Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:608

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
BBZ nr. 69230 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invoerrechten & Accijnzen. In geschil is het vastgestelde bedrag van de Uitnodiging tot betalen (UTB). Tot welk bedrag aan UTB leidt het vermis dat zich voordoet bij het entrepot van belanghebbende? Belanghebbende stelt dat de UTB Afl. 49.153,71 dient te bedragen. De Inspecteur heeft de UTB op Afl. 123.302,59 gesteld. Het Gerecht oordeel dat belanghebbende, op wie de last rust aannemelijk te maken wat de administratieve voorraad van door haar in entrepot gehouden goederen op een bepaald moment is, niet in het op haar rustende bewijs is geslaagd. Ook de stelling dat de als vermis aangemerkte goederen nog in het entrepot aanwezig zijn, wordt door het Gerecht verworpen. Het gelijk is aan de Inspecteur. Het Gerecht stelt de UTB vast op Afl. 123.302,59.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 oktober 2015

BBZ nr. 69230 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

X,

BELANGHEBBENDE,

gemachtigde: mr. A,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN,

zetelend in Aruba, hierna te noemen: de Inspecteur,

gemachtigde: mr. B

1 PROCESVERLOOP

1.1

Met dagtekening 27 november 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) gedaan van Afl. 21.883,60 aan Invoerrechten en Afl. 227.009,05 aan Accijns op gedistilleerd, tezamen Afl. 248.892,65.

1.2.

Op 23 december 2013 heeft belanghebbende bezwaar ingesteld tegen deze UTB.

1.3

Bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2014 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft belanghebbende op 22 april 2014 beroep ingesteld.

1.5

De Inspecteur heeft 12 februari 2015 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift heeft de Inspecteur geconcludeerd tot een verschuldigd bedrag van in totaal Afl. 157.370,79

1.6

De zaak is behandeld ter zitting van 24 maart 2015, waarbij zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende vergezeld van C en namens de Inspecteur mr. B, D en E. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De zaak is ter zitting aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te geven nader met elkaar te overleggen.

1.7

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 5 juni 2015, waarbij zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en C en namens de Inspecteur mr. B. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2 FEITEN

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende exploiteert een douane entrepot aan de Y te Z (hierna: het entrepot). Belanghebbende beschikt daarvoor over een entrepotvergunning, waarin de voorwaarden zijn opgenomen voor het beheren van het entrepot. Met betrekking tot de goederenvoorraadadministratie is daarin een specificatie opgenomen van de wijze waarop goederen die worden in- en uitgeslagen moeten worden geadministreerd. Dat dient te geschieden door per goederensoort naar volume de in- en uitslag te noteren, waarbij de in- en uitslag zijn gedekt door documenten. De betreffende depotvergunning is inmiddels ingetrokken.

2.2

Bij brief van 19 november 2012 wordt een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd en bij brief van 13 maart 2013 wordt aan belanghebbende meegedeeld welke gegevens hij in het kader van het boekenonderzoek over moet leggen.

Bij brief van 30 oktober 2013 is aan belanghebbende een lijst overhandigd van ontbrekende documenten, van uitslagdocumenten die niet overeenkomen met de opslagdocumenten, van uitslagdocumenten die niet gerelateerd kunnen worden aan een opslagdocument en van “short shipped” goederen die niet zijn verwerkt op de opslagdocumenten, met het verzoek uiterlijk 15 november 2013 de ontbrekende gegevens over te leggen.

2.3

Op 27 november 2013 is aan belanghebbende het controlerapport toegezonden alsmede een UTB wegens geconstateerd vermis, voor welk vermis belanghebbende aansprakelijk wordt geacht.

3 GESCHIL

3.1

Tussen partijen is, na de tweede mondelinge behandeling, in geschil of het vermis dat zich voordoet bij het entrepot van belanghebbende leidt tot een UTB van Afl. 123.302,59, standpunt Inspecteur, dan wel tot een UTB van Afl. 49.153,71 standpunt belanghebbende.

