigen zeggen van La Linda was het rapport reeds in 2014 in concept opgesteld, en is de definitieve versie daarvan uitgebracht op 31 juli 2005. Vast staat dat La Linda het gehuurde in elk geval op 26 mei 2015 en op 12 juni 2015 (toen met bekendmaking van de koopprijs ad Afl. 2.200.000,--) te koop heeft aangeboden aan Sportshop en dat er dienaangaande (overigens vruchteloze) onderhandelingen zijn gevoerd tussen die partijen. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt of onvoldoende helder is gegeven, valt reeds in dit verband niet in te zien dat La Linda het gehuurde nodig heeft als opslagruimte voor haar andere door haar uitgebreide winkels. Dit klemt temeer omdat is gesteld noch gebleken dat La Linda die winkels nog niet had uitgebreid of niet van plan was om uit te breiden toen zij (beweerdelijk) terugkwam van haar aanvankelijke voornemen om het gehuurde te verkopen.

3.3.3

Tegen voormelde achtergrond en ook omdat het Gerecht geen reden of grond ziet om (anders dan ten aanzien van de door La Linda overgelegde verklaring van haar directeur [naam directeur], die belang heeft bij de uitkomst van deze zaak) te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door Sportshop overgelegde schriftelijke verklaring van [naam] van 6 april 2016 en die van [naam] van 7 april 2016 oordeelt het Gerecht het voorts aannemelijk dat La Linda ook in deze periode (dus vrijwel een jaar na het uitbrengen van het rapport en nadat zij al toestemming had verkregen van de Huurcommissie tot opzegging van de huur in verband met eigen gebruik van het gehuurde met de beweerdelijke terzijdestelling van het aanvankelijke voornemen om het gehuurde te verkopen) in onderhandeling is getreden met een derde, te weten Tommy Hilfiger, ter zake van de verkoop van het gehuurde. Zonder nadere uitleg, die ook hier ontbreekt of onvoldoende helder is gegeven, valt in dit verband evenmin in te zien dat La Linda het gehuurde nodig heeft voor het kunnen realiseren van een eigen winkel. Met name behoeft nadere uitleg of onderbouwing de omstandigheid dat na verkregen toestemming voor opzegging van de huur voor eigen gebruik (met de beweerdelijke terzijdestelling van het aanvankelijk voornemen om het gehuurde te verkopen) La Linda wederom in onderhandeling is getreden met in dit geval Tommy Hilfiger ter zake van de (ver)koop van het gehuurde. Daarbij heeft te gelden dat de beweerdelijke terzijdestelling van het aanvankelijke plan om het gehuurde te verkopen alleen relevant is of kan zijn met betrekking tot de periode die is gelegen voor de indiening bij de Huurcommissie van het verzoek van La Linda tot toestemming om de huurovereenkomst te mogen beëindigen.

3.4

Vorenstaande brengt met zich dat het beroep van Sportshop gegrond zal worden verklaard en dat het Gerecht, doende wat de Huurcommissie had behoren te doen, de beschikking (voor zover die ziet op partijen bij de huurovereenkomst, te weten La Linda en Sportshop, en niet reeds anderszins wordt vernietigd) zal vernietigen. Er zijn geen omstandigheden gesteld en aannemelijk geworden die een ander oordeel kunnen dragen.

3.5

La Linda zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Sportshop, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-verklaart het beroep van [verzoeker 3] gegrond voor zover gericht tegen de beslissing van de Huurcommissie dat de huurovereenkomst ten aanzien van [verzoeker 3] mag worden opgezegd door La Linda, en vernietigt de beschikking in zoverre;

-verklaart [verzoeker 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn beroep;

-compenseert de proceskosten tussen La Linda en [verzoeker 3], aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

-vernietigt de beschikking voor zover daarbij toestemming is gegeven aan mr. Steward om de huurovereenkomst op te zeggen;

-verklaart het beroep van Sportshop gegrond;

-vernietigt de beschikking (voor zover die hiervoor niet reeds is vernietigd);

-veroordeelt La Linda in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Sportshop, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.800,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-veroordeelt Caribe in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van La Linda, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 augustus 2016.