Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:522

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
EJ 87/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CIV - EJ - ontslag voorzitter stichting; artikelen 12 en 13 van de Landsverordening op stichtingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2529

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016

Registratienummer: EJ 87/2016

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende op Aruba,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.M. de Cuba,

tegen

[de voorzitter] in zijn hoedanigheid als voorzitter van de stichting Fundashon Parke Nacional Arikok,

en

alle bestuursleden behorende tot het bestuur van de stichting Fundashon Parke Nacional Arikok,

gemachtigde: mr. Z. Arendsz-Marchena.

Partijen worden hierna onderscheidenlijk genoemd [verzoeker], de voorzitter en/of het bestuur (waaronder ook de voorzitter wordt begrepen). Bovengenoemde stichting zal hierna worden aangeduid als FPNA.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties dat op 15 januari 2016 ter griffie is ingekomen;

  • -

    het verweerschrift met producties dat op voorhand op 31 januari 2016 naar de griffie is verzonden;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter zitting van 1 februari 2016 waarin staat dat de zaak is aangehouden in verband met het wrakingsverzoek door [verzoeker];

  • -

    de mondelinge behandeling van de zaak door middel van videoverbinding met het Gerecht te Curaçao ter zitting van 31 mei 2016. Aanwezig waren (in de zittingszaal te Aruba): [verzoeker] en zijn gemachtigde en van de zijde van FPNA zijn verschenen de bestuursleden [de voorzitter], [naam], [naam] en [naam] en hun gemachtigde. Voorts is verschenen de andere gemachtigde van FPNA mr. E.A.D.M.E.J. Wever (in de zittingszaal te Curaçao).Van de behandeling heeft de griffier handgeschreven aantekeningen gemaakt.

1.2.

Op de zitting van 31 mei 2016 is vastgesteld dat het Gerecht op voorhand van de zijde van [verzoeker] de producties 24 tot en met 55 (het beroepschrift in de zaak EJ 2919 wordt genummerd als 53) en FNPA de producties 28 tot en met 45 had ontvangen.

1.3.

Vóór de zitting van 31 mei 2016 zijn tevens de pleitnota’s van de gemachtigden door het Gerecht ontvangen per e-mail. De gemachtigden hebben ter zitting een samenvatting van hun pleitnota’s voorgedragen en de pleitnota’s aan elkaar verstrekt.

1.4. [

Verzoeker] heeft in een rechtstreekse e-mail aan de rechter op 30 mei 2016 (zonder c.c. aan de wederpartij) voorts toegezonden een aanvullende pleitnota van zijn hand. Deze pleitnota is ter zitting niet door hem voorgedragen.

1.5.

Op 27 mei 2016 is op het Gerecht te Aruba binnengekomen een verzoekschrift ex artikel 241 Rv van de informele vereniging Grupo di Interes Parke Arikok - GripA - ondertekend door [naam], ranger bij Arikok, en [naam], eigenaar van ‘Fontein’. GripA doet het verzoek zich te mogen voegen in de zaak. Ter zitting van 30 mei 2016 hebben partijen de gelegenheid gekregen om te reageren op dit verzoekschrift. [verzoeker] heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen voeging. FNPA heeft aangegeven wel bezwaar te hebben tegen voeging. Het Gerecht heeft vragen gesteld aan Gomes voornoemd betreffende het verzoek. Het Gerecht heeft het verzoek tot voeging na beraad ter zitting mondeling afgewezen. De pleitnota die door [verzoeker] namens GripA tevens op voorhand per e-mail van 30 mei 2016 (zonder c.c. aan de wederpartij) is toegezonden is niet voorgedragen.

1.6.

Tenslotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het Landsbesluit houdende algemene maatregelen van 24 augustus 2000 ter uitvoering van artikel 10 van de natuurbeschermingsverordening (AB 1995 no. 2, verder: Landsbesluit Parke Nacional Arikok) tot instelling van het natuurreservaat Parke Nacional Arikok staat in artikel 3 dat bij landsbesluit een instantie wordt aangewezen die belast is met het beheer van het park. De beheerder dient zorg te dragen voor het behoud van biodiversiteit, het natuurlijk milieu en het natuurschoon binnen het park door middel van bescherming, beheer en eventuele ontwikkeling of verrijking van de inheemse flora en fauna en de onderlinge ecologische verbanden, alsook het behoud van geologische, archeologische en historische kenmerken van het park.

2.2.

FPNA is opgericht op 26 september 2003. In de oprichtingsstatuten staat in artikel 2 dat het doel van FPNA is: het beheer van het natuurreservaat Parke Nacional Arikok.