4 DE STANPUNTEN VAN PARTIJEN

4.1

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij op beide zittingen hebben bijgebracht.

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de omvang van het vermis ten hoogste kan leiden tot een UTB van Afl. 49.153,71.

Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur ten onrechte niet bereid is om samen met hem in overleg de geconstateerde verschillen, die leiden tot het door de Inspecteur geconstateerde vermis, op te lossen.

4.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de administratie van belanghebbende in strijd met de gestelde voorwaarden niet op de juiste wijze is bijgehouden en dat tientallen uitslagdocumenten ter aanzuivering van diverse opslagdocumenten niet konden worden overgelegd. Het niet-verantwoorde voorraadverschil is terecht als vermissing in de zin van de Landsverordening in,- uit,- en doorvoer aangemerkt. Voor deze vermissing is belanghebbende als entrepothouder terecht aansprakelijk gesteld.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

5.1

De Inspecteur heeft naar aanleiding van een ingestelde controle een UTB aan belanghebbende doen uitgaan wegens vermis, zijnde uitslag zonder geldige documenten en zonder betaling van verschuldigde rechten van goederen die volgens de administratie van belanghebbende nog aanwezig zouden moeten zijn maar fysiek niet aanwezig waren in het entrepot.

5.2

Belanghebbende bestrijdt dat het gemis zich voordoet in de omvang zoals door de Inspecteur is gesteld na de tweede behandeling ter zitting. Belanghebbende stelt onder meer dat een deel van de door de Inspecteur als vermis gekenschetste goederen nog steeds in entrepot aanwezig is, dat een deel van het vermis verklaard kan worden uit het feit dat goederen met andere schepen zijn aan- en/of afgevoerd dan uit de papieren blijkt en dat goederen in een ander entrepot zijn opgeslagen dan in het entrepot van belanghebbende.

5.3

Belanghebbende tracht bewijs te leveren op een andere wijze dan is voorgeschreven in de gestelde voorwaarden bij de entrepotvergunning. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of het een entrepothouder vrijstaat bewijs te leveren van de in zijn entrepot gehouden goederen op een andere wijze dan in de hem verleende vergunning is voorzien, is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende, op wie de last rust aannemelijk te maken wat de administratieve voorraad van door haar in entrepot gehouden goederen op een bepaald moment is, in het op hem rustende bewijs niet is geslaagd.

Met name kunnen als zodanig bewijs niet gelden de geleide-terugzendingsexemplaren waarvan de inspecteur onweersproken heeft geconstateerd dat dit kopieën betreffen die bewerkt kunnen zijn en daarna weer werden gekopieerd, en evenmin kunnen als bewijs gelden de geleide-terugzendingsexemplaren die niet voorzien zijn van de vereiste aantekening respectievelijk afwijken van de eigen gegevens van belanghebbende. Ook belanghebbendes stelling dat de als vermis gekenschetste goederen nog in entrepot aanwezig zijn, wordt, tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door de Inspecteur, en als door belanghebbende op geen enkele wijze onderbouwd, door het Gerecht verworpen.

5.4

Belanghebbendes grief dat de Inspecteur weigert om in overleg te treden over de geconstateerde verschillen treft evenmin doel; er is een aantal malen overleg gevoerd tussen partijen, hetgeen heeft geresulteerd in de verminderingen van de UTB zoals hiervoor vermeld onder 1.5 en 3.1.

5.5

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is; het beroep is gegrond voor zover de UTB nog verlaagd moet worden tot het door de Inspecteur na de tweede mondelinge behandeling voorgestane bedrag van Afl. 123.302,59. Het Gerecht zal zekerheidshalve de UTB dienovereenkomstig verminderen.

6 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep gegrond

en

stelt de UTB vast op Afl. 123.302,59.

Deze uitspraak is gegeven door mr. G.J. van Muijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).