Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:308

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
A.R. 2132 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

schuldvordering, beroep op verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 6 april 2016

Behorend bij A.R. 2132 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Island Finance,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,

tegen:

[naam],

te Aruba,

hierna ook te noemen: G*,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord

- de aantekeningen van de comparitie van 24 februari 2016.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen hebben op 17 februari 2005 een overeenkomst van geldlening gesloten waarbij G* van Island Finance een som geld heeft geleend onder de verplichting die som met rente terug te betalen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Island Finance vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van G* tot betaling van Afl. 11.584,21, te vermeerderen met de overeengekomen rente en incassokosten, met veroordeling van G* tot vergoeding van de proceskosten waaronder de beslagkosten.

3.2

Island Finance grondt de vordering erop dat G* toerekenbaar tekortkomt in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen en zij in verband daarmee incassokosten heeft gemaakt.

3.3

G* voert hiertegen verweer, met vordering tot veroordeling van Island Finance in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1

G* beroept zich op verjaring. De laatste betaling heeft in het jaar 2007 plaatsgevonden. Pas bij brief van 13 augustus 2015 is zij gesommeerd de schuld te betalen, aldus G*.

4.2

Het verweer faalt. Uit de door Island Finance overgelegde en inhoudelijk niet weersproken stukken blijkt dat G* op 17 februari 2012 een betalingsregeling met Island Finance heeft getroffen waarbij zij haar werkgever machtigde om betalingstermijnen op haar loon in te houden en rechtstreeks aan Island Finance te betalen. Dat constitueert een overeenkomst waarmee een na ommekomst van de verjaringstermijn nog resterende natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens afdwingbare overeenkomst (artikel 6:5 lid 1 BW). Of dat gebeurde nadat de oorspronkelijke vordering zou zijn verjaard, zoals G* stelt en Island Finance weerspreekt, is niet relevant.

4.3

De vordering is daarom toewijsbaar. Als de in het ongelijk te stellen partij zal G* de proceskosten van Island Finance moeten vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

veroordeelt G* tot betaling aan Island Finance van een bedrag van Afl. 11.584,21, te vermeerderen met 1,5% rente per maand vanaf 27 februari 2009, steeds over het saldo van de dan openstaande hoofdsom tot de dag waarop volledig zal zijn betaald en vermeerderd met Afl. 1.737,63;

veroordeelt G* in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Island Finance worden begroot op Afl. 750, aan griffierecht, Afl. 870,90 aan explootkosten en Afl. 2.250, aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.