Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:386

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
LAR nr. 1640 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuur - LAR - weigering bouwvergunning winkelruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 juni 2016

LAR nr. 1640 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de naamloze vennootschap

Heritage Development Company N.V.,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. E.R. Zeppenfeldt,

gericht tegen:

de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 20 augustus 2012 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een bouwvergunning voor het realiseren van een winkelruimte op een perceel gelegen aan [adres] te Palm Beach.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 1 oktober 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij beschikking van 19 april 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2014, LAR nr. 1334 van 2013, heeft gerecht, beslissend op het beroep van appellante, de beschikking op bezwaar van verweerder van 19 april 2013 vernietigd en bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van die uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaarschrift.

Bij beschikking van 17 juni 2015 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 28 juli 2015 beroep ingesteld bij het gerecht.

Het beroep is op 11 januari 2016 behandeld ter zitting, waar partijen zijn verschenen bij gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Partijen houdt nog immer verdeeld de vraag of op het terrein van appellante, waar de reeds gerealiseerde winkelruimte zich bevindt, is voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de gevraagde bouwvergunning te kunnen verlenen. Op dat punt heeft het gerecht in zijn uitspraak van 10 maart 2014 het volgende overwogen.

‘Het gerecht stelt voorop dat het verweerder vrijstaat om in het kader van de beoordeling in het kader van artikel 22, onder e, van de Bouw- en woningverordening (Bwv) of de realisering van een gebouw of gedeelte ervan in verband met de te verwachten parkeerdruk hinder voor de omgeving zal opleveren, normen te hanteren voor het aantal benodigde parkeerplaatsen. Hoewel het de voorkeur verdient dat dergelijke normen als beleidsregel worden vastgesteld en gepubliceerd is dit voor het hanteren ervan geen noodzakelijke voorwaarde. Wel zal aannemelijk moeten zijn dat de normen door verweerder in de praktijk consequent worden toegepast.

Het gerecht acht de normen, zoals die zijn neergelegd in de ambtelijke “Nota voorstel invoering parkeernormen” op zichzelf beschouwd niet kennelijk onredelijk om als maatstaf te dienen bij de hiervoor bedoelde beoordeling. In hoeverre die normen door verweerder ten aanzien van het onderhavige perceel consequent en op juiste wijze zijn toegepast, is het gerecht evenwel niet duidelijk geworden. Daartoe wordt overwogen dat verweerder – ingevolge artikel 1 van de Landsverordening uitgifte eigendommen ook de tot uitgifte in erfpacht van domeingrond bevoegde autoriteit – bij de uitgifte van de grond in 2005 kennelijk een aantal van 240 parkeerplaatsen voldoende heeft geacht voor het op dat perceel te realiseren project. In aanmerking genomen de in artikel 24 van de Bwv neergelegde koppeling tussen de verlening van bouwvergunning en de erfpachtvoorwaarden, moet ervan worden uitgegaan dat met dit aantal parkeerplaatsen is bedoeld te waarborgen dat het project voorziet in voldoende parkeerplaatsen, zodat geen hinder voor de omgeving ontstaat. In het licht hiervan bestaat er tussen het door verweerder thans gestelde noodzakelijke aantal van 552 parkeerplaatsen en genoemd getal van 240 een grote discrepantie. Dit wordt niet wezenlijk anders indien daarbij mede rekening wordt gehouden met de – naar verweerder niet heeft betwist – van overheidswege nog te realiseren 50 parkeerplaatsen in de directe omgeving van het perceel. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat het aantal van 240 parkeerplaatsen is gebaseerd op het project, zoals dat ten tijde van de uitgifte in erfpacht was voorzien. Dat het onderhavige complex sedertdien is uitgebreid met zodanige voorzieningen, dat nagenoeg een verdubbeling van de beschikbare parkeerplaatsen nodig is, vermag het gerecht echter niet zonder meer in te zien. Een en ander vereist inzicht in de wijze van berekening van zowel het bij de uitgifte in erfpacht genoemde aantal van 240 parkeerplaatsen als het thans in de bestreden beslissing op bezwaar genoemde aantal van 552. Deze beslissing, noch de overige gedingstukken bieden dat inzicht. Het betoog van appellanten dat de bestreden beslissing op bezwaar op dit punt niet is voorzien van een deugdelijke motivering, slaagt derhalve.