In artikel 2 staat verder:

2.1.

De stichting heeft tot doel het beheer van het natuurreservaat Parke Nacional Arikok met inachtneming van het Landsbesluit natuurreservaat Parke Nacional Arikok (…) en de beleidsdoelstellingen van het Land Aruba inzake natuurbescherming en – beheer.

2.2.

Dit omvat onder meer het uitvoeren en bevorderen van programma’s op het gebied van:

- natuurbehoud, wetenschappelijk onderzoek en monitoring;

- voorlichting over het park en zijn natuurwaarden gericht op de bevolking en toeristen;

- educatie over de natuur, onder meer voor inpassing in het bestaande onderwijs.

In artikel 3 staat:

De stichting tracht haar doel te bereiken door:

(…)

d. het samenwerken met andere instanties, organisaties en personen die overeenkomstige doelstellingen nastreven in lokaal, Koninkrijks- en internationaal verband.

2.3.

Het bestuur van FPNA bestaat sinds het derde kwartaal van 2012 uit [de voorzitter], [naam], [naam], [naam] en [naam].

2.4.

Op 21 oktober 2014 is [verzoeker] als werknemer in dienst getreden bij FPNA als directeur. In de ‘job description’ die aan de arbeidsovereenkomst is gehecht wordt de functie nader als volgt omschreven: This position serves as the General Manager of the National Park Of Aruba.

2.5.

Het bestuur en [verzoeker] hebben in oktober 2015 correspondentie met elkaar gevoerd over - in de kern - het ontbreken van een goede samenwerking tussen het bestuur en [verzoeker].

2.6.

Op 21 december 2015 heeft FPNA een verzoekschrift ingediend bij het Gerecht te Aruba stekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker].

2.7.

Op 15 januari 2016 is het verzoekschrift strekkende tot ontslag van de voorzitter van het bestuur in onderhavige procedure ingesteld door [verzoeker].

2.8.

Bij beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 24 maart 2016 (EJ 2919/2015) is de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7A: 1615w BW ontbonden. Overwogen is onder meer dat de vertrouwensbreuk tussen partijen dermate groot is, dat elk zicht op normalisatie van de arbeidsrelatie definitief is komen te ontbreken.

3 Het geschil

3.1. [

verzoeker] verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking,

A - met onmiddellijke ingang [de voorzitter] als voorzitter van FPNA zal ontslaan;

B - met onmiddellijke ingang in de vacante plaats van penningmeester zal voorzien.

3.2.

De vordering is gebaseerd op de artikelen 12 en 13 van de Landsverordening op stichtingen (verder: LOS).

3.3.

Het bestuur heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Wettelijk kader

4.1.

Het wettelijk kader in onderhavige zaak bestaat uit de volgende artikelen.

Artikel 12 LOS:

1. Een bestuur die:

a. iets doet of nalaat in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich schuldig maakt aan wanbeheer, of

b. (...),

kan door de rechter in eerste aanleg worden ontslagen. Dit kan geschieden op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende.

Artikel 13 LOS:

Telkens wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van iedere belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats voorzien. De rechter neemt daarbij zoveel mogelijk de statuten in acht.

Ontvankelijkheid

4.2.

Het bestuur voert in de eerste plaats als verweer aan dat [verzoeker] niet ontvankelijk is omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 12 en 13 LOS. Volgens het bestuur zal de uitkomst van deze procedure geen invloed hebben op haar voornemen om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te komen. Immers, ook als de voorzitter zou worden ontslagen, zal de reeds ingezette procedure worden voortgezet door (de rest van) het bestuur.

4.3.

De Hoge Raad heeft in de arresten van 6 juni 2003 (NJ 2003,486) en 10 november 2006 (NJ 2007,45) bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is een rol speelt;

  1. in hoeverre de verzoeker door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of

  2. in hoeverre de verzoeker anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

4.4. [

Verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift naar voren gebracht dat hij belanghebbende is aangezien hij vreest te worden ontslagen / weggezonden nu de jacht op hem is geopend. Hij is belanghebbende omdat hij door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen dat hij moet kunnen opkomen om dit belang te beschermen, aldus het verzoekschrift. Ter zitting van 31 mei 2016 (toen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst inmiddels was uitgesproken) heeft [verzoeker] er voorts op gewezen dat hij in beide categorieën zoals opgesomd onder 4.3 valt. In de eerste categorie - eigen belang - nu [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking zodat het nu nog niet zeker is of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst stand houdt. Ook behoort [verzoeker] tot de tweede categorie - nauw betrokken - omdat [verzoeker] als directeur van FPNA nauw betrokken is geweest bij het onderwerp van deze procedure en hij bovendien aansprakelijk is gesteld voor schade in een brief van het bestuur.

