Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:445

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
02-11-2015
Zaaknummer
EJ. nr. 2296 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming erkenning toegewezen - omgangsregeling bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 27 oktober 2015

behorend bij EJ. nr. 2296 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

In de zaak tussen:

[man],

wonende in Aruba,

hierna: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson,

en

[vrouw] ,

wonende in Aruba,

hierna: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters.

Belanghebbende:

[minderjarige], de minderjarige,

vertegenwoordigd door de bijzonder curator, de Voogdijraad.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de tussen partijen gewezen beschikking van dit gerecht van 11 november 2014, alsmede uit:

  • -

    de akte uitlating van de bijzonder curator, ingediend op 9 december 2014;

  • -

    de financiële gegevens van partijen, overgelegd ter rol van 27 januari 2015;

  • -

    de akte uitlating producties van partijen, ingediend op 7 april 2015;

  • -

    het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 24 maart 2015;

  • -

    de producties van de vrouw, ingediend op 11 juni 2015;

  • -

    de producties van de man, ingediend op 11 en 12 juni 2015 en 23 september 2015;

  • -

    het aanvullend verzoek van de man, ingediend op 23 september 2015;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling ter zitting van 29 september 2015, waaruit blijkt dat zijn verschenen de partijen bijgestaan door hun gemachtigden. Namens de Voogdijraad zijn aanwezig mr. M. Ras-Pieternella, mevrouw A. Flanders en mevrouw R. Kelly. Ter zitting is bepaald dat het verzoek over de kinderalimentatie zal worden behandeld op 27 oktober 2015, om 15.30 uur.

Hierna is uitspraak wat betreft de vervangende toestemming voor erkenning, en de omgang bepaald op heden.

2 DE BEOORDELING

Vervangende toestemming tot erkenning en geslachtsnaam

2.1

De vrouw heeft ter zitting (wederom) te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de erkenning van de minderjarige door de man, mits de minderjarige haar geslachtsnaam behoudt. De vader gaat hiermee niet akkoord en wenst dat de minderjarige na erkenning zijn geslachtsnaam zal krijgen.

2.2

Nu overigens niet is gebleken dat de erkenning de belangen van de minderjarige zal schaden, in die zin dat er reële risico’s zijn dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling, zal het gerecht de man vervangende toestemming verlenen om de minderjarige te erkennen.

2.3

Tussen partijen is in geschil de vraag welke geslachtsnaam de minderjarige na erkenning door de man zal hebben. Het gerecht overweegt dat ingevolge artikel 1:5 Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) de geslachtsnaam van een kind die van zijn vader is, en anders die van de moeder. Conform het geldende (namen)recht krijgt de minderjarige bij de erkenning dus de geslachtsnaam van de vader.

2.4

Algemeen aanvaard is dat dit namenrecht discriminatoir is naar geslacht, nu de moeder van het kind wordt achtergesteld bij diens vader, zonder dat daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat (vgl. Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 8 oktober 2013, Ghis 62228-EJ2/13-H155/13). Bij de Staten van Aruba is inmiddels (ter opheffing van deze discriminatie) een ontwerp-landsverordening tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek ingediend, waarin onder andere het huidige artikel 1:5 BW wordt vervangen door 14 nieuwe artikelen, en naamskeuze wordt ingevoerd. Volgens het ontwerp kunnen ouders kiezen voor de geslachtsnaam van de vader, voor die van de moeder of voor een combinatie van beide geslachtsnamen in een zelf gekozen volgorde. In het ontwerp wordt voorts in artikel 1:5b een conflictregeling ingevoerd, inhoudende dat een geschil tussen (toekomstige) ouders over de naamskeuze op verzoek van beiden of een van hen aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd. De rechter neemt, na beproeving van een vergelijk, een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.5

Aan de orde is dan ook de vraag of het gerecht in dit geval dient te anticiperen op de wetswijziging en de invoering van naamskeuze, en op het tussen partijen bestaande geschil dient te beslissen. Bij de beoordeling hiervan, neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

2.6

Het betoog van de moeder, dat de minderjarige, anticiperende op artikel 1:5g lid 1 van het ontwerp, na erkenning door de man haar geslachtsnaam dient te behouden, gaat niet op. Voornoemde bepaling behelst immers een default-regel voor het geval de ouders geen naamskeuze hebben gedaan. In dit geval is echter geen sprake van een ontbreken van een naamskeuze, maar van een geschil daarover zodat die bepaling in deze niet van toepassing is.

Ook de uitspraak van het Hof van 8 oktober 2013 (Ghis 62228 - EJ2/13 - H 155/13), waarnaar de vrouw verwijst, biedt in deze geen soelaas, nu in die zaak de ouders het er met elkaar over eens waren dat het kind na erkenning de geslachtsnaam van de moeder zou behouden (de ouders hebben dus een naamskeuze gedaan) , en het Hof gelet daarop heeft overwogen dat “alle omstandigheden afwegende, (…) er in het onderhavige geval onvoldoende reden is toewijzing van het verzoek buiten de taak van de rechter te achten (…)”.

2.7

Het gerecht ziet, alle omstandigheden afwegende, vooralsnog geen reden om vooruitlopende op het nog in te voeren namenrecht, met de daarin opgenomen conflictregeling, een beslissing te nemen ter beslechting van het tussen partijen bestaande geschil inzake de naamskeuze. Daarbij weegt mee dat ingevolge de overgangsbepalingen, bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling ouders die minderjarige kinderen hebben alsnog naamskeuze zullen kunnen doen.

2.8

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de geslachtsnaam van de minderjarige na de erkenning door de man, op de voet van artikel 1:5 BW, die van de vader is.

Gezag

2.9

Zoals het gerecht in de beschikking van 11 november 2014 reeds heeft overwogen, komt het verzoek van de man om gezamenlijk met de vrouw het gezag over de minderjarige uit te oefenen, niet voor inwilliging in aanmerking zolang de man niet de juridische vader van de minderjarige is. Afgezien daarvan staat in het adviesrapport van de Voogdijraad, dat op dit moment sprake is van een verstoorde communicatie tussen partijen, vanwege de persoonlijke gevoelens van partijen jegens elkaar. De Voogdijraad adviseert daarom verplichte psychologische begeleiding voor de ouders, en onthoudt zich van enig advies over de gezagskwestie.

2.10

Gelet hierop zal het gerecht de man niet-ontvankelijk verklaren wat betreft zijn verzoek om gezagswijziging.

Uitoefening omgangsrecht

2.11

Ten aanzien van de uitoefening van het omgangsrecht, heeft het Hof bij beschikking van 15 september 2015, een beslissing genomen. Het gerecht zal deze voorlopige omgangsregeling, als definitieve omgangsregeling bepalen.

3. DE BESLISSING

Het gerecht:

verleent de man [naam man], bij gebreke van toestemming van de moeder, vervangende toestemming om de minderjarige [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in Aruba te erkennen;

bepaalt de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige als volgt:

- op maandag en woensdag van 17.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de man de minderjarige na zijn werk thuis ophaalt en haar om 19.00 uur thuis brengt;

- de ene week op zaterdag van 9.00 uur tot 12.00 uur,

- de andere week op zondag van 9:00 uur tot 12.00 uur,

waarbij de man de minderjarige telkens thuis ophaalt en weer thuis brengt;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om gezagswijziging;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 27 oktober 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.