Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:451

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
EJ nr. 1043 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeid - achterstallig loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 oktober 2015

Behorend bij EJ nr. 1043 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te Aruba,

VERZOEKSTER, hierna [verzoekster],

gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson,

tegen:

STICHTING DESAROYO EDUCATIVO COMUNITARIO,

gevestigd te Morgenster 8 in Aruba,

VERWEERSTER, hierna: de stichting,

niet verschenen.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met productie, ingediend op 18 mei 2015 en het exploot van betekening d.d. 7 september 2015, waarbij de stichting is opgeroepen om op 15 september 2015 een verweerschrift in te dienen. De stichting heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar aangeboden mogelijkheid om verweer te voeren.

1.2

De beschikking is bepaald op heden.

2 HET VERZOEK

Het verzoek strekt ertoe om bij beschikking:

- voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze op 31 mei

2015 is beëindigd en dat de opzegging kennelijk onredelijk is;

- de stichting te veroordelen om het achterstallig loon over de maanden februari tot en

met mei 2015 aan [verzoekster] uit te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging

ex artikel 7A;1614q BW en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;

- de stichting te veroordelen om de cessantia-uitkering aan [verzoekster] te betalen,

vermeerderd met de wettelijke rente;

- de stichting te veroordelen aan [verzoekster] schadevergoeding naar billijkheid toe te

kennen;

- de stichting in de kosten van deze procedure te veroordelen.

3 DE BEOORDELING

3.1

Op de eerste plaats is aan de orde de vraag of de stichting de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op rechtens juiste wijze heeft opgezegd.

3.2 [

verzoekster] stelt onweersproken dat zij de ontslagbrief d.d. 23 december 2014 eerst op 21 januari 2015 heeft ontvangen. Dit heeft tot gevolg dat het dienstverband met inachtneming van de opzegtermijn, die volgens de stichting 4 maanden bedraagt, eindigt per 1 juni 2015. [verzoekster] heeft voorts onweersproken gesteld dat het loon over de opzegtermijn niet is voldaan. Uit productie 2 volgt dat het weekloon ad AWG 1.211,54 bedroeg. Een opzegtermijn van vier maanden is gelijk aan 17 weken, aldus bedraagt het loon over de opzegtermijn 17 x AWG 1.211,54 = AWG 20.596,18. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

3.3

De gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging onregelmatig is wordt bij gebreke van enig rechtens te respecteren belang afgewezen.

3.4

De cessantia-uitkering ad AWG 18.173,10 (15 x het weekloon ad AWG 1.211.54) is toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2015, zijnde de dag waarop de stichting in verzuim raakte, tot de dag der voldoening.

3.5

Wat betreft de stelling van [verzoekster] dat het ontslag kennelijk onredelijk is wordt als volgt overwogen. De beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever zal ingevolge artikel 7A:1615s BW kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij die beëindiging. Ter beantwoording van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is, dienen alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking te worden genomen.

3.6 [

verzoekster] stelt dat zij vijftien jaar bij de stichting heeft gewerkt, thans op hoge leeftijd is en niet eenvoudig ander werk zal kunnen vinden en de stichting geen financiële voorziening heeft getroffen voor [verzoekster]. Dit heeft de stichting niet weersproken. Daar staat tegenover dat de stichting volledig afhankelijk was van overheidssubsidie en het Land de kraan heeft dichtgedraaid. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het gerecht een vergoeding van AWG 15.000,00 bruto billijk.

3.6

De stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden begroot op AWG 50,- griffierecht, op AWG 203,40 aan explootkosten en op AWG 900,- aan salaris van gemachtigde.

4. DE BESLISSING

De rechter:

4.1

veroordeelt de stichting om aan [verzoekster] te betalen het bedrag van AWG 20.596,-- zijnde het loon over de maanden februari tot en met mei 2015, vermeerderd met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf 22 april 2015 tot de dag der voldoening;

4.2

veroordeeld de stichting te betalen aan [verzoekster] de cessantia-uitkering ad
AWG 18.173,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2015 tot de dag der voldoening;

4.3

veroordeelt de stichting te betalen aan [verzoekster] een vergoeding naar billijkheid van AWG 15.000,00;

4.4

veroordeelt de stichting in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [verzoekster] worden begroot op AWG 50,00 aan griffierecht, AWG 203,40 aan explootkosten en AWG 900, 00 aan salaris van de gemachtigde;

4.5

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.6

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht en werd in het openbaar uitgesproken op dinsdag 27 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.