4.5.

Naar het oordeel van het Gerecht voldoet [verzoeker] in ieder geval aan het hierboven onder b. geformuleerde criterium. Om die reden is [verzoeker] dus ontvankelijk in zijn verzoek en wordt het verweer van FPNA dienaangaande verworpen.

A - Ontslag voorzitter

Inleiding

4.6.

De achtergrond van het geschil tussen partijen lijkt een fundamenteel uiteenlopende zienswijze te zijn op het reilen en zeilen van FPNA door het bestuur enerzijds en [verzoeker] anderzijds, waardoor onder meer een arbeidsconflict is ontstaan. Zoals uit de ontbindingsprocedure reeds blijkt is de verstandhouding tussen [verzoeker] en het bestuur in de loop der tijd, met name tegen eind 2015, ernstig verslechterd.

4.7.

Ontslag van een bestuurder van een stichting door de rechter kan plaatsvinden indien de bestuurder heeft gehandeld in strijd met de wet of de statuten dan wel indien sprake is van wanbeheer (artikel 12 LOS). Volgens de jurisprudentie bestaat voor ontslag op grond van strijd met de wet of de statuten aanleiding indien sprake is van uitgesproken onrechtmatigheid van handelen of nalaten. Dit zijn bestuurshandelingen waarover, op het moment van plegen van die handelingen, redelijkerwijs geen verschil van mening mogelijk was. Van wanbeheer is sprake bij tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen of de zorg voor het verkrijgen van inkomsten van de stichting. Wanbeheer dient volgens de Hoge Raad niet te worden verstaan in de ruime betekenis van wanbestuur; de wetgever heeft hierbij niet gedacht aan bestuurlijk wanbeleid in het algemeen, maar aan tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de stichting of van de zorg voor het verkrijgen van inkomsten waarover de stichting kan beschikken. Het is niet de bedoeling van artikel 12 LOS en/of het vrijwel gelijkluidende artikel 2: 298 uit het in Nederland geldende BW om een algemene controle op het beleid van bestuurders van stichtingen uit te oefenen, omdat het beleid naar het inzicht van de wetgever ter vrije dispositie behoort te blijven van die bestuurders. De wetgever heeft slechts een controle op de rechtmatigheid van dat beleid op het oog gehad. (HR 3 januari 1975, NJ 1975,222 en meer recent samengevat in rechtsoverweging 2.11. van de conclusie van de AG van de HR van 8 februari 2013 ECLI:NL:PHR:2013:BY2639).

Handelen in strijd met de wet

4.8. [

Verzoeker] stelt dat het bestuur in strijd handelt met artikel 3 lid 4 Landsbesluit Parke Nacional Arikok, waarin staat dat de beheerder een beleidsplan opstelt. [Verzoeker] wijst er op dat het huidige bestuur alle besluiten van vóór hun aantreden in 2012 stop heeft gezet en vervolgens heeft nagelaten een nieuw beleidsplan op te stellen. Het beleidsplan dat op 21 maart 2016 is gepubliceerd voldoet evenmin aan het wettelijk vereiste nu dit geen lijst bevat van de natuurlijke waarden en kenmerken en een in vage termen geformuleerd voornemen betreft dat in vergelijking met bijvoorbeeld beleidsplannen betreffende andere nationale parken van Bonaire en St. Eustatius onder de maat is.

4.9.

Het bestuur heeft als verweer gevoerd dat inmiddels voorlopig beleid is gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 21 maart 2016. Daarnaast heeft het bestuur uitleg gegeven over het ontbreken van een beleidsplan in de daaraan voorafgaande periode. Het bestuur is vanaf 2012 bezig geweest met het inventariseren van de toen aangetroffen beleidsplannen en heeft vastgesteld dat die niet meer actueel waren. Om die reden heeft het bestuur besloten om een nieuw beleidsplan op te (laten) stellen. Daartoe zijn stappen gezet, zoals samenwerking met US National Park Services. Door ziekte van de vorige directeur en het niet voldoen aan deze taak door [verzoeker] heeft het opstellen van een geactualiseerd beleidsplan vertraging opgelopen.

4.10.

