Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:469

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
BBZ nr. 72026 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft om een proceskostenvergoeding verzocht. Het Gerecht wijst dit verzoek af. De Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft een beroep op vergoeding voor proceskosten steeds afgewezen. Het Gerecht zal deze lijn volgen, temeer nu de wetgever heeft aangekondigd met wetgeving op dit punt te komen. Het Gerecht acht het niet wenselijk om vooruitlopend op die wetgeving een buitenwettelijke proceskostenvergoeding toe te kennen. Het Gerecht merkt hierbij wel op dat haar oordeel in de toekomst mogelijk anders zal zijn indien er niet binnen afzienbare termijn wetgeving op dit punt komt.

Griffierecht. Nu de Inspecteur materieel volledig tegemoet is gekomen aan belanghebbende, dient de Inspecteur, op grond van het bepaalde in artikel 18, lid 4 Landsverordening Beroep in Belastingzaken, het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 1 oktober 2015

BBZ nr. 72026 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

X NV h.o.d.n. Y,

gevestigd in Aruba,

BELANGHEBBENDE,

Gemachtigde: mr. A,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN,

zetelend in Aruba, hierna te noemen: de Inspecteur,

gemachtigde mr. B.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Op 14 januari 2013 verzoekt belanghebbende om restitutie van de teveel betaalde invoerrechten voor de invoer van producten. ad Afl. 9.407,80.

1.2

Bij beschikking van 05 mei 2014 wijst de Inspecteur belanghebbendes verzoek om teruggaaf af.

1.3

Belanghebbende is op 03 juni 2014 tijdig in bezwaar gekomen tegen de afwijzende beschikking van de Inspecteur.

1.4

Bij beslissing op bezwaar van 18 december 2014 is het bezwaar van belanghebbende niet ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft belanghebbende op 16 januari 2015 tijdig beroep ingesteld.

1.5

Bij brief van 20 augustus 2015 stelt de Inspecteur het Gerecht op de hoogte dat hij afziet van het indienen van een verweerschrift, aangezien volledig aan het beroep van belanghebbende is tegemoet gekomen.

1.6

Per brief van 31 augustus 2015 verzoekt gemachtigde van belanghebbende het Gerecht tot het uitspreken van een kostenveroordeling daar naar belanghebbende stelt het aanhangig maken van de onderhavige zaak helemaal niet nodig zou zijn geweest.

1.7

Per brief van 28 september 2015 heeft de Inspecteur een reactie op bovengenoemde brief ingezonden waarin de Inspecteur stelt dat noch in de Landsverordening in-, uit en doorvoer, noch in de Landsverordening beroep in belastingzaken is voorzien in de mogelijkheid voor de Inspecteur om een besluit te nemen met betrekking tot vergoeding van de kosten in verband met een door een belanghebbende aangespannen bezwaar of beroep. Verder merkt de Inspecteur in dit kader op dat artikel 15 van de Landsverordening beroep in belastingzaken nog niet in werking is getreden.

1.8

Met instemming van partijen is afgezien van een mondelinge behandeling.

2 GESCHIL

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur teruggaaf dient te verlenen tot een bedrag van Afl. 9.407,80 aan teveel betaalde invoerrechten. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten.

3 OVERWEGINGEN

3.1

De Inspecteur heeft inmiddels een teruggaaf van invoerrechten verleend van Afl. 9.407,80. In zoverre is de Inspecteur tegemoetgekomen aan belanghebbende en is het belang aan de procedure komen te ontvallen.

3.2

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten die zij in deze zaak heeft moeten maken. Het Gerecht wijst dit verzoek af. Noch de Landsverordening in-, uit- en doorvoer, noch de Algemene landsverordening belastingen, noch de Landsverordening Beroep in belastingzaken kent een regeling waarin is voorzien in het vergoeden van kosten die in een belastingprocedure gemaakt zijn. De Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (RvB) heeft een beroep op vergoeding voor proceskosten steeds afgewezen. Zie bijvoorbeeld RvB 11 juli 2014, ECLI:NL:ORBBACM:2014:21. Het Gerecht zal deze lijn volgen, temeer nu de wetgever heeft aangekondigd met wetgeving op dit punt te komen (zie de aangekondigde artikelen 15 Landsverordening Beroep in Belastingzaken en 22a Algemene Landsverordening belastingen die op het moment van deze uitspraak nog niet in werking zijn getreden). Het Gerecht acht het niet wenselijk om vooruitlopend op die wetgeving een buitenwettelijke proceskostenvergoeding toe te kennen. Het Gerecht merkt hierbij wel op dat haar oordeel in de toekomst mogelijk anders zal zijn indien er niet binnen afzienbare termijn wetgeving op dit punt komt. Gelet hierop zal het Gerecht het verzoek van belanghebbende om proceskostenvergoeding afwijzen.

3.3

De Inspecteur is materieel volledig tegemoetgekomen aan belanghebbende. Gelet hierop dient de Inspecteur, op grond van het bepaalde in artikel 18, lid 4 Landsverordening Beroep in belastingzaken, het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden

4 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep niet ontvankelijk voorzover het gericht is tegen de betaalde invoerrechten;

  • -

    wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af;

  • -

    draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Afl. 75 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).