Het beroep is gegrond, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant dienen te nemen. Het gerecht overweegt dienaangaande nog wel dat de enkele omstandigheid dat parkeergarage nooit geheel gevuld is, anders dan appellanten menen, op zichzelf onvoldoende grond vormt om aan te nemen dat het complex over voldoende parkeerplaatsen beschikt. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de huidige mogelijkheid om gratis te parkeren op vooralsnog braak liggend, niet uitgegeven, terrein in de omgeving veel personen ervan weerhoudt om tegen betaling te parkeren in de parkeergarage van appellanten. Nu de blijvende beschikbaarheid van die parkeermogelijkheid niet vaststaat heeft verweerder deze bij de beoordeling of aan artikel 22, onderdeel e, van de Bwv wordt voldaan, buiten beschouwing mogen laten.’

2.2

Verweerder heeft in de thans bestreden beschikking uiteengezet dat de in de erfpachtvoorwaarden gestelde eis van 240 parkeerplaatsen was gebaseerd op de behoefte aan parkeergelegenheid die zou ontstaan na realisering van het oorspronkelijke project (winkelcentrum) op het terrein van appellante, dat een vloeroppervlakte van 5.555 m2 zou beslaan. Daarbij is rekening gehouden met nog 50 door het Land ten behoeve van appellante te creëren parkeerplaatsen in de directe omgeving van het terrein. Na realisering van het oorspronkelijke project in 2005 zijn door appellante op het terrein, met bouwvergunning, meer voorzieningen opgericht waardoor het totale vloeroppervlakte thans 9.201 m2 bedraagt, hetgeen, gelet op de toepasselijke parkeernorm (6 parkeerplaatsen per 100 m2 vloeroppervlakte) een behoefte aan 552 parkeerplaatsen oplevert. Uitgaande van de beschikbaarheid van 290 parkeerplaatsen (240+50) is er thans reeds een tekort van 112 parkeerplaatsen en is uitbreiding van de oppervlakte aan winkelruimte niet meer mogelijk, aldus verweerder.

2.3

Appellante betwist dat het oorspronkelijke project met het oog waarop de erfpachtvoorwaarde met betrekking tot het aantal van 240 op het terrein te realiseren parkeerplaatsen tot stand is gekomen, slechts betrekking had op een winkelcentrum met een vloeroppervlakte van 5.555 m2. Zij heeft daartoe gesteld dat het merendeel van de na oprichting van het winkelcentrum gerealiseerde (winkel)panden reeds deel uitmaakte van het oorspronkelijke project, doch dat de daarvoor benodigde bouwvergunningen in overleg met de Dienst Openbare Werken (DOW) afzonderlijk en gefaseerd zijn aangevraagd. Hieruit kan volgens appellante de conclusie worden getrokken dat het aantal van in totaal 290 parkeerplaatsen door verweerder voldoende werd geacht voor het gehele project en dat de door verweerder thans toegepaste parkeernormen niet gehanteerd zijn bij het opstellen van de erfpachtvoorwaarden. Het staat verweerder thans niet meer vrij om deze normen alsnog te gebruiken om de onderhavige vergunningaanvraag af te wijzen. In aanmerking genomen dat er in werkelijkheid een (gering) aantal meer dan de voorgeschreven 240 parkeerplaatsen op het terrein is gerealiseerd, leidt verwezenlijking van het bouwplan waarvoor vergunning is gevraagd, niet tot overschrijding van het benodigd aantal parkeerplaatsen, aldus appellante.

