Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:87

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
GAZA nr. 1238 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 15 juni 2015

GAZA nr. 1238 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar in de zin van

de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

A,

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: de heer A. Lumenier (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 23 mei 2014, no. 1, heeft verweerder klaagster met ingang van de dag na dagtekening van dit Landsbesluit in het belang van de dienst in haar ambt geschorst, tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging.

Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking) heeft verzoekster op 27 mei 2014 bezwaar gemaakt bij het gerecht.

Tevens heeft zij aan het gerecht verzocht een voorziening bij voorraad te treffen als bedoeld in artikel 94 van de La. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2014 is de bestreden beschikking geschorst.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 november 2014, alwaar zijn verschenen klaagster in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster kan zich niet verenigen met de haar opgelegde schorsing en stelt zich daarbij op het standpunt dat zij zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen haar in de bestreden beschikking wordt verweten, zodat de bestreden beschikking van elke rechtvaardiging is ontbloot. Voorts meent zij dat een dergelijke maatregel uiterst diffamerend is.

2.2

De in de bestreden beschikking vervatte schorsing is gebaseerd op artikel 87, aanhef en onder c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma). Volgens deze bepaling kan, onverminderd het bepaalde in artikel 82 van de Lma, de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst dat vordert. Het gaat hier derhalve om de bevoegdheid van het bevoegde gezag om een ordemaatregel te treffen. Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel1.

2.3

Het gerecht stelt als eerste vast dat de (geschorste) schorsing als ordemaatregel heeft geduurd tot 11 november 2014, zijnde de datum waarop verweerder aan klaagster een disciplinaire straf heeft opgelegd, zodat een eventuele ongegrondverklaring van het bezwaar er niet toe zal leiden dat alsnog uitvoering kan worden gegeven aan deze schorsing. Het gerecht zal echter, nu verweerder hierover geen verweer heeft gevoerd, in het midden laten of klaagster voldoende procesbelang heeft bij onderhavige zaak.

2.4

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat schorsing door het belang van de dienst wordt gevorderd, gaat het gerecht uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.4.1

Klaagster was ambtenaar bij de Directie Financiën in de functie van .....

2.4.2

In de bestreden beschikking overweegt verweerder dat van de Directeur van de Directie Financiën is vernomen dat er in de Afdeling voornemens bestaan om over te gaan tot nieuwe acties waardoor de continuïteit van de payroll kan worden belemmerd, dat klaagster daarin een leidende rol heeft, hetgeen ook het geval was gedurende de geplande acties (gezamenlijk ziekmelden) in maart en juni 2013, dat naar aanleiding hiervan een disciplinair onderzoek is gestart om te bepalen of klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, dat gezien de ernst van de verdenkingen tegen klaagster en naar aanleiding van haar (vermoedelijke) handelen er ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van haar integriteit, dat omwille van het vaststellen van haar rol in het gesignaleerde ongeoorloofde verzuim/plichtsverzuim door de schorsing de kans wordt geboden om ruimte te scheppen om haar te scheiden van de rest van de kennelijke actiegroep.

2.4.3

Bij Landsbesluit van 23 september 2014, no. 1 (DRH/857-C), is klaagster met ingang van 23 september 2014 uit de functie van ….. ontheven met behoud van rang en bezoldiging. Bij Landsbesluit van 11 november 2014, no. 16 (DRH/857 Geh), is aan klaagster de disciplinaire straf van gedeeltelijke inhouding van het inkomen ten bedrage van Afl. 1.000,- opgelegd. Tegen voornoemde Landsbesluiten heeft klaagster bezwaar gemaakt.

2.5

Het gerecht stelt voorts vast dat het vermoeden dat aanleiding gaf tot de schorsing voldoende concreet is omschreven in de bestreden beschikking. Dit vindt ook bevestiging in het feit dat klaagster in haar bezwaarschrift geen inhoudelijke vraagtekens heeft geplaatst bij de omschrijving van het vermoedelijk plichtsverzuim.

Verder overweegt het gerecht dat de informatie waarop de verdenking is gebaseerd, voldoende reëel en ernstig is. Daarbij neemt het gerecht de volgende door verweerder overgelegde producties, in aanmerking:

(1) het onderzoek door de DRH van juli 2013, waaruit blijkt dat in maart en juni 2013 alle medewerkers van de Afdeling van de Directie Financiën, inclusief de chef zich op dezelfde dag (dag van afsluiting van de payroll) hebben ziek gemeld, dat deze medewerkers hebben toegegeven dat het een verenigde inspanning van hun kant was om te protesteren tegen – kort samengevat – het negeren door de directie van diverse rechtspositionele kwesties en dat de chef heeft toegegeven dat zij het protest, op verzoek van haar medewerkers om begeleiding, heeft gecoördineerd;

(2) het advies van de directeur van de Directie Financiën aan de minister van Financiën van 25 februari 2014, waarin de directeur schrijft dat vanuit de Afdeling is vernomen dat het voornemen bestaat om over te gaan tot nieuwe acties.

2.6

Klaagster heeft gedurende onderhavige procedure ontkend enige rol bij de acties in 2013 te hebben gespeeld en enig voornemen te hebben om een dergelijke actie te organiseren of daaraan deel te nemen. Deze (blote) ontkenning wordt echter niet gesteund door het hierboven aangehaalde onderzoek en advies.

2.7

Naar het oordeel van het gerecht gaat het in deze om een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, zodat schorsing gedurende het disciplinaire onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht. Daarbij weegt mee dat niet alleen de gerezen twijfels aan de integriteit, maar ook de gerechtvaardigde wens om buiten aanwezigheid van klaagster (disciplinair) onderzoek te doen, grondslag vormden voor deze ordemaatregel.

2.8

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gelet hierop, geen wettelijke grondslag.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van maandag, 15 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).

1 Zie bv. Centrale Raad van Beroep d.d. 16 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8683