Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:546

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
LAR nr. 2716 van 2014
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzend besluit bij een aanvraag om verlening van een hotelvergunning ten behoeve van de uitbreiding van een hotel met 200 kamers. Art. 2, 8, 10, 19, 26 en 28 van de Vergunningverordening.

Appellante beschikt niet over de gronden (en daarmee over de lokaliteit) waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft. Derhalve wordt niet voldaan aan de vereiste gesteld in artikel 28 van de vergunningsverordening.

De vraag of de uitgifte van die domeingronden ten onrechte achterwege is gebleven, is geen voorwerp van het onderhavige geding. De beslissing van het Land Aruba tot het al dan niet uitgeven van domeingrond in erfpacht is een rechtshandeling naar burgerlijk recht. De vraag naar de rechtmatigheid daarvan dient appellante aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 9 november 2015

LAR nr. 2716 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

de naamloze vennootschap

[ xxx ] N.V.,

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de advocaat mr. A.F. Kuster,

gericht tegen:

de minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 25 maart 2014 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om verlening van een hotelvergunning ten behoeve van de uitbreiding van het door haar te Noord geëxploiteerde hotel met 200 kamers.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 30 april 2014 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij beschikking van 22 september 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft appellante op 31 oktober 2014 beroep ingesteld bij het gerecht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 juni 2015 mei 2015, alwaar partijen zijn verschenen bij gemachtigde. De uitspraak op het beroep is aangehouden teneinde partijen de gelegenheid te bieden te trachten tot een minnelijke regeling te komen. Op 17 augustus 2015 hebben partijen aan het gerecht verzocht uitspraak te doen. Uitspraak is vervolgens nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Vergunningsverordening mag de verkoop van sterke drank niet plaatsvinden dan krachtens en anders dan overeenkomstig een vergunning of toestemming, verleend op grond van deze landsverordening.

Ingevolge het tweede lid mag de verkoop van zwak-alcoholische drank in het klein niet plaatsvinden dan krachtens en anders dan overeenkomstig een vergunning of toestemming, verleend op grond van deze landsverordening.

Ingevolge het derde lid mag de verkoop van spijzen, alcoholvrije drank, voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel, in het klein voor gebruik ter plaatse, niet anders plaatsvinden dan krachtens en anders dan overeenkomstig een vergunning of toestemming, verleend op grond van deze landsverordening.

Ingevolge het vierde lid wordt onder verkoop mede begrepen het ten verkoop aanbieden, het kennelijk ten verkoop uitstallen en het kennelijk ten verkoop in voorraad hebben.

Ingevolge het vijfde lid mag het verlenen van huisvesting met bediening tegen vergoeding in een hotel of logement niet plaatsvinden dan krachtens en anders dan overeenkomstig een vergunning, verleend op grond van deze landsverordening.

2.2

Ingevolge artikel 8 van de Vergunningsverordening worden bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met betrekking tot ruimte, licht, ramen, inrichting en luchtverversing eisen gesteld, waaraan een lokaliteit moet voldoen om voor een der in de artikelen 10 tot en met 18 genoemde vergunningen in aanmerking te kunnen komen.

2.3

Ingevolge artikel 10 van de Vergunningsverordening geeft een hotelvergunning de houder recht tot:

a. het houden van een hotel;

b. de verkoop in het klein van sterke, zwak-alcoholische en alcohol-vrije drank, voor consumptie bestemd ijs of soortgelijk artikel en/of spijzen voor gebruik ter plaatse voor welke de vergunning geldt.

2.4

Ingevolge artikel 19 van de Vergunningsverordening berust de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren en intrekken van een vergunning of een toestemming bij de minister, belast met volksgezondheid.

2.5

Ingevolge artikel 26 van de Vergunningsverordening wordt een vergunning niet verleend, dan nadat gebleken is dat aan de eisen, vastgesteld ingevolge artikel 8, is voldaan. Voor zover deze eisen van hygiënische aard zijn, moet worden overgelegd een verklaring vanwege de Directie Volksgezondheid, inhoudende dat aan bedoelde eisen is voldaan.

