Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:215

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
BB 1933 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, Oproeping in vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 17 februari 2016

Behorend bij BB 1933 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het incident tot vrijwaring in de zaak van:

de naamloze vennootschap DUVIT ARUBA N.V.,

gevestigd te Aruba,

eiseres in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen: “Duvit”,

gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand,

tegen:

Gedaagde,

wonende te Aruba,

gedaagde in de hoofdzaak,

hierna ook te noemen: “Gedaagde”,

procederende in persoon,

1 DE PROCEDURE IN HET INCIDENT

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de incidentele conclusie van eis tot oproeping in vrijwaring;

- de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring.

1.2

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis in het incident.

2 HET GESCHIL

2.1

Duvit vordert in de hoofdzaak, samengevat, onder meer dat het gerecht Gedaagde veroordeelt om aan Duvit te betalen een bedrag van Afl. 5.035,03, vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten en 12% contractuele rente vanaf 16 oktober 2014.

2.2

Aan die vordering heeft Duvit, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat zij met Gedaagde een huurkoopovereenkomst is aangegaan en dat Gedaagde haar verplichtingen uit die huurkoopovereenkomst, te weten tijdige betaling van bepaalde huurkooptermijnen, niet is nagekomen.

2.3

Gedaagde heeft verzocht dat het haar wordt toegestaan om de heer Naam, wonende te (Adress) in Aruba (hierna ook: Naam) in vrijwaring op te roepen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat, Naam veroordeeld dient te worden om aan Gedaagde datgene te betalen waartoe Gedaagde in de hoofdzaak jegens Duvit mocht worden veroordeeld, aangezien Gedaagde de huurkoopovereenkomst als een vriendendienst ten behoeve van Naam, die stelde tijdelijk zonder werk te zitten, is aangegaan. Naam zou alle huurkooptermijnen betalen en is daarmee ook aangevangen, maar is daarmee gaandeweg gestopt. Naam heeft de betreffende huurkoopzaak onbevoegdelijk doorverkocht.

2.4

Duvit heeft zich verzet tegen de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, omdat - kort samengevat – de mogelijke afspraak tussen Gedaagde en Naam Duvit niet regardeert.

3 DE BEOORDELING

3.1

Voor het inwilligen van een verzoek om de oproeping in vrijwaring van een derde te bevelen als bedoeld in art. 71 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), is voldoende dat de verzoeker (voldoende) stelt dat de derde krachtens zijn rechtsverhouding tot de verzoeker verplicht is de nadelige gevolgen te dragen die voortvloeien uit een veroordeling van de verzoeker als gedaagde in de hoofdzaak. Aan dit vereiste is voldaan.

3.2

Van toewijzing van het verzoek is geen onredelijke of onnodige vertraging van het geding te verwachten. Niet is gesteld of gebleken dat Duvit door toewijzing van het verzoek in enig ander belang zou worden geschaad.

3.3

De beslissing over de proceskosten van dit incident wordt aangehouden tot in de hoofdzaak wordt beslist.

4 DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

in het incident:

wijst het verzoek toe;

staat Gedaagde toe om de heer Naam, wonende te (Adress) in Aruba, in vrijwaring op te roepen tegen de zitting van woensdag 16 maart 2016, onder overlegging van het inleidend verzoekschrift in de hoofdzaak, de incidentele conclusie van eis tot oproeping in vrijwaring en dit vonnis in het incident, ten einde te worden gehoord op de vordering van Gedaagde tot veroordeling van Naam tot betaling van datgene waartoe Gedaagde in de hoofdzaak jegens Duvit mocht worden veroordeeld;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 16 maart 2016 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Gedaagde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 februari 2016 in aanwezigheid van de griffier.