Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:418

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
L.A.R. nr. 2775 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vergunning kleine autobusvergunning tijdelijk ingetrokken vanwege het niet afleggen va de in de vergunning vermelde route

In de bestreden beschikking is terecht opgemerkt dat het algemeen belang van een adequate dienstverlening in het stelsel van het openbaar vervoer vordert dat de route wordt afgelegd zoals is aangegeven in de verleende vergunning.

De in artikel 20 van de LPv aan verweerder toegekende bevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid en met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheid is beleid vastgelegd. Het gerecht acht deze beleidsregels in zijn algemeenheid niet onredelijk. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet het gerecht geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

De omstandigheid dat het appellante hangende de beroepsprocedure gedurende twee weken niet zou zijn toegestaan haar vergunning te exploiteren doet aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking op zich niet af. Het stond appellante vrij hiertegen een rechtsmiddel in te stellen.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 juni 2016

L.A.R. nr. 2775 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[APPELLANTE],

wonende in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigd: de advocaat mr. M.G.A. Baiz,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN TOERISME, TRANSPORT, PRIMAIRE SECTOR EN CULTUUR,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 18 september 2014 heeft verweerder de aan verzoekster verleende autobusvergunning als bedoeld in artikel 30 van de Landsverordening personenvervoer (LPv) ingetrokken voor de duur van twee weken, ingaande 1 november 2014.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 27 oktober 2015 heeft verweerder het bezwaar van appellante conform het advies van de bezwaaradviescommissie Lar van 11 september 2015 ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft appellante op 7 december 2015 bij dit gerecht beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 mei 2016, alwaar is verschenen appellante in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 WETTELIJK KADER

Ingevolge artikel 3 van de LPv is het verboden zonder vergunning van de minister van Vervoer en Communicatie tegen vergoeding als beroep, nevenberoep, bedrijf of nevenbedrijf met een motorrijtuig personen te vervoeren of te doen vervoeren.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de LPv kunnen aan de vergunning voorwaarden worden verbonden. Ingevolge het tweede lid wordt de vergunninghouder die zich niet of niet volledig houdt aan de voorwaarden verbonden aan de vergunning, geacht zonder vergunning te hebben gehandeld.

Ingevolge artikel 20 van de LPv kan, voor zover hier van belang, de vergunning bij met redenen omkleed besluit van de minister van Vervoer en Communicatie blijvend of voor een in dat besluit te bepalen termijn worden ingetrokken indien:

- de vergunninghouder handelt in strijd met of niet nakomt de ingevolge deze landsverordening of de ter uitvoering daarvan vastgestelde landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, voor hem geldende voorschriften;

- de vergunninghouder handelt in strijd met of niet nakomt de bepalingen van de vergunning.

Ingevolge artikel 5, eerste lid van het Landsbesluit personenvervoer (LbPv) is het de vergunninghouder verboden een motorrijtuig te bezigen, indien daarin niet aanwezig is het geldig keuringsbewijs. Ingevolge het tweede lid moet de bestuurder van een motorrijtuig het keuringsbewijs op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage afgeven.

3 OVERWEGINGEN

3.1

Aan appellante, is voor de periode 24 februari 2012 tot en 23 februari 2017, een kleine autobusvergunning verleend voor de route San Nicolaas-Oranjestad via Sta Cruz en Hotel Area via Boulevard en vice versa.

3.2

Op 18 februari 2014, 20 maart 2014 (twee maal) en 11 juni 2014 is appellante door toezichthoudend personeel van het Departemento Publico (DTP) rapport aangezegd, wegens het zich niet houden aan de voorwaarden van de haar verleende vergunning, welke rapporten haar bij brieven van 1 april 2014, 10 april 2014, 12 mei 2014 en 26 juni 2014 zijn doen toegekomen en waarbij zij is gewaarschuwd. Volgens die rapporten heeft appellante op 18 februari 2014, 20 maart 2014 (twee maal) en 11 juni 2014 niet de volledige route als vermeld op haar vergunning gereden. Voorts zou zij op

11 juni 2014 niet hebben voldaan aan de haar gegeven vordering een geldig keuringsbewijs als bedoeld in artikel 5 LbPv ter inzage af te geven.

3.3

De stelling van appellante dat de aan haar verleende vergunning verbonden voorwaarde ten aanzien van de daarop vermelde route onverbindend is omdat verweerder niet bevoegd zou zijn tot het stellen van een dergelijke voorwaarde volgt het gerecht niet. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de haar verleende vergunning zodat deze in rechte is komen vast te staan.

3.4

Appellante heeft ter terechtzitting niet betwist dat zij de in rechtsoverweging 3.2 genoemde waarschuwingsbrieven en de daarbij behorende rapporten heeft ontvangen. Voorts heeft zij niet betwist dat zij op 18 februari 2014, 20 maart 2014 (twee maal) en 11 juni 2014 niet de volledige route als vermeld op haar vergunning heeft gereden en dat zij op 11 juni 2014 niet heeft voldaan aan de haar gegeven vordering een geldig keuringsbewijs als bedoeld in artikel 5 LbPv ter inzage af te geven.

3.5

De stelling van appellante dat zij niet verplicht zou zijn de gehele op haar vergunning vermelde route af te leggen wordt verworpen. In de bestreden beschikking is hiertoe naar het oordeel van gerecht terecht opgemerkt dat het algemeen belang van een adequate dienstverlening in het stelsel van het openbaar vervoer vordert dat de route wordt afgelegd zoals is aangegeven in de verleende vergunning.

3.6

Het gerecht stelt voorts vast dat de in artikel 20 van de LPv aan verweerder toegekende bevoegdheid een discretionaire bevoegdheid betreft en dat met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheid beleid is vastgelegd in de Ministeriële Beschikking nr. 1128 van 31 augustus 2011. Het gerecht acht deze beleidsregels in zijn algemeenheid niet onredelijk. Het gerecht volgt voorts niet de stelling van appellante dat verweerder heeft gehandeld in strijd met dit beleid, immers ingevolge artikel 10 van de beleidsregels wordt bij een vierde overtreding binnen een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden de vergunning tijdelijk ingetrokken. In rechtsoverweging 3.4 is reeds vastgesteld dat hiervan sprake is geweest. In hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet het gerecht geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

3.6

Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij ten onrechte niet is gehoord overweegt het gerecht dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt en dat appellante in de bezwaarprocedure in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord maar niet ter hoorzitting van 3 februari 2015 is verschenen.

3.7

De omstandigheid ten slotte dat het appellante in strijd met artikel 21 LvPv hangende de beroepsprocedure gedurende twee weken niet zou zijn toegestaan haar vergunning te exploiteren doet aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking op zich niet af. Het stond appellante vrij hiertegen een rechtsmiddel in te stellen.

3.8

Het beroep is ongegrond.

3.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

4 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).