Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:196

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
A.R. no. 874 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Afwijzing beroep op wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 23 maart 2016

Behorend bij A.R. no. 874 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de hoofdzaak van:

1. de naamloze vennootschap

21 CARIBBEAN HOMEBUILDERS N.V.,

hierna ook te noemen: CHB,

en:

2. de naamloze vennootschap

KELKY GEEL REALTY N.V.,

hierna ook te noemen: KGR,

beiden gevestigd in Aruba,

eisers,

hierna gezamenlijk ook te noemen: CHB c.s.,

gemachtigde voor beiden (thans): de advocaat mr. R.T.J.M. Oomen,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

ATCO CONCRETE PRODUCTS N.V.,

hierna ook te noemen: ATCO,

en:

2. de naamloze vennootschap

ATCO ARUBA N.V.,

hierna ook te noemen: ATCOA,

beiden gevestigd in Aruba,

gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: ATCO c.s.,

gemachtigden voor beiden: de advocaten mrs. P.R.C. Brown en R.E. Blaauw,

en in het incident tot vrijwaring van:

1. de naamloze vennootschap

ATCO CONCRETE PRODUCTS N.V.,

hierna ook te noemen: ATCO,

en:

2. de naamloze vennootschap

ATCO ARUBA N.V.,

hierna ook te noemen: ATCOA,

beiden gevestigd in Aruba,

eisers in het incident,

hierna gezamenlijk ook te noemen: ATCO c.s.,

gemachtigden voor beiden: de advocaten mrs. P.R.C. Brown en R.E. Blaauw,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

21 CARIBBEAN HOMEBUILDERS N.V.,

hierna ook te noemen: CHB,

en:

2. de naamloze vennootschap

KELKY GEEL REALTY N.V.,

hierna ook te noemen: KGR,

beiden gevestigd in Aruba,

verweerders in het incident

hierna gezamenlijk ook te noemen: CHB c.s.,

gemachtigden voor beiden (thans): de advocaat mr. R.T.J.M. Oomen.

.

1 DE PROCEDURE

in de hoofdzaak en in het vrijwaringsincident

1.1

Het verloop van de procedure tot 14 januari 2015 blijkt uit het vonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

in de hoofdzaak

-de conclusie van antwoord, met producties;

-de conclusie van repliek, met producties;

-de conclusie van dupliek tevens houdende een verzoek tot het mogen houden van fysiek pleidooi, met producties.

1.2

Pleidooi heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Partijen zijn toen verschenen bij hun respectieve gemachtigden, die van CHB c.s. vergezeld door dhr. [A], dhr. [B] en dhr. [C] (directeur respectievelijk huisjurist en bestuurslid van CHB c.s.) en die van ATCO vergezeld door [X] (directeur van ATCO) en de bij ATCO werkzame dhr. [Y]. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden onder overlegging van pleitaantekeningen, die van CHB c.s. voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. CHB c.s. hebben in verband met de (voor hen in gelijke mate als voor ATCO) beschikbare spreektijd hun pleitnota voorgedragen tot en met sustenu 35. daarvan. Alle verdere onderdelen van die pleitnota blijven, als zijnde niet voorgedragen, buiten beschouwing.

in de hoofdzaak en in het vrijwaringsincident

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

in de hoofdzaak

2.1

Het Gerecht volhardt in de in het vonnis van 14 januari 2015 neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

Er zijn gronden gesteld waaruit volgt dat CHB c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het door hen verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van ATCO wordt daarom verworpen.

2.3

Vast staat tussen partijen dat [directeur 1] en [directeur 2] de directeuren zijn van en de enige economisch gerechtigden zijn tot CHB c.s., en dat die twee rechtspersonen ieder hun eigen rechten en plichten hebben, oftewel onderscheidenlijke rechtssubjecten zijn. Vast staat verder tussen partijen dat CHB de projectontwikkelaar is van het luxe in Aruba te […] gelegen condominiumcomplex [naam complex] (hierna: het complex) en dat KGR de aannemer is die dat complex in opdracht van CHB heeft gebouwd. Als de het complex bouwende aannemer heeft KGR beton besteld/gekocht bij en geleverd gekregen door ATCO. CHB c.s. stellen in dat verband dat ATCO zich jegens hen schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie en/of onrechtmatige daad omdat dat door haar geleverde beton een te hoog chloridegehalte (hierna: zoutgehalte) had als gevolg waarvan op grote schaal betonrot is ontstaan in het inmiddels opgeleverde complex als gevolg waarvan CHB c.s. schade hebben geleden en nog zullen lijden.

2.4

Tegen voormelde achtergrond stelt ATCO gemotiveerd en als meest verstrekkend met betrekking tot CHB dat zij geen vorderingsrecht heeft op ATCO en dat daarom de door CHB jegens ATCO ingestelde rechtsvorderingen moeten worden afgewezen. Dat verweer slaagt. Vast staat tussen partijen dat ATCO op bestelling van KGR beton heeft verkocht en geleverd aan KGR voor de bouw door KGR van het complex. Als dat beton niet deugde in de zin van een te hoog zoutgehalte zoals door CHB c.s. gesteld, heeft ATCO zich schuldig gemaakt aan wanprestatie jegens KGR en niet jegens CHB. Verder is gesteld noch gebleken waarom de levering van het beweerdelijk te zoute beton aan KGR een onrechtmatige daad oplevert jegens CHB. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als - wat dus niet is gesteld of gebleken - ATCO willens en wetens te zout beton had geleverd aan KGR teneinde CHB schade te berokkenen. Het enkele niet controleren door ATCO van het zoutgehalte van het door ATCO aan KGR geleverde beton (waarvan niet of onvoldoende bestreden is gesteld dat dit een gebruikelijke gang van zaken is in Aruba) betekent nog niet dat ATCO zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen jegens CHB. Eén en ander brengt mee dat de door CHB jegens ATCO ingestelde rechtsvorderingen zullen worden afgewezen.

