Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:290

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
A.R. no. 833 van 2011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, pensoienregeling, overname algemen voorwaarden, contractuele verrekeningsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 20 april 2016

Behorend bij A.R. no. 833 van 2011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

Eiseres,

wonende te Aruba,

nader te noemen “Eiseres”,

gemachtigde: mr. D.M. Passchier,

EISERES,

tegen

de naamloze vennootschap FATUM LIFE N.V.,

gevestigd te Aruba,

nader te noemen “Fatum”,

gemachtigde: mr. J.M. eiseres,

GEDAAGDE.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verdere verloop van de procedure tot en met 22 januari 2014 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Nadat Fatum vergunning heeft verzocht om tussentijds appel in te stellen tegen dit tussenvonnis en dit verlof door het Hof werd geweigerd, heeft bewijslevering zijdens Fatum plaatsgevonden op 9 juni 2015, 15 juni 2015 en 26 oktober 2015. Partijen hebben vervolgens geconcludeerd na bewijslevering.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Fatum is in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat de voorwaarden van verzekering, zoals overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord, de voorwaarden zijn die bij het aangaan van de pensioenregeling in 1978 tussen de rechtsvoorganger van Fatum en Aubar van toepassing zijn verklaard. Fatum heeft daartoe verschillende getuigen doen horen en daarbij stukken in het geding gebracht.

2.2

Het gerecht is van oordeel dat Fatum afdoende heeft bewezen dat de betreffende algemene voorwaarden in ieder geval in 1992 van toepassing zijn geworden op de onderhavige pensioenregeling. Dit is in lijn met de nadere stelling die Fatum heeft ingenomen in haar akte van 23 oktober 2013, te weten dat de algemene verzekeringsvoorwaarden te eniger tijd van toepassing zijn geworden op het tussen Fatum en Aubar bestaande hebbende pensioencontract. Het gerecht acht dit bewezen aan de hand van het volgende.

2.3

Uit de getuigenverhoren in samenhang met de door Fatum bij haar akte van 4 februari 2013 en de ten behoeve van het laatste getuigenverhoor bij brief van 13 oktober 2015 in het geding gebracht documenten is genoegzaam komen vast te staan dat de oude pensioencontracten van Superior Tobacco Co., Mansur Trading Co. en Compra Inc. per 1 januari 1992 werden geconsolideerd onder de bestaande basispolis (nr) van Compra N.V., die al per 1 augustus 1990 was afgesloten, waarbij het pensioencontract voor de Arubaanse groep verder ging onder contractsnummer (nr) en de naam werd gewijzigd in Mansur Trading Company Inc. Die basispolis met contractsnummer (nr) (bijlage A1 bij het verhoor d.d. 9 juni 2015) verwijst, in tegenstelling tot de oude basispolis (oud nr) (bijlage 2 bij het verhoor van 26 oktober 2015), uitdrukkelijk naar de algemene voorwaarden (met het van belang zijnde artikel 8 lid 1) die als bijlage bij die basispolis en tevens als productie 2 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd. Immers staat op pagina 4 van de betreffende basispolis (nr) vermeldt: “De verzekeringen zijn mede onderworpen aan de als bijlage aan deze basis-polis gehechte voorwaarden van verzekering (VV13084A)”. Op de als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde algemene voorwaarden komt dezelfde referentie “VV13084A” voor onderaan alle pagina’s. Fatum heeft ook een door Eiseres ondertekende akte van overdracht in het geding gebracht (bijlage A3 bij het verhoor d.d. 9 juni 2015), waarmee zij akkoord is gegaan met de overdracht per 1 januari 1992 naar de basispolis met contractsnummer (nr). Op het verzekeringbewijs van Eiseres gedateerd 10-08-1992 (bijlage A2 bij het verhoor d.d. 9 juni 2015) komt het nieuwe contractsnummer ook voor en is de overgang naar het nieuwe polisnummer (nummer) voor Eiseres bevestigd. De getuigen 1 (Managing Director bij Fatum), getuige 2 (Pensioen Consultant bij Fatum), getuige 3 (voorheen werkzaam bij Fatum) en getuige 4 (voorheen werkzaam bij Fatum) hebben, samengevat, verklaard bekend te zijn met deze documenten en zij hebben de overgang van de deelnemers in de pensioenregeling van Aubar, waaronder Eiseres, naar de basispolis met contractsnummer (nr) met de betreffende toepasselijke algemene voorwaarden van verzekering bevestigd. Getuige 4, destijds administratief medewerkster bij de afdeling Leven Collectief, heeft bovendien nog verklaard dat de individuele werknemers via de werkgever een bewijs van de mutatie hebben ontvangen.

