Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:427

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
P-2014/20041 & P-2015/05902, 430 van 2015 & 321 van 2015
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Man veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens poging doodslag. De man heeft met een mes meermalen naar het slachtoffer uitgehaald, waarbij hij het slachtoffer op drie plaatsen heeft verwond, onder andere aan zijn nek. Het beroep op noodweer slaagt niet, nu op grond van de bewijsmiddelen aannemelijk is geworden dat er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van veroordeelde, doch juist dat hij de agressor was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. J.A.R. Bryson en
mr. P.A.J. van der Biezen.

De officier van justitie, mr. F.A.P.M. van Deutekom, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten poging doodslag (P-2015/05902), bedreiging en bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (P-2014/20041) te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3,5 jaar, met aftrek van voorarrest.

De raadslieden hebben het woord ter verdediging gevoerd.

De benadeelde partij in de zaak met parketnummer P-2015/05902 heeft ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

P-2014/20041

1. dat hij op of omstreeks 18 december 2014 te Aruba, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, (in het bijzijn van die [slachtoffer 1]) gezegd/geschreeuwd: “Unda [slachtoffer 1] ta, bise sali, mi ta bai tire” en/of “Unda [slachtoffer 1] ta? Saca [slachtoffer 1], mi ta bai mate.”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl hij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn jas haalde/trok;

(artikel 2:255 van het Wetboek van Strafrecht)

2. dat hij op of omstreeks 18 december 2014 in Aruba voorhanden heeft gehad een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend (voor bedreiging of afdreiging geschikt) voorwerp, in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3, eerste lid jo artikel 1 van de Vuurwapenverordening.

(artikel 3 jo artikel 1 van de Vuurwapenverordening)

P-2015/05902

dat hij op of omstreeks 27 maart 2015 in Aruba, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, daartoe, alstoen en aldaar, opzettelijk, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp aan zijn linker pols en/of in zijn linker schouderblad en/of aan de linkerzijde van zijn hals, althans zijn lichaam heeft gestoken, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid;

(artikel 2:259 jo 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

dat hij op of omstreeks 27 maart 2015 in Aruba, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, daartoe, alstoen en aldaar, opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp aan zijn linker pols en/of in zijn linker schouderblad en/of aan de linkerzijde van zijn hals, althans aan zijn lichaam heeft gestoken, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid;

(artikel 2:275 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat hij op of omstreeks 27 maart 2015 in Aruba opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld met een wapen, te weten een mes, althans een scherp voorwerp, zijnde een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp aan zijn linker pols, en/of in zijn linker schouderblad en/of aan de linkerzijde van zijn hals, althans zijn lichaam gestoken, waardoor die [slachtoffer 2] werd gewond en/of pijn ondervond.

(artikel 2:273 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

P-2014/20041

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

1. dat hij op of omstreeks 18 december 2014 te Aruba, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, toen en aldaar opzettelijk dreigend meermalen, althans eenmaal, (in het bijzijn van die [slachtoffer 1]) gezegd/geschreeuwd: “Unda [slachtoffer 1] ta, bise sali, mi ta bai tire” en/of “Unda [slachtoffer 1] ta? Saca [slachtoffer 1], mi ta bai mate.”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl hij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn jas haalde/trok;

2. dat hij op of omstreeks 18 december 2014 in Aruba voorhanden heeft gehad een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend (voor bedreiging of afdreiging geschikt) voorwerp, in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3, eerste lid jo artikel 1 van de Vuurwapenverordening.

P-2015/05902

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij op of omstreeks 27 maart 2015 in Aruba, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, daartoe, alstoen en aldaar, opzettelijk, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp aan zijn linker pols en/of in zijn linker schouderblad en/of aan de linkerzijde van zijn hals, althans zijn lichaam heeft gestoken, zijnde de verdere uitvoering van dat voornemen niet voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Voor zover geschriften worden gebruikt, worden deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.

