Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:347

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
EJ nr. 1469 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging alimentatiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking van 24 mei 2016

behorend bij EJ nr. 1469 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[X], de vader,

[A],

[B],

wonende in Aruba,

VERZOEKERS,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg,

en

[Y],

wonende in Aruba, te [adres],

VERWEERSTER, hierna te noemen de moeder,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 6 juli 2015;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 13 oktober 2015, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en de moeder in persoon;

  • -

    de akte wijziging petitum, ingediend op 30 november 2015;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de voortgezette behandeling ter zitting van 8 december 2015,waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, de twee meerderjarige kinderen van partijen, 20-jarige [A] en 19-jarige [B], en de moeder in persoon.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder zijn drie kinderen geboren, waarvan thans nog minderjarig is, de op [datum] 1998 geboren [C] (hierna: de minderjarige).

2.2

Bij beschikking van dit gerecht van 3 november 2014 (EJ-1782/2014), zoals hersteld bij beschikking van 28 oktober 2015, is bepaald dat de vader met Afl. 400,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het gewijzigde verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 3 november 2014, zoals hersteld op 28 oktober 2015, in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie zal worden bepaald op nihil ingaande 3 november 2014. Daartoe heeft de vader aangevoerd dat de beschikking van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de twee meerderjarige kinderen van partijen bij hem wonen en door hem worden onderhouden. Tevens stelt hij dat de minderjarige vanaf mei 2015 niet bij de moeder woont, zodat zijn alimentatieverplichting aan de moeder dient te vervallen, dan wel op nihil dient te worden gesteld.

De meerderjarige kinderen hebben verzocht de moeder te veroordelen tot het betalen van een maandelijkse bijdrage ad Afl. 650,- aan elk van hen als voorziening in de kosten van hun levensonderhoud.

Wijziging alimentatiebeschikking

3.2

Het verzoek om wijziging van de beschikking is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4).

3.3

Anders dan de vader heeft betoogd, blijkt uit de beschikking van 3 november 2014 niet dat het gerecht geen rekening heeft gehouden met de door hem aangevoerde omstandigheid dat hij de zorg draagt over de meerderjarige kinderen. In die beschikking is immers in overweging 3.4 het volgende overwogen:

“De man heeft ter zitting stukken overlegd waaruit zijn inkomen en lasten blijken. De man heeft aangevoerd de zorg te dragen over twee meerderjarige kinderen van partijen, waarvan één niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.(…) Gebleken is dat de maandelijkse lasten van de vrouw die van de man overstijgen (…) Gelet daarop en rekening houdend met de draagkracht van de man oordeelt het gerecht dat de man geacht wordt met een maandelijkse bijdrage van Afl. 400,- te kunnen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.(…)”

3.4

Dat het gerecht bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, is dan ook niet gebleken.

3.5

Voor zover de vader met zijn betoog dat de minderjarige niet meer bij de moeder woont, heeft beoogd te stellen dat de alimentatiebeschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, faalt dit betoog. Immers, ouders zijn wettelijk verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, ongeacht waar die kinderen wonen. Dat de minderjarige niet meer bij de moeder zou wonen – hetgeen door de moeder is weersproken en overigens niet is komen vast te staan – betekent dus niet dat de verplichting van vader om (naar draagkracht) te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige is komen te vervallen.

3.6

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van de vader om wijziging van de alimentatiebeschikking dient te worden afgewezen.

Voorzien in levensonderhoud meerderjarige kinderen

3.7

Wat betreft het verzoek van de meerderjarige kinderen, om van de moeder een maandelijkse bijdrage in hun levensonderhoud van Afl. 650,- per persoon te ontvangen, overweegt het gerecht als volgt.