2.4

Het gerecht leidt uit de in het kader van de bewijslevering in het geding gebrachte documenten in samenhang met hetgeen voornoemde getuigen over die documenten hebben verklaard, af dat de algemene voorwaarden waarop Fatum in casu een beroep heeft gedaan, inderdaad de voorwaarden zijn die op de relatie met Aubar van toepassing zijn geworden. Daarbij is niet van belang of Eiseres als deelnemer/derde-begunstigde de algemene voorwaarden al dan niet heeft ontvangen van Fatum of diens rechtsvoorganger, aangezien haar werkgever de contractspartij was van Fatum en Eiseres niet meer rechten heeft kunnen ontlenen aan de pensioenregeling dan die haar op basis van de contractsdocumenten, waaronder de toepasselijke algemene voorwaarden van verzekering, toekwamen.

2.5

Eiseres heeft het recht om een beroep te doen op de pensioenregeling, met de toepasselijke voorwaarden, alsmede het recht om de pensioenuitkeringen van Fatum te vorderen aanvaard door de aan haar uitgekeerde pensioengelden (zonder voorbehoud) in ontvangst te nemen.

2.6

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat voor zover Fatum al een beroep toekomt op de contractuele verrekeningsbevoegdheid, Fatum in strijd handelt met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gebiedt dat de contractuele verrekeningsbevoegdheid niet van toepassing is. Het gerecht verwerpt deze stelling. Eiseres heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om de stelling, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Fatum zich op de verrekeningsbepaling kan beroepen, te dragen. Dit geldt eveneens voor het aannemen van een onrechtmatige daad, voor zover Eiseres zulks beoogd heeft dit als grondslag voor haar vordering aan te voeren. Ter toelichting dient het volgende.

2.7

Eiseres heeft gesteld dat in de tussen Fatum en een directielid van Aubar, te weten (Naam), gevoerde besprekingen, laatstelijk die van 22 mei 2008, door Fatum als uitleg is gegeven dat van verrekening zouden worden uitgesloten de actieven, waaronder volgens de directeur van Fatum verstaan moesten worden degenen die een premievrije polis hadden en die reeds vóór 1 januari 2004 met pensioen waren gegaan. Fatum heeft dit betwist. Uit de door Fatum in haar processtukken genomen standpunten, in samenhang met de inhoud van de brief van Fatum aan mr. Swaen d.d. 25 augustus 2009 (productie 29 bij conclusie van repliek), leidt het gerecht af dat Fatum zich op het standpunt stelt dat zij tijdens de bespreking van 22 mei 2008 slechts heeft aangegeven dat verrekening niet zou worden toegepast bij werknemers die op 1 januari 2004 reeds met pensioen waren gegaan of na beeindiging van hun dienstverband reeds een opgave van hun premievrije aanspraken hadden ontvangen. Daarbij is specifiek over werknemers gesproken en niet over directieleden, aldus Fatum in haar genoemde brief. Fatum betwist derhalve dat zij heeft toegezegd dat geen verrekening zou worden toegepast ten aanzien van directieleden zoals Eiseres. Het gerecht is van oordeel dat zelfs indien de door Eiseres gestelde ‘uitleg’ van Fatum opgevat zou kunnen worden als een harde toezegging in de door Eiseres bedoelde zin, dus dat geen verrekening zou plaatsvinden ten aanzien van degenen die reeds met pensioen waren gegaan, zonder daarbij de directieleden uit te sluiten, er nog geen sprake is geweest van een toezegging jegens Eiseres. Die mededeling werd immers aan een ander directielid gedaan. Eiseres heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat zij aan de door Fatum aan dit directielid gegeven uitleg het gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend en mogen ontlenen dat Fatum geen verrekening jegens haar zou gaan toepassen. Dit geldt eens te meer daar Eiseres heeft gesteld dat zij pas in 2009, nadat Fatum al tot inkorting van het pensioen van Eiseres was overgegaan, navraag heeft gedaan bij (Naam) voornoemd en pas toen te horen kreeg dat Fatum destijds die toelichting zou hebben gegeven. Daaruit kan niet worden afgeleid dat Fatum enig gerechtvaardigd vertrouwen bij Eiseres heeft opgewekt dat Fatum geen verrekening op het pensioen van Eiseres zou toepassen.