2.5.1

Tegen de hiervoor onder 2.3 geschetste achtergrond stelt ATCO verder gemotiveerd en als meest verstrekkend met betrekking tot KGR dat ook zij geen vorderingsrecht heeft op ATCO en dat daarom ook de door KGR jegens ATCO ingestelde rechtsvorderingen moeten worden afgewezen. Ook dat verweer slaagt, onder meer omdat het, in het licht daarvan en in dat van het gegeven dat uit de eigen stellingen van CHB c.s. volgt dat nakoming niet blijvend onmogelijk was (want reparatie van de gestelde betonrot is volgens CHB c.s. mogelijk), op de weg had gelegen van CHB c.s. om meer te stellen dan dat KGR “wel degelijk is aangesproken door 21 Caribbean Homebuilders” (zie sustenu 51 van de conclusie van repliek). Gesteld noch gebleken is hoe precies, ter zake van wat precies en wanneer precies dat is gebeurd, en evenmin is gesteld of gebleken dat CHB KGR aansprakelijk heeft gesteld voor schade die CHB heeft geleden of nog zal lijden uit hoofde van mogelijke schadevorderingen van eigenaars van het (in appartementen gesplitste) complex die op hun beurt CHB op grond van wanprestatie (levering aan hen van een appartement of condominium dat niet aan de koopovereenkomst beantwoord) schadeaansprakelijk hebben gesteld of nog zullen stellen.

2.5.2

Daarbij komt dat CHB c.s. hun (impliciete) stelling, dat naast CHB ook KGR opdracht heeft gegeven aan het Amerikaanse bedrijf […] om de beweerdelijke betonproblemen te repareren volgens een zogenaamd “katodies beschermplan”, niet verificatoir hebben onderbouwd. Bovendien is tegen de achtergrond van de stelling van CHB c.s. dat de reparatiekosten tot april 2015 US$ 1.723.424,41 bedroegen gesteld noch gebleken dat KGR de kosten van die reparatie en die van nog te verrichten reparaties draagt of zal dragen. Dat klemt temeer omdat CHB en KGR enerzijds onderscheidenlijke rechtssubjecten zijn terwijl anderzijds [directeur 1] en [directeur 2] beiden de directeurs zijn van en de enige economisch gerechtigden zijn tot die rechtssubjecten die er om voor hen moverende redenen voor hebben gekozen om samen in rechte op te komen tegen ATCO (terwijl het meer voor de hand had gelegen dat CHB rechtsvorderingen had ingesteld jegens KGR, die - gezien haar stellingen in de onderhavige zaak - op haar beurt ATCO in vrijwaring had kunnen laten oproepen).

2.5.3

De slotsom te dezen luidt dat de stelling van CHB c.s., dat KGR schade heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het beweerdelijke door ATCO geleverde te zoute beton, in het licht van het te dien aanzien door ATCO gemotiveerd gevoerde verweer voldoende onderbouwing mist. Die stelling wordt daarom gepasseerd. Bij die stand van zaken ziet het Gerecht geen grond om ATCO te veroordelen tot vergoeding van door KGR geleden en nog te lijden schade, en zonder nadere uitleg - die ontbreekt - ziet het Gerecht bij die stand van zaken geen of onvoldoende zelfstandig belang van KGR bij de door haar verzochte verklaring voor recht dat ATCO wegens het leveren in de periode 2007 tot en met 2009 van ondeugdelijk beton en/of ondeugdelijke cementproducten ten behoeve van het complex aansprakelijk is voor de dientengevolge door KGR geleden en nog te lijden schade. De door KGR jegens ATCO ingestelde rechtsvorderingen zullen ook worden afgewezen.

2.6

CHB c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van ATCO, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 24.400,-- aan salaris voor de gemachtigden (4 punten van liquidatietarief 11, ad Afl. 6.100,-- per punt).

in het vrijwaringsincident

2.7

In de omstandigheid dat CHB c.s. het in de hoofdzaak goed hebben gevonden dat ATCOA haar jegens hen gerichte rechtsvorderingen in kon trekken onder compensatie van de proceskosten tussen partijen ziet het Gerecht grond om ook de incidentele proceskosten te compenseren tussen ATCOA en CHB c.s., aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

2.8

ATCO zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de incidentele proceskosten van CHB c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 900,-- aan salaris voor de gemachtigden (1 punt van liquidatietarief 5, ad Afl. 900,-- per punt).

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

in de hoofdzaak

-wijst af het door CHB c.s. gevorderde;

-veroordeelt CHB c.s. in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van ATCO, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 24.400,-- aan salaris voor de gemachtigden;

in het vrijwaringsincident

-veroordeelt ATCO in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van CHB c.s., tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 900,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-compenseert de incidentele proceskosten tussen ATCOA en CHB c.s., aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.