2.6

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Vergunningsverordening wordt de vergunning geweigerd:

(…)

o. indien gegrond vermoeden bestaat dat de aanvrager niet de beschikking heeft over de lokaliteit waarvoor de vergunning wordt gevraagd;

p. indien de lokaliteit niet voldoet aan de eisen waaraan zij krachtens artikel 8 moet voldoen;

(…).

2.7

De in artikel 8 van de Vergunningsverordening bedoelde eisen zijn neergelegd in het Vergunningsbesluit.

2.8

Door appellante is in de eerste plaats betoogd dat verweerder, door bij de in bezwaar gehandhaafde beschikking van 25 maart 2014 afwijzend te beslissen op de door haar op 20 juli 2007 ingediende vergunningaanvraag, heeft miskend dat hij die aanvraag reeds bij beschikking van 27 maart 2009 heeft ingewilligd.

Dit betoog mist feitelijke grondslag. De door appellante bedoelde brief van verweerders ambtsvoorganger van 27 maart 2009 bevat slechts een toezegging tot het verlenen van de door appellante verlangde vergunning onder de daarbij uitdrukkelijk genoemde voorwaarde dat de betrokken overheidsdiensten hebben vastgesteld dat lokaliteit na voltooiing van de bouw voldoet aan de eisen gesteld in de Vergunningsverordening en het Vergunningsbesluit. Deze voorwaardelijke toezegging tot het verlenen van een vergunning kan niet op één lijn worden gesteld met de daadwerkelijke verlening van een hotelvergunning.

2.9

Aan zijn weigering van de gevraagde vergunning, zoals nader toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, heeft verweerder als reden ten grondslag gelegd dat appellante niet beschikt over de gronden (en de daarmee over de lokaliteit) waarop de vergunningaanvraag van 20 juli 2007 betrekking heeft. Derhalve wordt niet voldaan aan het vereiste, gesteld in artikel 28, eerste lid, onderdeel o, van de Vergunningsverordening. Als gevolg daarvan is de door appellante gewenste uitbreiding van haar hotel feitelijk nog niet gerealiseerd en kan evenmin worden vastgesteld of aan de in krachtens artikel 8 van deze landsverordening gestelde eisen wordt voldaan, aldus verweerder.

Appellante bestrijdt de deugdelijkheid van deze motivering tevergeefs. De in dit verband door haar gestelde omstandigheid dat het niet kunnen beschikken over de betrokken gronden te wijten is aan het gebrek aan medewerking aan de zijde van het Land Aruba aan een reeds eerder toegezegde uitgifte van de gronden in erfpacht kan niet afdoen aan de in de artikelen 26 en 28, eerste lid, onderdelen p en o, van de Vergunningsverordening neergelegde dwingende weigeringsgronden. De vraag of die uitgifte ten onrechte achterwege is gebleven, is geen voorwerp van het onderhavige geding. De beslissing van het Land Aruba tot het al dan niet uitgeven van domeingrond in erfpacht is een rechtshandeling naar burgerlijk recht. De vraag naar de rechtmatigheid daarvan dient appellante aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

2.10

Voor zover appellante wenst te betogen dat verweerder, door afwijzend te beschikken op haar vergunningaanvraag, heeft gehandeld in strijd met de in de brief van 27 maart 2009 neergelegde toezegging en daarmee in strijd met het vertrouwensbeginsel, kan dit betoog haar niet baten. In de eerste plaats is deze toezegging, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, niet onvoorwaardelijk. De voorwaarde dat moet zijn gebleken dat de lokaliteit aan de voor vergunningverlening geldende vereisten voldoet, is niet vervuld. In de tweede plaats kan het vertrouwensbeginsel er niet toe leiden dat wordt overgegaan tot verlening van een hotelvergunning in strijd met de daarvoor geldende wettelijke vereisten.

2.11

Nu geen van de aangevoerde beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.

2.12

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

2.13

Beslist wordt als volgt.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 9 november 2015, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).