2.8

Ook de overige argumenten die Eiseres heeft aangedragen voor haar stelling dat Fatum geen beroep kan doen op de verrekeningsbepaling treffen geen doel. Eiseres heeft gesteld dat Fatum kan worden verweten dat zij heeft nagelaten om Eiseres tijdig te informeren dat haar werkgever een betalingsachterstand had en dat Fatum geen gebruik heeft gemaakt van de haar ten dienste staande middelen om de achterstand bij Aubar te incasseren, maar Eiseres vormde als mededirectrice onderdeel van de directie van Aubar, in ieder geval in formele zin, en mocht reeds daarom door Fatum bekend worden verondersteld met de betalingsachterstand. Fatum hoefde er niet op bedacht te zijn dat Eiseres, zoals zij zelf stelt, niet actief was als directielid, wat daar ook van zij. Ook bestaat er geen juridische grondslag voor de stelling dat van Fatum kon worden verwacht dat zij Aubar er op zou wijzen dat zij alle deelnemers in het pensioenfonds, met wie Fatum geen directe contractuele relatie had, zou informeren over de premieachterstand van Aubar en/of dat Fatum Eiseres persoonlijk eerder direct had moeten benaderen. Fatum heeft diverse correspondentie in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij door de jaren heen Aubar vele malen heeft gewezen op de betalingsachterstand en heeft verzocht om voor aanzuivering van het terkort zorg te dragen. Fatum heeft daarbij onweersproken gesteld dat door Aubar steeds werd toegezegd dat het tekort aangevuld zou worden.

2.9

Uit het voorgaande vloeit voort dat Fatum op basis van haar algemene voorwaarden gerechtigd was om de verrekening toe te passen en de vordering van Eiseres afgewezen dient te worden.

2.10

Als de in het ongelijk te stellen partij dient Eiseres veroordeeld te worden in de proceskosten aan de zijde van Fatum gevallen in de hoofdzaak, welke kosten worden begroot op Afl. 4.050,00 aan gemachtigdensalaris (4,5 punten bij tarief 5).

2.11

Zoals artikel 60 van het Wetboek van Burgerlijjke Rechtsvordering voorschrijft, dient Fatum als de in het ongelijk gestelde partij alsnog veroordeeld te worden in de proceskosten aan de zijde van Eiseres gevallen in de door Fatum opgeworpen incidenten, welke kosten worden begroot op Afl. 1.800,00 (2 punten bij tarief 5).

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende:

3.1

wijst de vordering af;

3.2

veroordeelt Eiseres in de proceskosten gevallen aan de zijde van Fatum in de hoofdzaak en te begroten op Afl. 4.050,00 aan gemachtigdensalaris;

3.3

verklaart de onder 3.2 uitgesproken proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

veroordeelt Fatum in de proceskosten gevallen aan de zijde van Eiseres in de door Fatum opgeworpen incidenten en te begroten op Afl. 1.800,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 april 2016 in aanwezigheid van de griffier.