Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:191

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-03-2016
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
L.A.R. nr. 2335 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende gemotiveerd - beroep gegrond Bij schrijven van 27 augustus 2015 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie aan (de gemachtigde van) appellant medegedeeld dat zijn verzoek tot verkrijging van een taxivergunning niet voor inwilliging vatbaar is.

Verweerder heeft de onderhavige aanvraag afgewezen onder de motivering dat het maximum aantal te gebruiken morrijtuigen per taxivergunning reeds is bereikt. Verweerder is daar bij in strijd met het motiveringsbeginsel niet in gegaan op het door appellant uitdrukkelijk onderbouwde beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Nu de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd kan deze niet in stand blijven. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 maart 2016

L.A.R. nr. 2335 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[ appellant ],

wonende in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: de advocaat mr. A. Caster,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN TOERISME, TRANSPORT EN ARBEID,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mw. mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Op 9 januari 2013 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beschikking op zijn aanvraag van 19 september 2012 tot verkrijging van een taxivergunning.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift heeft appellant op 15 maart 2013 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Bij uitspraak van 18 september 2013 heeft het gerecht het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen het bezwaarschrift in handen te stellen van de bezwaaradviescommissie en vervolgens alsnog een reële beslissing te nemen op het bezwaarschrift.

Op 15 juli 2015 heeft de bezwaaradviescommissie verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en alsnog een reële beslissing te nemen op het verzoek van 19 september 2012.

Bij schrijven van 27 augustus 2015 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie aan (de gemachtigde van) appellant medegedeeld dat zijn verzoek van 19 september 2012 niet voor inwilliging vatbaar is.

Appellant heeft hiertegen op 7 oktober 2015 beroep ingesteld bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 februari 2016, alwaar partijen bij hun gemachtigden zijn verschenen. Hierna is uitspraak bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

De stelling van verweerder dat de brief van 27 augustus 2015 geen beschikking is in de zin van artikel 2, eerste lid van de LAR volgt het gerecht niet.

Het gerecht merkt het schrijven van 27 augustus 2015 aan als een beslissing op het bezwaarschrift van appellant van 15 maart 2013 en derhalve vatbaar voor beroep. Nu dit beroep voorts tijdig is ingesteld, is het ontvankelijk.

2.2

Bij beslissing van 11 november 2009 heeft verweerder een eerder verzoek van appellant om een taxivergunning afgewezen vanwege verzadiging van de markt en een dientengevolge ingesteld moratorium op nieuwe taxivergunningen. Bij beschikking van 5 juli 2010 heeft verweerder het daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2011 heeft dit Gerecht het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.3

Uit vaste rechtspraak vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.4

Appellant heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat verweerder na de uitspraak van 26 januari 2011 opnieuw taxivergunningen heeft verleend hetgeen volgens appellant aangemerkt dient te worden als een novum.

2.5

Door verweerder is niet betwist dat het moratorium op de verlening van taxivergunningen in 2012 (tijdelijk) is geschorst en het aantal toegestane vergunningen is verhoogd en dat vervolgens op grond daarvan 40 nieuwe taxivergunningen zijn verleend. Alleen al daarom kan niet worden geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarvan op voorhand duidelijk is dat deze niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Het gerecht zal dan ook overgaan tot inhoudelijke beoordeling van het beroep.

2.6.

Verweerder heeft de onderhavige aanvraag afgewezen onder de motivering dat het maximum aantal te gebruiken morrijtuigen per taxivergunning reeds is bereikt. Verweerder is daar bij in strijd met het motiveringsbeginsel niet in gegaan op het door appellant uitdrukkelijk onderbouwde beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Nu de bestreden beslissing onvoldoende is gemotiveerd kan deze niet in stand blijven

Het beroep is gegrond.

2.7

Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op

Afl. 1.000,--.

2.8

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden afwijzende beslissing op het bezwaarschrift;

bepaalt dat verweerder binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van het advies van de bezwaaradviescommissie van 15 juli 2015 en hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellant voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.000,--;

gelast verweerder tot teruggave van het door appellant gestorte griffiegeld van Afl. 25,-.

Deze beslissing werd gegeven door mr. M.T. Paulides, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 21 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).