P-2014/20041

De hieronder opgenomen bewijsmiddelen betreffen bijlagen bij het proces-verbaal van het Korps Politie Aruba, Divisie Algemene Recherche, Unit Santa Cruz, No. D4-53/2014, onderzoek ‘[slachtoffer 1]’, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 11 mei 2015 gesloten en ondertekend door S.Z. Croes, brigadier eerste klasse bij voormeld korps.

* Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 februari 2015 gesloten en getekend door S.Z. Croes en A.A. Tromp, beiden brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte [slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven-:

Op donderdag 18 december 2014 was ik in de woning van mijn zus [zus slachtoffer 1]. Toen ik in de badkamer bezig was, hoorde ik een luidde stem die zei: “unda e ta”? Ik stopte direct met douchen en liep naar de slaapkamer toe om te gaan kijken wat er gaande was. Eenmaal in de slaapkamer had mijn vriendin [vriendin slachtoffer 1] de slaapkamerdeur op slot gezet zodat ik de slaapkamer niet kon verlaten. Verder zei [vriendin slachtoffer 1] tegen mij dat de man gewapend daar buiten was. Het lukte mij om via het raam naar buiten te springen. Ik was van plan een kapmes buiten te pakken vervolgens te gaan kijken wie de gewapende man was en wat hij daar kwam doen. Op het moment dat het mij lukte voor de woning te komen, trof ik niemand. [zus slachtoffer 1] had mij verteld dat [verdachte] zijnde de broer van [zus verdachte] daar was gekomen en haar woning zonder haar toestemming binnenliep. Verder dat [verdachte] een vuurwapen vanuit zijn jas of broek trachtte te halen.

* Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 18 december 2014 gesloten en getekend door D.A. Young, onderinspecteur bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als aangifte van [zus slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven-:

Vandaag 18 december 2014, was ik thuis. Mijn broer genaamd [slachtoffer 1] en zijn vriendin [vriendin slachtoffer 1] waren bij mij op bezoek. Terwijl ik op de veranda stond zag ik een blauw gelakte auto met getinte ruiten voor mijn woning stoppen. Ik herkende de auto als de auto van [verdachte]. Terwijl [verdachte] mij benaderde zag ik hem een vuistvuurwapen vanuit zijn jas trekken. Hierna liep hij mijn huis binnen zonder toestemming. Eenmaal binnen vroeg [verdachte] voor mijn broer [slachtoffer 1]. [verdachte] zei: “Unda [slachtoffer 1] ta. Mi ta bai mate dilanti di boso”. [verdachte] schonk mij geen aandacht en duwde mij, waarna ik op de vloer viel. Na dit te hebben gedaan verliet [verdachte] mijn huis.

* Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 28 december 2014 gesloten en getekend door S.Z. Croes, brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte [zus slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven-:

De dag dat [verdachte] bij mij thuis was gekomen zei [verdachte]: “unda [slachtoffer 1] ta, bise sali, mi ta bai tire”.

* Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 december 2014 gesloten en getekend door D.A. Young, onderinspecteur bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [vriendin slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven-:

Gisteren, 18 december 2014, was ik bij [zus slachtoffer 1], de zus van [slachtoffer 1], thuis. Ik was met de kinderen in de slaapkamer. [slachtoffer 1] was op dat moment in de badkamer. Kort daarna hoorde ik een mannenstem. Die persoon was hardop aan het praten. Ik stapte uit de slaapkamer en zag [verdachte] in de woonkamer staan. Terwijl ik de baby in mijn hand vast hield en in de woonkamer was, hoorde ik [verdachte] zeggen: “Unda [slachtoffer 1] ta. Of saka [slachtoffer 1]. Mi ta bai mate”. Hierna duwde [verdachte] [zus slachtoffer 1] opzij. Hierna zei ik tegen [verdachte] dat hij dat hier niet kan doen, want er zijn kinderen aanwezig. Hierna verliet [verdachte] het huis van [zus slachtoffer 1]. Ik moet u verklaren dat [verdachte] het vuurwapen niet helemaal uit zijn zwarte jas had getroffen, maar ik kon het vuurwapen wel zien.

* Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 december 2014 gesloten en getekend door S.Z. Croes, brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte, -zakelijk weergegeven-:

Ik word [verdachte] genoemd.

P-2015/05902

Voor zover de hieronder opgenomen bewijsmiddelen worden aangeduid als ‘bijlage’, betreft het bijlagen bij het proces-verbaal van het Korps Politie Aruba, Divisie Algemene Recherche, District 3, mutatienummer 333536/2015, onderzoek ‘Steekpartij [slachtoffer 2]’, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 1 september 2015 gesloten en ondertekend door A.A. Werleman, brigadier eerste klasse bij voormeld korps.

Een proces-verbaal, bijlage 2.1.6, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 29 maart 2015 gesloten en getekend door D.A. Young en S.M.A. Carti, respectievelijk, onderinspecteur en hoofdagent bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven-:

Ik liep de bewuste dag op straat en werd opeens door iemand met een mes aangevallen. Die persoon had mij drie keer met een mes gestoken. De eerste steekwond was aan mijn linker pols, daarna werd ik in mijn linker schouderblad gestoken en de laatste steekwond was aan de linkerzijde van mijn hals. Ik liep op de straat waar de ex parlementariër van de [politieke partij], [getuige 1], woont [Met de straat en [getuige 1] wordt respectievelijk bedoeld [straat] en de getuige [getuige 1]; opmerking verbalisanten].

* Een proces-verbaal, bijlage 5.1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 maart 2015 gesloten en getekend door D.A. Young, onderinspecteur bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 2], -zakelijk weergegeven-:

Heden, 27 maart 2015 parkeerde ik mijn auto, met de neus in oostelijke richting, voor mijn woning. Ik zag een donkerkleurige jongen, in oostelijke richting op de straat lopen. Ik bleef heel even in mijn auto zitten. Op dat moment zag ik een blauwe auto, van oostelijke richting, met volle vaart aan komen rijden. Vervolgens zag ik die auto hevig remmen. Vervolgens sprong een dikke man vanuit die auto. Die man trad op als chauffeur van die auto. Het betrof een blauw gelakte auto, met het stuur aan de rechterzijde en voorzien van de kentekenplaat [autokenteken]. Die dikke man die uit de auto sprong, viel meteen de donkerkleurige man aan en zei “Awo si mi te regla bo kwenta”. De dikke man hield de donkerkleurige man bij zijn rechterhand vast en duwde hem tegen het erf muur van mijn buurman, zijnde perceel [adres]. Hierna zag ik dat de dikke man een mes in zijn rechterhand vast hield en zwaaide deze naar de hals en bovenlichaam van de donkerkleurige man. Die dikke man die zwaaide met het mes ongeveer 4 a 5 keer in de richting van de donkerkleurige man.

* Een proces-verbaal, bijlage 5.1.1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 mei 2015 gesloten en getekend door A.A. Werleman, brigadier eerste klasse bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [getuige 2], -zakelijk weergegeven-:

De dikke man zwaaide, een voorwerp gelijkende op een zakmes, in de richting van de nek van de donkerkleurige man. Dat deed hij twee maal, maar de donkerkleurige man lukte deze te af te weren met zijn linkerhand. Daarna zag ik de dikke man het zakmes in de richting van de onderbuik van de donkerkleurige man zwaaien en hierna terug naar de zijn nek. Op dat moment lukte de dikke man wel de donkerkleurige man aan zijn nek te steken.

