Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:388

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
A.R. no. 252 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studentenkredietovereenkomst. Algemene voorwaarden nimmer ter hand gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 1 juni 2016

Behorend bij A.R. no. 252 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd in Nederland,

eiseres,

hierna ook te noemen: ING Bank,

gemachtigde: mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen:

Gedaagde,

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen.

1 DE PROCEDURE

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek tevens houdende een akte vermindering van eis;

-de conclusie van dupliek.

1.2 Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Na vermindering van eis vordert ING dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis kosten rechtens Gedaagde veroordeelt om aan ING te betalen

€ 5.045,36, zijnde de hoofdsom vermeerderd met incassokosten en de tot en met 13 oktober 2015 verschenen rente, te vermeerderen met wettelijke rente over

€ 5.015,30 gerekend vanaf 14 oktober 2015.

2.2

Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door ING Bank verzochte, althans tot toewijzing van een bedrag dat minder is dan door ING Bank gevorderd, kosten rechtens althans tot compensatie van die kosten tussen partijen.

2.3

Voorzover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Niet in geschil is tussen partijen dat Gedaagde in juli 2002 een studentenkredietovereenkomst heeft gesloten met Postbank N.V., zijnde de rechtsvoorganger van ING-Bank, met een kredietlimiet van € 4.500,-- tegen een rente van 9,7% jaarlijks. Tegen die achtergrond stelt de ING Bank dat Gedaagde, rekening houdend met door ING Bank van Gedaagde ontvangen betalingen, het in hoofdsom gevorderde bedrag aan ING Bank verschuldigd is.

3.2

Gedaagde meent echter dat zij meer heeft afgelost dan hetgeen aan aflossing door de ING Bank is verwerkt en dat zij daarom een minder dan het door ING Bank gevorderde bedrag verschuldigd is, maar Gedaagde stelt dat niet aan te kunnen tonen omdat - en dat heeft ING Bank niet bestreden - er bankafschriften in het ongerede zijn geraakt bij de verhuizing van Gedaagde in 2011 van Nederland naar Aruba. Die onbestreden stelling brengt - in verbinding met de redelijkheid en billijkheid (door welke maatstaven de verhouding tussen partijen wordt beheerst) - mee dat er te dezen op de ING Bank een (nadere) verzwaarde stelplicht rust, in die zin dat het aan de ING Bank is om haar vordering helder gespecifieerd nader te onderbouwen, uit welke specificatie de (mogelijk) door Gedaagde verrichte aflossingen - mede gelet op haar beroep op verjaring - telkens blijken. Hoewel het in het licht van het dienaangaande door Gedaagde gevoerde verweer reeds op de weg had gelegen van de ING Bank om een dergelijke specificatie in het geding te brengen, zal de ING Bank alsnog in de gelegenheid worden gesteld om dat bij akte te doen. Dit klemt temeer omdat Gedaagde verder onbestreden heeft gesteld dat het voor de ING Bank geen enkel probleem zou moeten zijn om dat te doen.

3.3

In de door ING Bank te nemen akte kan zij voorts helderheid verschaffen aan het Gerecht en aan Gedaagde ter zake van haar meermalen opgeworpen stelling dat het aan Gedaagde verstrekte krediet geheel opeisbaar is geworden vanaf - zo het Gerecht begrijpt - augustus 2011, omdat Gedaagde toen haar betalingsverplichtingen niet langer na kwam. Gesteld noch is gebleken echter op grond waarvan bedoeld krediet geheel opeisbaar is geworden zoals gesteld door de ING Bank. Gesteld noch gebleken is tot nog toe dat partijen dit zijn overeengekomen. Daarbij heeft te gelden dat Gedaagde onbestreden heeft gesteld dat de algemene voorwaarden van de ING Bank (lees hier tevens: Postbank N.V.) nimmer aan Gedaagde ter hand zijn gesteld. Het evenmin bestreden beroep van Gedaagde op vernietiging van die niet ter hand gestelde voorwaarden slaagt derhalve op de voet van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en sub b BW in verbinding met het eerste lid van artikel 6:234 aanhef sub a BW. Daarbij heeft te gelden dat niet is gesteld door de ING Bank dat zich te dezen één van de uitzonderingsgronden zoals overigens omschreven in artikel 6:234 BW voordoet.

3.4

In afwachting van de door de ING Bank te nemen akte en de vervolgens door Gedaagde te nemen antwoordakte wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-stelt de ING Bank in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen zij zich blijkens rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3 dient uit te laten;

-verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 29 juni 2016;

-stelt Gedaagde in de gelegenheid om bij antwoordakte te reageren op de door de ING Bank te nemen akte;

-verwijst de zaak daartoe naar een door de rolrechter nader te bepalen rolzitting;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 juni 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.