Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:205

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
627 van 2015
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Minderjarige. Poging tot doodslag. Vuurwapenbezit. Partiële vrijspraak. Voorwaardelijk opzet op poging doodslag. Afwijzing vordering toepassing meerderjarigenstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans […] gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2015 en 26 februari 2016. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Kock.

De officier van justitie, mr. E.E. Lugo, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht gedurende de proeftijd, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

1. dat hij op of omstreeks 4 augustus 2015 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, daartoe met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in/op en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te vuren, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid;

(artikel 2:262 jo artikel 1:119, althans artikel 2:262 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat hij op of omstreeks 4 augustus 2015 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, daartoe met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in/op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te vuren, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid;

(artikel 2:276 jo artikel 1:119, althans artikel 2:275 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

2. dat hij op of omstreeks 4 augustus 2015 in Aruba, voorhanden heeft gehad een vuurwapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening en/of scherpe patronen, in elk geval munitie als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Vuurwapenverordening;

(artikel 3 icm 11 van de Vuurwapenverordening)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

1. dat hij op of omstreeks 4 augustus 2015 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, daartoe met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) in/op en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] af te vuren, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid;

2. dat hij op of omstreeks 4 augustus 2015 in Aruba, voorhanden heeft gehad een vuurwapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening en/of scherpe patronen, in elk geval munitie als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Vuurwapenverordening;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de (navolgende) wettige bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een proces-verbaal van aanhouding van [verdachte 1] (bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 augustus 2015 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], [rang] en [rang] bij voornoemd korps, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Op 4 augustus 2015 omstreeks 22.25 uur werden wij naar de [straatnaam en huisnummer] gedirigeerd. Onderweg zagen wij een groep jongens vanuit het erf te [adres] wegrennen. Bij voornoemd perceel stond een groep mensen. Drie auto’s en de ruiten van de woning waren vernield. Wij spraken met [slachtoffer 2]. Hij vertelde dat hij met zijn familieleden voor het perceel stonden en dat zij op een gegeven moment zagen dat een groep jongens in hun richting kwam rennen en auto’s vernielde en de woning bekogelde met rotsen. Op een gegeven moment hoorde hij drie schoten. Ze renden allemaal naar binnen en toen hij de voordeur dicht wilde doen kreeg hij een schot in zijn linker handpalm. Ik, [verbalisant 2], constateerde een schot in zijn hand. Ik, [verbalisant 1], sprak met [slachtoffer 1]. Hij vertelde dat een groep jongens, waaronder [verdachte], hun had aangevallen en alles had vernield. Hij vertelde ook dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had en in de richting van [slachtoffer 2] had geschoten. [Slachtoffer 2] werd door een ambulance naar [ziekenhuis] vervoerd. Bij [ziekenhuis] overhandigde een verpleegkundige ons de bij [slachtoffer 2] uit zijn hand gehaalde kogel.

2. Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] (onder tabblad zaaksdossier P.H. [nummer], bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 augustus 2015 door [verbalisant], [rang] bij voormeld korps, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Vanavond was ik bij het huis van [verdachte 2]. De jongen genaamd [verdachte] zat op de patiomuur. [Verdachte] stond op en haalde een vuurwapen tevoorschijn. Hij richtte het vuurwapen op mij en zette het tegen mijn voorhoofd. Ik begon met [verdachte] te vechten om het vuurwapen van hem af te pakken. Ik ben daarna naar mijn huis te [straatnaam en huisnummer] gegaan. Thuis gekomen zag ik dat de auto van mijn zus helemaal vernield was. Tevens werd mijn huis met stenen bekogeld.

3. Een proces-verbaal van confrontatie (bijlage AH.[nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 augustus 2015 door [verbalisant] voornoemd, voor zover inhoudende, -zakelijk weer-gegeven-:

Aangever [slachtoffer 1] werd via een confrontatiespiegel geconfronteerd met [jongen]. Tijdens de confrontatie verklaarde hij dat de man met wie hij werd geconfronteerd niet [...] [verdachte] is die hem op 4 augustus 2015 met een vuurwapen had bedreigd en ook niet [...] [verdachte] die bij zijn woning in de groep jongens aanwezig was en geschoten had.

4. Een proces-verbaal van fotoconfrontatie (bijlage AH.[nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 augustus 2015 door [verbalisant], [rang] bij voormeld korps, met als bijlage een fotoblad, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Aan [slachtoffer 1] werd een fotoblad met zes foto’s, waaronder die van de verdachte, getoond. Hij herkende zonder aarzelen de verdachte op de foto gemerkt als nummer 4, als [...] [verdachte] met wie hij op de dag van het gebeurde had gevochten voor de woning van [verdachte 2] en dat deze [verdachte] een vuurwapen tevoorschijn had gehaald en dit op hem had gericht en tevens als de persoon die op de dag van het gebeurde bij zijn woning had geschoten.

5. Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte 2], pv nummer [nummer] (bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 5 augustus 2015 door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], [rang verbalisant 3] en [rang verbalisant 4] bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Gisteravond 4 augustus 2015 omstreeks 19.30 uur was ik thuis te [straatnaam en huisnummer]. Ik zag dat een jongen op de grond lag met een vuurwapen in zijn hand en deze omhoog hield, terwijl een andere jongen, die [slachtoffer 1] heet, het vuurwapen probeerde af te pakken. Hij lag bovenop de jongen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen afgepakt. De jongens renden weg. Ongeveer vijf minuten later zag ik een bende aan komen lopen. Toen de bende jongens voor mijn neus stond vroegen ze voor het pistool. Een van de jongens zei dat ik het pistool moest overhandigen anders zou er gespuugd worden (opmerking verbalisant: spugen is straattaal en het betekent dat er kogels zullen vallen). Een jongen pakte het pistool. Hierna is de bende weggegaan.

6. Een proces-verbaal van fotoconfrontatie (bijlage AH.[nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 augustus 2015 door [verbalisant] voornoemd, met als bijlage een fotoblad, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Aan [verdachte 2] werd een fotoblad met zes foto’s, waaronder die van de verdachte, getoond. Hij herkende zonder aarzelen de verdachte op de foto gemerkt als nummer 6, als de jongen die op de dag van het gebeurde met [slachtoffer 1] voor zijn woning had gevochten en die in het bezit was van een vuurwapen.

7. Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] (onder tabblad zaaksdossier P.H.[nummer], bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 augustus 2015 door [verbalisant] voornoemd, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Zonet werd de auto van [...] [zus slachtoffer 2] en mijn huis te [straatnaam en huisnummer] met stenen bekogeld en vernield. De politie kwam ter plaatse. Nadat de politie was weggegaan bleven wij, mijn familie en ik buiten staan. Op een gegeven moment kwam een groep jongens. De groep jongens begon ons met stenen en flessen te bekogelen. Wij renden allemaal mijn huis binnen. Toen ik de deur ging sluiten voelde ik iets aan mijn linker midden vinger. Ik voelde veel pijn aan deze vinger en het begon te bloeden. Bij de poli van [ziekenhuis] werd de kogel vanuit mijn vinger gehaald.

8. Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] (onder tabblad zaaksdossier P.H.[nummer], bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 augustus 2015 door [verbalisant] voornoemd, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

De avond van 4 augustus 2015 was de politie bij mijn huis te [straatnaam en huisnummer] gekomen nadat een groep jongens de auto van [...] [zus van aangever] had vernield en onze woning met stenen en flessen had bekogeld. Nadat de politie was weggegaan, bleven [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [zus van aangever] en haar drie kleine kinderen, [aanverwant van aangever] en [stiefouder van aangever] buiten voor de woning. Ik zag omstreeks 22.00 uur de groep jongens weer richting onze woning komen rennen. Ik zag dat [verdachte] een vuurwapen tevoorschijn haalde en hij schoot met dit vuurwapen in onze richting. Ik had ongeveer vijf knallen gehoord. Hierdoor renden [zus van aangever] en haar drie kinderen, [aanverwant van aangever], [stiefouder van aangever] en [slachtoffer 2] binnen onze woning. Op het moment dat [slachtoffer 2] de ingangsdeur van de woning aan het sluiten was, had één van de kogels van bedoeld vuurwapen hem tegen één van zijn vingers geraakt.

9. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] (bijlage [nummer]), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 12 augustus 2015 gesloten en getekend door [verbalisant] voornoemd, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Op 4 augustus 2015 was ik in de avond bij de woning [straatnaam en huisnummer]. Die avond was een groep jongens tweemaal bij de woning gekomen. De jongens hadden de auto van [...] [vriendin van getuige] vernield en de woning en ons bekogeld met stenen, flessen en balken. De politie was twee keer gekomen. Nadat de politie was weggegaan, stonden mijn vader, mijn moeder, [vriendin van getuige] en haar drie kinderen, [broer van vriendin], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en ik buiten de woning. Dezelfde groep jongens kwam weer terug. Ik zag dat [verdachte] een vuistvuurwapen tevoorschijn haalde en in onze richting begon te schieten. Op het moment dat [verdachte] het vuurwapen tevoorschijn haalde, hoorde ik [verdachte 1] tegen [verdachte] roepen “Tira nan, tira nan”. Ik hoorde drie knallen van dit vuurwapen afgaan. Eén afgevuurde kogel heeft een vinger van [slachtoffer 2] geraakt.

10. De verklaring van de verdachte, op 26 februari 2016 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik ben op 4 augustus 2015 naar de woning van [verdachte 2] gegaan. [Slachtoffer 1] was daar ook.