* Een proces-verbaal, bijlage 2.2.7, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 april 2015 gesloten en getekend door D.A. Young, onderinspecteur bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als verklaring van de verdachte [verdachte], -zakelijk weergegeven-:

Op de dag van de verjaardag van mijn moeder, de juiste datum weet ik niet meer reed ik in mijn auto. Omstreeks 16:30 uur, reed ik naar de Beauty Salon te [adres]. Mijn auto is van het merk “Honda” model Accord”, 4 portieren, donker blauw, met het stuur aan de achter zijde, bouwjaar 1998 en gekentekend [autokenteken]. Ik reed over de [straat] in westelijke richting door. Ik zag [slachtoffer 2] aan de kant van die weg in westelijke richting lopen. Terwijl ik langs [slachtoffer 2] reed hoorde ik een voorwerp tegen mijn auto slaan. Ik stopte direct mijn auto om [slachtoffer 2] aan te spreken. Wij raakten in een worsteling. Ik zwaaide met mijn mes in de richting van de schouder van [slachtoffer 2]. Het mes stak [slachtoffer 2] in zijn hals. Ik heb [slachtoffer 2] met mijn auto bij Centro Medico San Nicolas afgezet.

* Een proces-verbaal, bijlage 2.1.1, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 23 april 2015 gesloten en getekend door T.A.C. van der Biezen en F.L. Robles de Medina, respectievelijk, brigadier en agent in opleiding bij het Korps Politie Aruba, voor zover inhoudende, als aanhouding [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven-:

Omstreeks 16:50uur werden wij naar Centro Medico gedirigeerd. Bij aankomst werden wij door dienstdoende arts in kennis gesteld dat [slachtoffer 2] zich aldaar had gemeld met drie steekwonden.

* Een bijlage 3.10, een geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie over [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven-:

Datum voorval: 27 maart 2014

Behandeld door: dr. Y. Cassere

Uitwendig waargenomen letsel:

Steekwonden (multiple)

Hals links 5 cm

Schouder links 3 cm

Pols links met vatletsel

Bewijsoverwegingen

P-2015/05902

De verdachte heeft aangevoerd dat hij het slachtoffer niet wilde doden. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn hals en schouder heeft gestoken. Als feit van algemene bekendheid mag ook bij de verdachte bekend worden verondersteld dat zich in de nek de halsslagader bevindt en dat hij het slachtoffer in de nek dodelijk had kunnen raken. De kans dat het slachtoffer door de gedraging van de verdachte had kunnen overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Voorts moet de gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op het doden van het slachtoffer gericht dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg willens en wetens heeft aanvaard. De rechter acht derhalve bewezen dat verdachtes opzet voorwaardelijk was gericht op het doden van het slachtoffer.

6 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

P-2014/20041

Het bewezenverklaarde levert op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht met gebruikmaking van een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening,

strafbaar gesteld bij artikel 2:255 van het Wetboek van Strafrecht

2. overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

P-2015/05902

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 jo 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.

Noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat op de bewuste dag verdachte enkel zijn auto heeft gestopt en daaruit is gestapt om het slachtoffer te kunnen aanspreken. Het zou het slachtoffer zijn geweest die op dat moment een vuurwapen trok. Verdachte heeft toen, teneinde te voorkomen dat hij door het slachtoffer zou worden beschoten, de rechterhand van het slachtoffer beetgepakt en hem tegen de muur geduwd. Verdachte zou toen zijn zakmes uit zijn broekzak hebben gehaald om zichzelf te kunnen verdedigen. Nog voordat hij het mes in zijn handen had, werd er, aldus verdachte, door het slachtoffer een schot gelost. Naar aanleiding hiervan zwaaide verdachte het mes in de richting van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer steekwonden opliep. Op het moment dat verdachte het slachtoffer wilde aanspreken, was er sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer jegens verdachte. Verdachte had niet hoeven wachten totdat hij daadwerkelijk beschoten zou worden door het slachtoffer om zichzelf te mogen verdedigen. Het handelen van verdachte voldoet aldus de raadsman aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het beroep op noodweer wordt verworpen. De door verdachte afgelegde verklaring wordt slechts ondersteund door zijn vriendin, getuige [vriendin verdachte], die niet als onafhankelijke getuige kan worden aangemerkt. Daar tegenover staan meerdere getuigenverklaringen die het verhaal van verdachte weerleggen. Daarbij hecht het gerecht bijzondere waarde aan de getuigenverklaring van de heer [getuige 2], die heeft verklaard enkele meters van het incident af te hebben gestaan, en alles heeft kunnen horen en zien. Zijn verklaring wordt voorts ondersteund door de getuigen, mevrouw [getuige 1], mevrouw [getuige 3] en mevrouw [getuige 4]. Bovendien verklaart ook de moeder van verdachte enkele dagen na het incident dat verdachte haar zou hebben verteld dat door [slachtoffer 2] op verdachte werd geschoten, nadat verdachte [slachtoffer 2] had gestoken.

