Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:548

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
L.A.R. no. 2911 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Openbaarheid van Bestuur (LOB). Verzoek van documenten met betrekking tot de gunning van het hotelproject op de locatie van het oude Bushiri-hotel. Art. 2 en 8 van de LOB.

Verweerder heeft op 5 maart 2014 een groot aantal stukken met betrekking tot bedoeld project aan appellant verstrekt.

Verweerder heeft zijn beslissing om de verzochte documenten niet te verstrekken gemotiveerd door een ‘Corporate Agreement’ te hebben gesloten die het verstrekken van de verzochte documenten aan appellant in de weg staan zonder schriftelijke toestemming van de daarbij betrokken partijen, vanwege de daarin opgenomen boeteclausule die openbaarmaking van het document sanctioneert met een boete. Openbaarmaking van het document zou om die reden niet opwegen tegen de economische of financiële belangen van het Land.

Bepalend is of ten aanzien van de “Corporate Agreement” één van de in artikel 8 van de LOB genoemde weigeringsgronden zich voordoet, met name of dit document bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door de daarbij betrokken rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, van de LOB.

Het gerecht overweegt dat de bedrijfsgegevens opgenomen in de overeenkomst, die, zoals blijkt uit de begeleidende brief bij de overeenkomst, vertrouwelijk aan verweerder is verstrekt, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens in de zin van artikel 8, eerste lid, onder d, van de LOB. De desbetreffende overeenkomst bevat immers (gevoelige) financiële bedrijfsinformatie die bij openbaarmaking daarvan, nadelige gevolgen kan hebben voor de bij de overeenkomst betrokken partijen. Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht, zij het op een andere grond, heeft geweigerd het document “Corporate Agreement” openbaar te maken.

Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 23 november 2015.

L.A.R. no. 2911 van 2014.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[ xxxx ],

wonende in Aruba,

APPELLANT,

procederende in persoon,

gericht tegen:

de Minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ)

1 PROCESVERLOOP:

1.1

Bij uitspraak van dit gerecht van 20 januari 2014 is verweerder gelast om binnen twee maanden na de dagtekening van die uitspraak, een reële beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het uitblijven van een beschikking op zijn verzoek van 19 februari 2013 om openbaarmaking op grond van de Landsverordening Openbaarheid van Bestuur (LOB) van documenten met betrekking tot de gunning van het hotelproject op de locatie van het oude Bushiri-hotel.

1.2

Verweerder heeft op 5 maart 2014 een groot aantal stukken met betrekking tot bedoeld project aan appellant verstrekt.

1.3

Hiertegen heeft appellant bij verweerder een bezwaarschift d.d. 16 april 2014 ingediend, waarin hij tevens heeft verzocht hem alsnog een negental ontbrekende stukken te verstrekken.

1.4

Verweerder heeft op 7 juli 2014 alsnog vijf van de negen verzochte stukken verstrekt en uitgelegd waarom de resterende (vier) stukken (waaronder de “Transfer of Shares Agreement”) niet (kunnen) worden verstrekt.

1.5

Hiertegen heeft appellant vervolgens een bezwaarschrift van 15 juli 2014 ingediend, waarbij hij verweerder nogmaals heeft verzocht alsnog over te gaan tot het verstrekken van (met name) de “Transfer of Shares Agreement”.

1.6

Tegen het uitblijven van een beslissing op bovenvermeld bezwaarschrift heeft appellant beroep ingesteld door indiening van een beroepschrift bij dit gerecht op 21 november 2014.

1.7

Verweerder heeft op 2 februari 2015 een verweerschrift ingediend.

1.8

De zaak is behandeld ter zitting van 29 juni 2015, alwaar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. H. Croes en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1.9

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN:

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.1

Verweerder heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van appellant, daartoe stellende dat appellant tegen de beslissing op bezwaar van 5 maart 2014, die is genomen ter uitvoering van de uitspraak van dit gerecht van 20 januari 2014, beroep had moeten instellen in plaats van bezwaar. Deze fout kan hij niet herstellen door dat bezwaarschrift nu “verzoekschrift” te noemen, aldus verweerder.

2.2

Het gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Lar kan degene die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, 14, tweede lid, of 20, daartegen beroep instellen bij het gerecht.

2.3

Met verweerder is het gerecht van oordeel dat het op 16 april 2014 bij verweerder ingediende “bezwaarschrift inzake beslissing d.d. 5 maart 2014” geen bezwaar of nieuw verzoek behelst, nu het is gericht tegen een op bezwaar genomen beslissing. Dit geschrift dient derhalve te worden aangemerkt als een beroepschrift. Aan de orde is dan de vraag of op een bestuursorgaan de verplichting rust om bezwaarschriften die ten onrechte bij hem zijn ingediend en als beroepschriften dienen te worden aangemerkt, door te zenden naar het gerecht. Het gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.4