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Hij heeft verklaard dat hij de bewuste avond bij de woning van [verdachte 2] door [slachtoffer 1] werd aangevallen met een kapmes zonder dat hij in het bezit was van een vuurwapen, dat hij daarna naar huis is gegaan en dat hij die avond niet bij de woning te [straatnaam en huisnummer] is geweest. Het gerecht acht de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op de bewuste avond [slachtoffer 1] bij de woning van [verdachte 2] met een vuurwapen heeft bedreigd en daarna met een groep jongens naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en daar samen met die andere jongens auto’s en de woning heeft bekogeld met stenen en flessen. Er zijn die avond bij die woning meerdere confrontaties geweest. Bij de laatste confrontatie is geschoten, waarbij twee personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gewond zijn geraakt. Het gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten en hem daarbij heeft geraakt. De politie heeft in het proces-verbaal van aanhouding van [verdachte 1] (bijlage [nummer]) gerelateerd dat deze [slachtoffer 1] toen de politie na het schietincident ter plaatste kwam, aanvankelijk aan de politie heeft verklaard dat hij werd beschoten door een ander, namelijk [verdachte 1]. Hij heeft [verdachte 1], die op dat moment al was aangehouden, daarbij ook uitdrukkelijk aangewezen als schutter, toen hij hem in de transportwagen zag zitten, terwijl hij toen wel heeft verklaard dat de verdachte op [slachtoffer 2] had geschoten. Het gerecht heeft om die reden gerede twijfels bij de latere verklaring van [slachtoffer 1] zoals neergelegd in zijn aangifte, alsmede de verklaringen van [aangever] en [getuige] voor zover inhoudende dat de verdachte degene is geweest die (ook) op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Het gerecht acht op grond van de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen echter dat wel voldoende is komen vast te staan dat de verdachte die avond (ook) heeft geschoten, en wel in de richting van een groep mensen waartussen [slachtoffer 2] zich bevond en dat een van de door de verdachte afgevuurde kogels die [slachtoffer 2] daarbij in een vinger heeft geraakt.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de verklaringen van [aangever] en [getuige] op een belangrijk punt niet met elkaar overeen komen, omdat [aangever] heeft verklaard dat de verdachte het vuurwapen uit een tas haalde, terwijl [getuige] heeft verklaard dat de verdachte dit wapen uit zijn broeksband haalde, maar het gerecht ziet hierin geen aanleiding om de verklaringen onbetrouwbaar te achten voor zover zij inhouden dat de verdachte heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 2], te minder daar er voldoende steunbewijs voorhanden is.

De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het gerecht verwerpt dit betoog. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte, blijkens zijn gedraging, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een vuurwapen meermalen en gericht op een groep mensen, waaronder [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl dit slachtoffer zich binnen relatief korte afstand van de verdachte bevond en de woning in vluchtte. Eén van de kogels heeft het slachtoffer daarbij in zijn vinger geraakt op het moment dat hij de deur van de woning aan het sluiten was. In het algemeen geldt dat de kans dat een slachtoffer door deze gedraging van de verdachte zou kunnen overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De gedraging van de verdachte moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het doden van dit slachtoffer dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg willens en wetens heeft aanvaard, terwijl van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden niet is gebleken. Het gerecht acht dan ook voorwaardelijk opzet op de dood van dit slachtoffer wettig en overtuigend bewezen.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 jo. artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2

Overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, nog maar zestien jaar oud, heeft in het openbaar in de richting van een groep mensen geschoten, waarbij het slachtoffer in een vinger is geraakt. Het slachtoffer is door omstandigheden onafhankelijk van de wil van verdachte gelukkig niet dodelijk of anderszins ernstiger gewond geraakt. Het schietincident vond plaats bij een woning in bijzijn van veel mensen, waaronder kleine kinderen. Door dit feit is de rechtsorde ernstig geschokt en is de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Voorts leert de algemene ervaring dat slachtoffers van geweldsmisdrijven, naast het fysieke letsel, nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Feiten als het thans bewezenverklaarde veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, daar het feiten zijn met een agressief en gewelddadig karakter. Dit wordt versterkt doordat het feit zich in een voor het publiek toegankelijk gebied heeft afgespeeld. Voorts kan het voorhanden hebben van vuurwapens gevaarlijke situaties met zich brengen en veroorzaakt de aanwezigheid van vuurwapens ook op zichzelf al gevoelens van angst en onveiligheid. Het gerecht rekent verdachte dit zwaar aan.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Voorts houdt het gerecht ten voordele van de verdachte rekening met zijn jonge leeftijd en de moeilijke omstandigheden waaronder hij is opgegroeid blijkens het reclasseringsrapport. De officier van justitie heeft verzocht om conform artikel 1:158 Wetboek van Strafrecht het meerderjarigenstrafrecht toe te passen, maar het gerecht zal dit verzoek niet honoreren, omdat het gerecht daartoe geen grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan jeugddetentie van na te melden duur.

Het gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken.

9 Inbeslaggenomen voorwerp(en)

Het gerecht acht zich niet in staat te beslissen over de in beslag genomen tas.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:21, 1:62, 1:136, 1:164, 1:165, 1:180, 1:181, 1:182, 1:183 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van VIERENTWINTIG (24) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot ZES (6) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op DRIE (3) JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende die proeftijd de hierna gestelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering en Jeugdbescherming Aruba, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 1:183, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. Schoemaker en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 16 maart 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.