Het gerecht acht de door verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot het verloop van het incident dan ook niet aannemelijk. Uit de verklaringen van de getuige [getuige 2], welke wordt bevestigd door de getuige [getuige 1], kan worden opgemaakt dat verdachte nadat hij uit zijn auto was gestapt, [slachtoffer 2] direct heeft aangevallen, terwijl hij daarbij de woorden ‘awo mi te regla bo kwenta’, althans woorden van gelijke strekking, uitte. [slachtoffer 2] had daarbij (nog) geen wapen getrokken en evenmin schoten gelost. Ook getuige [getuige 1] heeft bevestigd dat zij iemand de woorden “awo si bo ta hanja, awo si bo ta hanja!” hoorde zeggen, dat zij hoorde dat 4 á 5 schoten achter elkaar werden gelost en zij daarvoor geen schoten heeft gehoord. Dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen, acht het gerecht niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

P-2015/05902

Noodweerexces

Door de verdediging is subsidiair betoogd dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Nu het gerecht van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte en het beroep op noodweer om die reden heeft afgewezen, kan er evenmin sprake zijn geweest van noodweerexces. Het beroep op noodweerexces wordt afgewezen.

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

P-2014/20041

Verdachte is op agressieve wijze de woning van een ander binnengelopen en heeft daar, in het bijzijn van kleine kinderen, bedreigende woorden geuit en een vuurwapen getrokken. Dergelijk handelen wekt angstgevoelens bij mensen op, terwijl zij zich in hun eigen woning juist het meest veilig moeten kunnen voelen. Daarnaast wijst het gerecht er op dat het voorhanden hebben van vuurwapens gevaarlijke situaties met zich mee kan brengen en de aanwezigheid van vuurwapens op zichzelf al gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Dit handelen wordt verdachte dan ook zwaar aangerekend.

P-2015/05902

Verdachte is het slachtoffer vanwege, naar zijn eigen zeggen, het mogelijk gooien van een voorwerp op zijn auto, met een mes te lijf gegaan. Daarbij heeft hij het slachtoffer ernstig letsel toegebracht ten gevolge waarvan het slachtoffer had kunnen overlijden. Niet alleen betreft dit een zeer disproportionele reactie op het vermeende voorval, doch brengt dergelijk handelen tevens onrust en gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving. Bij het slachtoffer, maar ook bij omstanders, zijn door het handelen van verdachte gevoelens van angst opgewekt. Ook dit handelen rekent het gerecht verdachte zwaar aan. Het opleggen van een vrijheidsontnemende straf is daarom geïndiceerd.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij het slachtoffer direct na het incident naar de spoedeisende hulp voor medische behandeling heeft vervoerd en er daarmee blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen te hebben ingezien. Voorts is verdachte nimmer eerder voor soortgelijke geweldsdelicten veroordeeld.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

9 Inbeslaggenomen voorwerpen

P-2015/05902

A. Teruggave

De teruggave zal worden gelast van de in beslag genomen baddoek en auto aan de verdachte, nu die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

10 Benadeelde partij

P-2015/05902

De benadeelde partij heeft ter zitting, bij wijze van voorschot, een bedrag ter hoogte van Afl. 25.000,- gevorderd ter zake door hem geleden immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is naar het oordeel van het gerecht niet van zodanige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd om toegewezen te kunnen worden. De benadeelde partij zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in die vordering.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:21, 1:22, 1:62 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in rubriek 9A genoemde voorwerpen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. Schoemaker en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 9 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.