Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:410

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
K.G. no. 968 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, betaling van voorschot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 8 juni 2016

Behorend bij K.G. no. 968 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

[naam],

wonende in Nederland, voor deze zaak gedomicilieerd ten kantore van haar hierna genoemde in Aruba gevestigde advocaat,

eiseres,

hierna ook te noemen: E*,

gemachtigde: de advocaat mr. R. Marchena,

tegen:

[naam],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: G*,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van vrijdag 20 mei 2016.

1.2

E* is verschenen bij haar gemachtigde, en G* is verschenen samen met zijn gemachtigde. De gemachtigden hebben in twee termijnen het woord gevoerd - mede aan de hand van overgelegde pleitnota’s, voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

E* vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis G*:

a. veroordeelt om bij wijze van voorschot te betalen aan E* Afl. 166.331,76, althans een door het Gerecht te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 29 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

b. beveelt tot afgifte aan E* van meubelstukken binnen 24 uren na de uitspraak van dit vonnis, en bepaalt dat G* ten behoeve van E* een dwangsom verbeurt van Afl. 1.000,-- voor iedere dag of deel daarvan dat G* dit bevel niet opvolgt met dien verstande dat G* te dezen maximaal Afl. 15.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

c. veroordeelt in de proceskosten.

2.2

G* voert verweer strekkende tot afwijzing van het door E* verzochte.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Vooropgesteld wordt gesteld dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom bij wijze van voorschot, terughoudendheid op zijn plaats is en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden gesteld en aannemelijk worden geoordeeld die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Daarvan is in casu sprake. E* heeft immers onbestreden gesteld dat zij thans geen inkomsten heeft en dat zij daardoor mede in verband met noodzakelijk gemaakte en nog te maken hoge medische kosten niet langer de kosten van haar levensonderhoud kan betalen.

3.2

G* heeft ter zitting erkend dat hij uit hoofde van de tussen partijen op 8 mei 2015 gesloten overeenkomst van geldlening nog Afl. 143.250,-- verschuldigd is, van welk bedrag is gesteld noch gebleken dat het niet opeisbaar is. G* heeft gemotiveerd bestreden dat hij meer dan dat door hem erkende bedrag uit hoofde van die geldlening verschuldigd is aan E*. Die stelling van E* staat daarom niet vast, en het Gerecht ziet geen grond om die stelling voorshands aannemelijk te oordelen.

3.3

Niet in geschil is tussen partijen dat zij op 30 april 2015 een koopovereenkomst hebben gesloten krachtens welke E* meubels zou leveren aan G* tegen betaling door G* van Afl. 17.000,-- aan E*. In dat verband staat verder vast dat G* van dat bedrag in elk geval Afl. 7.000,-- heeft betaald aan E*. E* heeft tegen die achtergrond gesteld dat G* uit hoofde van bedoelde overeenkomst nog Afl. 10.000,-- verschuldigd is aan E*. G* stelt daarentegen dat hij ook dat bedrag reeds heeft betaald aan E*. Die door E* bestreden bevrijdende stelling heeft G* naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende verificatoir onderbouwd. Het had te dezen op de weg van G* gelegen een bewijs van betaling in het geding te brengen. De stelling van G* dat hij met betrekking tot deze betaling geen kwitantie heeft, oordeelt het Gerecht niet voorshands aannemelijk. Dit klemt temeer omdat G* ter zitting heeft verklaard dat hij in geval betaling van niet geringe bedragen zich doorgaans schriftelijk laat kwiteren. Uit de door G* overgelegde productie zijnde een bankafschrift waarin staat vermeld dat G* Afl. 10.000,-- heeft opgenomen van zijn rekening onder de noemer of omschrijving “meubels” volgt geenszins dat dit bedrag is betaald aan E*.

3.4

Vorenstaande brengt mee dat voorshands komt vast te staan dat G*

Afl. 153.250,-- verschuldigd is aan E*. In zoverre zal de geldvordering van E* worden toegewezen, omdat bij de huidige stand van zaken in een bodemzaak hetzelfde oordeel valt te verwachten. Hetzelfde geldt voor de niet bestreden door E* gevorderde wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan. Afweging van de belangen van partijen maakt dit alles niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet van G* bij afwijzing van de toe te wijzen geldvordering ten opzichte van de belangen van E* bij toewijzing daarvan. Hierbij wordt nog overwogen dat mogelijke betalingsonmacht van G* niet in de weg kan staan aan toewijzing van de geldvordering van E*, en dat G* niet heeft gesteld dat sprake is van een onaanvaardbaar hoog restitutierisico.

3.5

Wat betreft de vordering van E* ter zake van afgifte van meubels wordt het volgende overwogen. G* heeft de aan die vordering door E* ten gronde gelegde stellingen gemotiveerd bestreden. Die stellingen komen daarom niet vast te staan, en het Gerecht ziet evenmin grond om die stellingen voorshands aannemelijk te oordelen. Dit één en ander betekent dat de vordering van E* op dit onderdeel zal worden afgewezen.

3.6

G* zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van E*, tot aan deze uitspraak begroot op (1.660,-- + 226,67 =) Afl. 1.886,67 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-veroordeelt G* om bij wijze van voorschot ten titel van nakoming te betalen aan E* Afl. 153.250,--, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 29 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt G* in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van E*, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.886,67 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 8 juni 2016.