3.8

Ingevolge artikel 1:395a, lid 1 BW, zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren niet hebben bereikt. De regeling ziet in het bijzonder - doch niet uitsluitend - op studerende kinderen. Invoering van art. 1:395a BW heeft een situatie gecreëerd waarin aan 18, 19 en 20-jarigen wel zelfstandigheid en een eigen verantwoordelijkheid wordt verschaft, maar waarin de financiële verantwoordelijkheid bij de ouders blijft berusten indien de jongmeerderjarige vanwege scholing, studie of onvoldoende inkomsten uit arbeid niet (geheel) zelfstandig in de kosten van levensonderhoud en studie kan voorzien. De wettelijke maatstaven voor deze onderhoudsplicht zijn dan ook geen andere dan die vervat in art. 1:397 BW. (Zie Wortmann, losbladige editie Personen- en familierecht, art. 395a, aant. 1 en Asser/De Boer 1* 2010/1083.)

3.9

Bij de bepaling van het bedrag van – kort gezegd – de alimentatie voor de jongmeerderjarige kinderen, dient derhalve enerzijds rekening te worden gehouden met de behoeften van die kinderen en anderzijds met de draagkracht van de ouders.

3.10

Bij het vaststellen van de behoefte van de meerderjarige kinderen neemt het gerecht in aanmerking dat ze beiden niet studeren en werkloos zijn, en bij de vader en grootmoeder in huis wonen. Aangesloten zal worden bij de richtsnoer die het gerecht hanteert voor de alimentatie ten behoeve van minderjarige kinderen. In dit geval zal de behoefte van de meerderjarige kinderen dan ook worden vastgesteld op Afl. 650,- per kind per maand.

Draagkracht ouders

3.11

Wat betreft de draagkracht van de moeder, overweegt het gerecht dat uit de door haar overgelegde salarisstroken blijkt, dat zij een gemiddeld netto-maandinkomen heeft van afgerond Afl. 3.937,-. Wat betreft de lasten houdt het gerecht rekening met een bedrag van Afl. 1.400,- voor het eigen levensonderhoud. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht houdt verder rekening met een bedrag van Afl. 1.434,- aan aflossing van een hypotheeklening, een bedrag van Afl. 667,- aan aflossing van een autolening en een bedrag van Afl. 250,- aan kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige. Immers, nu de vader is veroordeeld tot het betalen van een bedrag van Afl. 400,- aan kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige, van wie de kosten gelet op de door het gerecht gehanteerde richtsnoer, kunnen worden bepaald op Afl. 650,- per maand, is de bijdrage van de moeder Afl. 250,- per maand. Dat betekent dat de moeder maandelijks een bedrag overhoudt van Afl. 186,-.

3.12

Wat betreft de draagkracht van de vader, overweegt het gerecht dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij een gemiddeld netto-maandinkomen heeft van afgerond Afl. 3.505,38. Wat betreft de lasten, houdt het gerecht rekening met een bedrag van Afl. 850,- voor de huur van een appartement, inclusief water, elektriciteit en cable, en een bedrag van Afl. 1.000,- voor het eigen levensonderhoud. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van autogebruik, zodat met de door de vader opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht houdt verder ook rekening met het bedrag van Afl. 400,- dat de vader aan kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige moet betalen. Dat betekent dat de vader een bedrag overhoudt van Afl. 1.255,-.

3.13

Gelet op de kosten van de meerderjarige kinderen enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds, is het gerecht van oordeel dat de moeder in staat moet worden geacht om met een bedrag van Afl. 90,- per kind per maand bij te dragen ten behoeve van de meerderjarige kinderen en zal bepalen dat deze bijdrage in zal gaan vanaf 1 december 2015.

4 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de moeder, [Y], als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de zoon, [A] telkens, voor zover het de nog niet vervallen termijnen betreft, bij vooruitbetaling zal betalen Afl. 90,- per maand met ingang van 1 december 2015 en eindigend op 1 september 2016;

bepaalt dat de moeder, [Y], als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan de zoon, [B] telkens, voor zover het de nog niet vervallen termijnen betreft, bij vooruitbetaling zal betalen Afl. 90,- per maand met ingang van 1 december 2015 en eindigend op 21 augustus 2017;

wijst af het anders of meer verzochte,

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.