Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2016:156

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
A.R. nr. 256 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, studielening (schuldvordering)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 maart 2016

Behorend bij A.R. nr. 256 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP, DIENST UITVOERING ONDERWIJS,

zetelend in Nederland,

eiser,

hierna ook te noemen: de Staat,

gemachtigde: de advocaat mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen:

[naam],

wonende in Aruba te [adres],

gedaagde,

hierna ook te noemen: G*,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 19 augustus 2015 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-de door G* genomen akte;

-de door de Staat genomen antwoordakte, met producties.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen. De door de Staat bij zijn akte overgelegde producties blijven buiten beschouwing, althans kunnen niet tegen G* worden gebruikt, omdat G* niet meer heeft kunnen reageren op die producties.

2.2

G* heeft bij akte een historisch overzicht getrokken uit de Registers van de Burgerlijke Stand van Aruba (hierna: de Censo) overgelegd waaruit blijkt op welke adressen zij vanaf 13 oktober 1988 tot en met 21 juli 2015 heeft gewoond, althans stond ingeschreven bij de Censo (hierna: het overzicht). Vast staat tussen partijen dat G* bij het aangaan van haar studielening aan de Staat als adres heeft opgegeven [adres x] Aruba, en dat G* sindsdien geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de Staat. Uit het overzicht blijkt dat G* van 8 oktober 1991 tot 15 januari 2008 woonachtig was op dat door haar aan de Staat doorgegeven adres, althans dat zij op dat adres als woonachtig stond ingeschreven bij de Censo. Na 15 oktober 2008 was G* niet langer woonachtig op het door haar aan de Staat doorgegeven adres, maar was G* woonachtig op verschillende andere adressen, althans stond zij bij de Censo op verschillende andere adressen als woonachtig ingeschreven. Vast staat verder dat G* contractueel gehouden was om iedere adreswijziging door te geven aan de Staat, hetgeen overigens ook voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid, welke maatstaven krachtens het eerste lid van artikel 6:2 BW de verhouding tussen partijen beheersen. In dit opzicht heeft G* zich jegens de Staat schuldig gemaakt aan wanprestatie.

2.3

Die wanprestatie kan de Staat echter niet baten, omdat geen van de door hem (tijdig) overgelegde aanmaningen is verstuurd naar het door G* aan de Staat ongewijzigd doorgegeven adres, te weten [adres x] Aruba. Als de Staat zijn aanmaningen wel naar dat adres had gestuurd, zou niet gezegd kunnen worden dat hij zinloze buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht (zie in dit verband rechtsoverweging 3.2.2 van het tussenvonnis van 19 augustus 2015). Nu alle overige (in dit geding toegelaten) aanmaningen niet naar een adres of adressen zijn gestuurd alwaar G* als woonachtig stond ingeschreven bij de Censo, kan ook dienaangaande niet worden vastgesteld dat de Staat zinvolle buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht.

2.4

De slotsom ter zake van de door de Staat gevorderde buitengerechtelijk incassokosten luidt dat die vordering zal worden afgewezen. Niet is vast komen te staan immers dat er meer (zinvolle) buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft.

2.5

Ten overvloede wordt nog overwogen dat de twee niet tot dit geding toegelaten alsnog door de Staat overgelegde aanmaningen wel naar adressen lijken te zijn gestuurd alwaar G* telkens als woonachtig stond ingeschreven bij de Censo, maar die twee waarschijnlijk wel zinvolle aanmaningen vallen zonder meer binnen het bereik van voormeld artikel 63a BW.

2.6

Mede onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.5 van het tussenvonnis van 13 mei 2015 zal G*, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de Staat, tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 223,45 + 189,62 =) Afl. 863,07 aan verschotten en Afl. 800,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van liquidatietarief 3, ad Afl. 400,-- per punt). Daarbij heeft te gelden dat er geen half punt wordt toegekend voor de door de Staat genomen akte, nu op zijn aandringen partijen zich bij akte hebben uitgelaten terwijl dat voor de Staat niets heeft opgeleverd.

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt G* om tegen kwijting aan de Staat te betalen € 2.918,34, althans het equivalent daarvan in Arubaans courant, (zijnde de hoofdsom ad € 2.681,64 vermeerderd met de tot en met 21 november 2014 verschenen rente ad € 236,70), te vermeerderen met wettelijke rente over € 2.681,64, althans het equivalent daarvan in Arubaans courant, gerekend vanaf 24 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

-veroordeelt G* in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de Staat, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 863,07 aan verschotten en Afl. 800,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 maart 2016 in aanwezigheid van de griffier.