Vooropgesteld zij dat de Lar een bepaling als artikel 6:15, tweede lid van de Algemene Wet Bestuursrecht, op grond waarvan een onbevoegd bestuursorgaan een bezwaarschrift dat in plaats van een beroepschrift bij hem is ingediend, door moet zenden aan de bevoegde bestuursrechter, niet kent. Het gerecht overweegt voorts dat de Lar ook niet voorziet in gevallen waarin een bezwaarschrift wordt ingediend tegen een beslissing waartegen beroep bij het gerecht openstaat. Evenwel acht het gerecht het in een geval als dit – waarin op de beslissing op bezwaar geen rechtsmiddelenclausule staat vermeld – in verband met de jegens de indiener te betrachten zorgvuldigheid geboden, dat het orgaan in overleg met de indiener het geschrift ter behandeling als beroepschrift doorzendt naar het gerecht. In een zodanig geval zal het geschrift worden behandeld als een bij het gerecht ingesteld beroep en wordt het geacht bij het gerecht te zijn ingekomen op het tijdstip waarop het bij bedoeld orgaan is ingediend. De omstandigheid dat verweerder niet aldus heeft gehandeld, staat niet in de weg aan een behandeling van het betrokken bezwaarschrift als beroepschrift in de zin van de Lar tegen bovenbedoelde beslissing op bezwaar. (zie ook uitspraak Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 7 december 1979, AB 1980, 264)

2.5

Gelet op het bovenstaande dient de op 16 april 2014 ingediende bezwaarschrift als beroepschrift te worden aangemerkt, die tijdig is ingediend. Appellant is derhalve ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep

2.6

Het geschil tussen partijen beperkt zich thans tot de weigering van verweerder om aan appellant te verstrekken de door appellant verzochte ‘Transfer of Shares Agreement’ (tussen BancTrust en Southwest Horeca Development) en de ‘Corporate Agreement’.

2.7

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de LOB kan een ieder de Minister schriftelijk verzoeken om informatie, neergelegd in documenten.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de LOB blijft – voor zover hier van belang – het verstrekken van informatie achterwege, voor zover dit:

(…)

d. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel blijft het verstrekken van informatie voorts achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen een van de navolgende belangen:

a. de economische of financiële belangen van het Land;

(…)

2.8

Verweerder heeft zijn beslissing om de verzochte documenten niet te verstrekken gemotiveerd als volgt: De documenten waar appellant naar refereert zijn vervat in één document, namelijk de ‘Corporate Agreement’ die niet aan appellant kan worden verstrekt zonder schriftelijke toestemming van de daarbij betrokken partijen, vanwege de daarin opgenomen boeteclausule die openbaarmaking van het document sanctioneert met een boete. Openbaarmaking van het document zou om die reden niet opwegen tegen de economische of financiële belangen van het Land.

2.9

Door verweerder is ter zitting een kopie van het document genaamd ‘Corporate Agreement’ onder embargo overgelegd. Uit de aanbiedingsbrief van het document, blijkt dat betrokken partijen niet willen dat de tussen hen bestaande overeenkomst openbaar wordt gemaakt. Uit de overeenkomst blijkt dat dit een vennootschappelijke overeenkomst betreft conform artikel 2:127 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao. De vennootschappelijke overeenkomst betreft een aandeelhoudersovereenkomst die zowel verbintenisrechtelijke als vennootschapsrechtelijke werking toekomt (dus zowel een ‘shareholders’ als ‘corporate’ agreement betreft). Verweerder heeft zich – onvoldoende weersproken – op het standpunt gesteld dat dit dan ook het enige document is betreffende een overeenkomst, dat hij onder zich heeft. Het gerecht zal aan de hand van de inhoud van dit document bepalen of verweerder terecht heeft geweigerd dit document openbaar te maken.

2.10

Ten aanzien van de stelling van verweerder dat de in de overeenkomst opgenomen boeteclausule openbaarmaking van het document sanctioneert met een boete, overweegt het gerecht als volgt. Uit de overeenkomst blijkt dat de daarin opgenomen boeteclausule betrekking heeft op de partijen bij die overeenkomst en de aan die partijen geaffilieerde partijen (‘Affiliated Parties’). Vaststaat dat verweerder partij noch geaffilieerde partij is bij de overeenkomst. Het gerecht acht de boeteclausule opgenomen in de overeenkomst dan ook niet van toepassing op verweerder, waardoor verweerder zich hier niet op kan beroepen. De gegeven motivering kan de beslissing dan ook niet dragen.

2.11

Hiermee is echter niet gezegd dat bedoeld document openbaar dient te worden gemaakt. Bepalend voor de beantwoording van die vraag is naar het oordeel van het gerecht of ten aanzien van de “Corporate Agreement” één van de in artikel 8 van de LOB genoemde weigeringsgronden zich voordoet, met name of dit document bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door de daarbij betrokken rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, van de LOB. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), is van bedrijfs-en fabricagegegevens slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook acht de Afdeling dat gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens kunnen worden aangemerkt.1

Het gerecht overweegt dat de bedrijfsgegevens opgenomen in de overeenkomst, die, zoals blijkt uit de begeleidende brief bij de overeenkomst, vertrouwelijk aan verweerder is verstrekt, kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgegevens in de zin van artikel 8, eerste lid, onder d, van de LOB. De desbetreffende overeenkomst bevat immers (gevoelige) financiële bedrijfsinformatie die bij openbaarmaking daarvan, nadelige gevolgen kan hebben voor de bij de overeenkomst betrokken partijen.

Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat verweerder terecht, zij het op een andere grond, heeft geweigerd het document “Corporate Agreement” openbaar te maken.

2.12

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

2.13

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).

1 Raad van State, 11 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9270.