2.4

Het gerecht acht appellantes stelling dat de omvang van het op het onderhavige terrein te realiseren project, zoals dat bij de uitgifte in erfpacht van het terrein en de in verband daarmee opgestelde erfpachtvoorwaarden voor ogen stond, niet was beperkt tot de in de bestreden beschikking genoemde 5.555 m2, niet onaannemelijk. Daarbij is in aanmerking genomen dat, naar tussen partijen niet in geschil is, na realisering van dit aantal vierkante meters, door verweerder nog voor een aanzienlijke oppervlakte aan bouwvergunningen is verleend aan appellante. Uitgaande van de juistheid van verweerders standpunt dat het in de erfpachtvoorwaarden voorgeschreven aantal van 240 parkeerplaatsen uitsluitend was bedoeld voor het oorspronkelijke winkelcentrum met een oppervlakte van 5.555 m2 zouden ook deze bouwvergunningen wegens strijdigheid met de thans door verweerder ingeroepen parkeernormen moeten zijn geweigerd. Nu deze vergunningen niettemin zijn verleend, biedt dit steun aan appellantes stelling dat het bij de uitgifte van het terrein in erfpacht voorziene project aanzienlijk groter is dan door verweerder wordt gesteld en dat verweerder met betrekking tot dit terrein kennelijk andere parkeernormen heeft gehanteerd dan die hij thans aan verweerder tegenwerpt. Daar komt bij dat, ook indien wordt uitgegaan van een oorspronkelijk project met een oppervlakte van 5.555 m2, het in totaal te realiseren aantal van 290 parkeerplaatsen niet overeenkomt met de norm van 6 perkeerplaatsen per 100 m2. Uitgaande van die norm zouden er immers (5.555 : 100 x 6 =) 333 parkeerplaatsen benodigd zijn. Ook dit duidt erop dat bij de uitgifte in erfpacht een andere maatstaf is gehanteerd.

2.5

Het vorenstaande leidt het gerecht tot de conclusie dat verweerder nog altijd geen voldoende draagkrachtige motivering heeft gegeven voor zijn standpunt dat de gevraagde bouwvergunning wegens het niet beschikbaar zijn van voldoende parkeerplaatsen behoort te worden geweigerd. Het beroep is derhalve gegrond, zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Verweerder zal een nieuwe beslissing op appellantes bezwaar dienen te nemen, waarvoor het gerecht een termijn van drie maanden na dagtekening van de onderhavige uitspraak zal stellen.

2.6

Appellante heeft het gerecht verzocht om met toepassing van artikel 47, vierde lid, van de Lar zelf in de zaak te voorzien door verweerder op te dragen de gevraagde bouwvergunning te verlenen.

Gelet op het feit dat het gerecht over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen beoordelen of het bouwplan aan alle bouwtechnische vereisten voldoet, zou een opdracht aan verweerder, zoals door appellante verzocht, een te vergaande beslissing zijn. Nu verweerder er evenwel nog immer niet in is geslaagd een deugdelijke motivering te geven voor zijn standpunt dat niet voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het vergunnen van het onderhavige bouwplan, houdt het gerecht het er – met het oog op een effectieve geschillenbeslechting – thans voor dat een dergelijke motivering ook niet meer zal kunnen worden gegeven. Bij het opnieuw nemen van een beslissing op bezwaar zal verweerder de desbetreffende weigeringsgrond dan ook niet meer aan appellante mogen tegenwerpen. Daarbij heeft het gerecht mede in aanmerking genomen dat – naar tussen partijen niet in geschil is – het Land Aruba nog steeds in gebreke is om ten behoeve van appellante 50 parkeerplaatsen in de directe omgeving van haar terrein in te richten.

2.7

Aangezien het beroep gegrond is bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.000,-- aan gemachtigdensalaris.

2.8

Beslist wordt als volgt.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing op bezwaar van 17 juni 2015;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.000,-- aan gemachtigdensalaris;

- gelast dat het door appellante gestorte griffierecht ad Afl. 25,-- aan haar wordt terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 6 juni 2016, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).