Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:492

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
K.G. no. 2311 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming overeenkomst tot levering goederen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 4 november 2015 (bij vervroeging)

Behorend bij K.G. no. 2311 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in kort geding van:

[eiser]

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,

tegen:

de naamloze vennootschap

DESARROLLOS HOTELCO CORPORATION DHC ARUBA N.V.,

h.o.d.n. THE RITZ-CARLTON ARUBA,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: DHC,

gemachtigden: de advocaten mrs. G.M. Sjiem Fat en D.M. Canwood.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2015.

1.2 [

eiser] is toen ter zitting verschenen, samen met zijn gemachtigde. DHC is verschenen bij haar gemachtigden, die werden vergezeld door [naam] en [naam] (executive chef respectievelijk financieel directeur bij DHC). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - mede aan de hand van door hen overgelegde pleitnota’s, voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

eiser] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

-DHC beveelt om terstond na de betekening van dit vonnis aan DHC de tussen partijen gesloten en bij hen genoegzaam bekende overeenkomst met betrekking tot varkens(kliek)voer na te (doen) komen;

-bepaalt dat DHC ten behoeve van [eiser] een dwangsom verbeurt van Afl. 1.000,-- voor iedere dag dat DHC voormeld bevel niet opvolgt;

-DHC veroordeelt in de proceskosten.

2.2

DHC voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiser] verzochte, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering volgt uit de aard van die vordering.

3.2

Vast staat in dit geschil dat krachtens een daartoe tussen partijen op 11 november 2013 gesloten overeenkomst (hierna: de overeenkomst) [eiser] kort gezegd de etensresten van DHC dagelijks om niet mocht ophalen om dat als voer te geven aan de 200 door hem gehouden varkens. Bij schrijven van 27 juli 2015 heeft DHC de overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee maanden. Vanaf 1 oktober 2015 levert DHC haar etensresten niet langer aan [eiser], maar aan een derde.

3.3

Nu de overeenkomst is gesloten zonder tijdsbepaling is - en dat is niet in geschil tussen partijen - sprake van een duurovereenkomst. Die overeenkomsten kunnen in beginsel worden opgezegd, doch eisen van redelijkheid en billijkheid in verbinding met de aard en inhoud van de overeenkomst en alle omstandigheden van het geval brengen in dit geval met zich dat opzegging alleen kan plaatsvinden als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en er een bepaalde opzeggingstermijn in acht wordt genomen, of indien opzegging gepaard gaat met een aanbod tot schadevergoeding.

3.4

De overeenkomst - waarin met “Customer” wordt bedoeld DHC - vermeldt onder meer: “3. Customer warrants that left-over or waste food, fruits and vegetables collected by [EISER] shall not contain contaminated material i.e. any radioactive, flammable, explosive, toxic or hazardous material.”. Tegen die achtergrond heeft DHC onbestreden gesteld dat zij ter beperking van mogelijke schadeclaims van [eiser] in verband met bestek of ander voor varkens schadelijk materiaal dat in de door [eiser] op te halen etensresten terecht zou kunnen komen het als productie A bij de pleitnota van DHC overgelegde vrijwaringsformulier (hierna: het vrijwaringsformulier) aan [eiser] ter ondertekening heeft voorgelegd, maar dat [eiser] meermalen heeft geweigerd dat formulier te ondertekenen. [eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij niet tot ondertekening van het vrijwaringsformulier is overgegaan, omdat daarin tevens een clausule is opgenomen krachtens welke de overeenkomst kan worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van twee maanden. Die door DHC bestreden stelling mist feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Bedoelde clausule is immers niet opgenomen of valt niet te lezen in het vrijwaringsformulier.

3.5

In het licht van het gegeven dat [eiser] om niet de etensrechten van DHC mocht ophalen (en daarmee naar eigen zeggen grote kosten voor de aanschaf van varkensvoer bespaarde) had [eiser] de ondertekening van het vrijwaringsformulier in redelijkheid niet mogen weigeren. Dit klemt temeer omdat is gesteld noch gebleken dat [eiser] ooit voor varkens gevaarlijk materiaal heeft aangetroffen in de door hem opgehaalde etensresten van DHC, en omdat [eiser] ter zitting heeft gesteld dat DHC zich schuldig maakt aan wanprestatie als dergelijk materiaal wel wordt aangetroffen. Door aldus niet tot ondertekening van het vrijwaringsformulier over te gaan, heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van het Gerecht aan DHC een voldoende zwaarwegende grond gegeven tot opzegging van de overeenkomst.

3.6

DHC heeft een opzeggingstermijn van twee maanden in acht genomen, welke termijn voorshands redelijk wordt geoordeeld. Dit temeer omdat [eiser] niet heeft gesteld dat sprake is van een onredelijke (te korte) opzeggingstermijn.

3.7

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt niet met grote mate van zekerheid te verwachten dat in een bodemprocedure de vordering van [eiser] zal worden toegewezen. Dat betekent dat de thans door [eiser] gevraagde voorziening moet worden afgewezen. Er zijn geen omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.

3.8

Afweging van de belangen van partijen maakt dit niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet van [eiser] bij toewijzing van het door hem verzochte ten opzichte van de belangen van DHC bij afwijzing daarvan. Dit klemt temeer omdat de varkenshouderij van [eiser] naar zijn eigen zeggen een uit de hand gelopen hobby is, terwijl is gesteld noch gebleken dat [eiser] wat betreft het genereren van inkomsten volstrekt afhankelijk is van zijn varkens. Ter zake van de stelling van [eiser] dat hij thans voor hem onbetaalbaar varkensvoer moet kopen ter vervanging van de etensresten van DHC is gesteld noch gebleken dat het onoverkomelijk is voor [eiser] om zijn varkensstapel al dan niet tijdelijk in omvang te beperken. In dat verband is het in Aruba van algemene bekendheid dat met de feestdagen in zicht de vraag naar slachtvarkens niet gering is.

3.9 [

eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van DHC, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door [eiser] verzochte;

-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van DHC, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op woensdag 4 november 2015.