Nu een voorlopig beleidsplan is gepubliceerd in maart 2016 en een verklaring is gegeven voor het ontbreken van een plan in de voorliggende periode is er geen sprake van uitgesproken onrechtmatigheid handelen of nalaten (zie 4.7) door de voorzitter. De vordering kan op deze grond derhalve niet worden toegewezen.

Handelen in strijd met de statuten

4.11. [

Verzoeker] stelt dat het bestuur in strijd handelt met artikel 2.2 van de statuten nu daarin is voorgeschreven dat de beheerder programma’s uitvoert en bevordert. In de periode tussen 2011 en 2014 is er volgens [verzoeker] een totale terugval geweest van programma’s als gevolg van micro-management van operationele activiteiten door het bestuur.

4.12.

Het bestuur heeft als verweer gevoerd dat er wel degelijk programma’s zijn uitgevoerd, waarvan zij er ook een aantal opsomt. Volgens het bestuur heeft [verzoeker] zijn mening hierover weergegeven, maar heeft hij niet aangetoond dat het bestuur in strijd heeft gehandeld met genoemd artikellid.

4.13.

Van uitgesproken onrechtmatig handelen of nalaten is niet gebleken. Het artikellid bepaalt niet meer dan dat FPNA programma’s dient uit te voeren en te bevorderen. Het staat vast dat dit gebeurt. [Verzoeker] noemt op blz. 13 en 14 van productie 51 zelf een aantal daarvan. Dat [verzoeker] kennelijk van mening is dat dit ‘een zielig lijstje’ is kan niet tot de conclusie lijden dat er sprake is van uitgesproken onrechtmatigheid handelen of nalaten.

4.14. [

Verzoeker] stelt dat FPNA in strijd handelt met artikel 3 onder d van de statuten, waarin staat dat FPNA haar doel tracht te bereiken door samenwerking met andere instanties. Het bestuur heeft [verzoeker] namelijk ten onrechte een contactverbod opgelegd, aldus [verzoeker].

4.15.

Het bestuur heeft als verweer gevoerd dat er wel sprake is van samenwerking met andere organisaties.

4.16.

Het bestaan van een contactverbod aan de directeur heeft niet tot gevolg dat het bestuur niet zou samenwerken met andere instanties, nog los van de vraag of dit kan leiden tot de vaststelling dat er sprake is van uitgesproken onrechtmatig handelen door het bestuur.

4.17. [

Verzoeker] stelt dat het bestuur in strijd handelt met artikel 4.2 van de statuten, waarin staat dat de FPNA zorg draagt voor een regeling voor toegestaan en niet toegestaan gedrag in het park.

4.18.

Het bestuur heeft als verweer gevoerd dat er wel sprake is van een dergelijke regeling.

4.19. [

Verzoeker] erkent dat een dergelijke regeling bestaat, maar heeft bezwaar tegen de wijze waarop de voorzitter hieraan uitvoering geeft. Dat kan niet leiden tot de vaststelling dat er sprake is van uitgesproken onrechtmatig handelen door het bestuur.

4.20.

De stelling van [verzoeker] dat in strijd met artikel 6 lid 5 het bestuur onder meer dient te bestaan uit een penningmeester, hetgeen niet het geval is, is achterhaald nu inmiddels Arends is aangewezen als penningmeester.

4.21.

Voor het overige door [verzoeker] in het kader van strijd met de statuten aangevoerde geldt dat de rode draad is dat [verzoeker] kritiek uit op het functioneren door het bestuur en vraagtekens plaatst bij het door het bestuur gevoerde beheer van Parke Nacional Arikok. [Verzoeker] heeft door het uiten van die kritiek evenwel niet voldaan aan zijn stelplicht, nu hij niet concreet maakt welke artikelen van de statuten zouden zijn overtreden door welke gedragingen. Aan verdere beoordeling van deze stellingen komt het Gerecht dan ook niet toe.

Wanbeheer

4.22. [

Verzoeker] heeft er in het kader van de aan te leggen norm voor wat betreft wanbeheer op gewezen dat uit het arrest van de HR van 10 november 2006 moet worden afgeleid dat het lang niet zeker is dat de Hoge Raad nog altijd achter zijn uitspraak van 1975 - waarin is bepaald dat wanbeheer moet worden uitgelegd als financieel wanbeheer - staat. [verzoeker] heeft deze opmerking kennelijk gebaseerd op de noot onder het arrest van J.M.M. Maeijer, die opmerkt dat het “lang niet zeker (is) of de HR thans nog achter deze oude uitspraak staat.” (noot onder het arrest van de HR van 10 november 2006, NJ 2007, 45) Deze opmerking in een noot neemt evenwel niet weg dat de HR na 1975 geen andersluidende uitspraak heeft gedaan over de reikwijdte van de term “wanbeheer”. In de jurisprudentie wordt de lijn uit 1975 (dan ook nog steeds) gevolgd. In dat verband wordt gewezen op het arrest van het Hof Leeuwarden van 24 augustus 2005 (ECLI:NL:GHLEE:2005: AU1866) waarin in rechtsoverweging 10. staat: “Van wanbeleid is sprake ingeval van evident, falend beleid ten aanzien van het beheer over een vermogen of van zorg voor geldmiddelen.” Het Gerecht zal derhalve aan de hand van deze norm, tevens reeds verwoord onder rechtsoverweging 4.7., toetsen of er sprake is van wanbeheer.

4.23. [

Verzoeker] stelt dat door handelen / nalaten door het bestuur met betrekking tot jaarrapportages en begrotingen van Parke Nacional Arikok vanaf 2012 geen exploitatievergoeding meer is ontvangen. Voorts noemt [verzoeker] dat de relatie met DCNA (het Gerecht: Dutch Caribbean Nature Alliance) is gebrouilleerd als gevolg van gedragingen van de voorzitter, waardoor het risico bestaat dat Parke Nacional Arikok gelden uit het Trust Fund en deelname aan projecten en trainingen misloopt.

4.24.

Het bestuur heeft in de eerste plaats als verweer aangevoerd dat [verzoeker] de systematiek van subsidie niet goed weergeeft. Het bestuur wijst op de Subsidieverordening (AB 1990 GT 34) en brengt naar voren dat de subsidies achteraf ter dekking van tekorten worden aangevraagd en dat een voorschot kan worden verzocht wanneer naar verwachting een tekort zal ontstaan. Vervolgens heeft het bestuur op gedetailleerde en onderbouwde wijze aangegeven hoe een en ander, volgens die systematiek, in de afgelopen jaren is verlopen met als conclusie dat FPNA tot en met 2012 volledig werd gesubsidieerd door het Land en dat er daarna verandering kwam in de subsidiering als gevolg van entreeheffing en daarmee eigen omzet. Van misgelopen subsidies is volgens het bestuur geen sprake. De beweerdelijk gebrouilleerde verhouding met DCNA is door het bestuur eveneens betwist. Het bestuur heeft in dat verband in de kern naar voren gebracht zij bewust een koers heeft uitgezet waarbij de autonomie van FPNA ten opzichte van DCNA niet verloren zou gaan, terwijl verplichtingen wel nagekomen werden. De communicatie met DCNA is volgens het bestuur uitstekend, hetgeen onder meer tot resultaat heeft dat FPNA trainingen kan uitzoeken die bij haar doelstelling passen.

4.25.

Door dit verweer, dat in onvoldoende mate is weersproken door [verzoeker], is niet komen vast te staan dat het bestuur zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer.

4.26. [

Verzoeker] voert voorts in het kader van wanbeleid aan dat het bestuur niet goed omgaat met het personeel nu er verschillende medewerkers zijn ontslagen of zijn afgevloeid, waardoor continuïteit van de bedrijfsvoering ontbreekt. Het bestuur heeft zich hiertegen verweerd. Zelfs als zou worden aangenomen dat het personeelsbeleid van FPNA te wensen overlaat, dan kan dit nog niet leiden tot de conclusie dat het bestuur zich heeft schuldig gemaakt aan wanbeleid.

4.27.

Dit geldt evenzeer voor de stellingen die [verzoeker] aanvoert onder de noemer ‘bestuursstijl’, zodat deze evenmin verder worden beoordeeld.

B – Voorzien in vacante plaats penningmeester

4.28.

Met verwijzing naar rechtsoverweging 4.20. wordt dit verzoek afgewezen.

Overig

4.29.

Van de zijde van [verzoeker] is ter zitting als mogelijkheid genoemd om een deskundigenbericht te gelasten. Het Gerecht acht zich evenwel voldoende ingelicht, zodat hiertoe niet wordt overgegaan.

4.30.

Nu [verzoeker] een gewezen werknemer is ziet het Gerecht daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat [verzoeker] zou moeten worden veroordeeld in de volledige proceskosten omdat bij misbruik maakt van zijn recht volgt het Gerecht niet nu hiervoor geen onderbouwing is gegeven.

3 De beslissing

Het Gerecht:

-wijst af het gevorderde;

-bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in voormeld Gerecht en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2016.