Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:42

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
E.J. 304 van 2015
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 19 mei 2015

Behorend bij E.J. 304 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,

gevestigd te Aruba,

verzoekster, hierna ook te noemen: RBC,

gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,

tegen:

B,

wonende te Aruba,

verweerster hierna ook te noemen: B,

gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van RBC;

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van B;

- de behandeling ter zitting van 20 april 2015 en de daarvan gemaakte aantekeningen.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

B, geboren op …….. 1955, derhalve thans 60 jaar, is op …….. 1995 bij de rechtsvoorgangster van RBC in dienst getreden. Haar laatst verdiende salaris bedraagt AWG 6.026,88 bruto per maand.

2.2

In de periode 2004 tot 2008 was B werkzaam als medewerkster ……. afdeling. In het jaar 2008 heeft B twee keer een ……. gehad en is zij zes maanden arbeidsongeschikt geweest.

2.3

Bij terugkeer op het werk in 2009 bleek dat er op de afdeling ……. wijzigingen waren doorgevoerd en haar functie was opgeheven. B heeft vervolgens op projectbasis een jaar op de afdeling …….. gewerkt.

2.4

In mei 2010 heeft RBC B een baan aangeboden als …….. op het kantoor in San Nicolaas, welk aanbod zij heeft aanvaard. Op 31 mei 2010 is B in deze functie begonnen.

2.5

Op …………. 2010 heeft B zich ziek gemeld en RBC laten weten dat zij niet wenste terug te keren in deze functie in San Nicolaas.

2.6

Sindsdien heeft B uitsluitend tijdelijke werkzaamheden verricht, waaronder met betrekking tot de ‘rebranding van RBTT in RBC’.

2.7

Bij brief d.d. 2 augustus 2013 deelt RBC aan B onder meer mee:

‘Please note that the end of above mentioned temporary assignment has reached. Your ninety (90) day inassigned period will start on August 5, 2013. At that time we will seek to assist you in finding an alternative position within RBC; we encourage you to take an active role in this process by reviewing all internal jobs advertisements to explore alternative opportunities’.

2.8

Sindsdien heeft B tevergeefs gesolliciteerd op de functies ‘……’ en ‘……’.

2.9

In december 2013 heeft B nog tijdelijk op de afdeling …….. gewerkt en heeft zij geassisteerd bij het inventariseren van administratiekosten van andere banken.

2.10

Sinds 8 september 2014 staat B op non-actief met behoud van salaris.

3 HET VERZOEK EN HET VERWEER

3.1

RBC verzoekt het gerecht om de arbeidsovereenkomst met B te ontbinden op grond van gewichtige redenen, bestaande uit wijziging van omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding die niet meer behoeft te belopen dan de resterende maanden van het dienstverband tot aan de pensioendatum van B, kosten rechtens.

3.2

RBC grondt het verzoek, samengevat, erop dat B overtollig is en zij bovendien haar pensioenleeftijd bereikt.

3.3

B voert gemotiveerd verweer dat voor zover voor de beslissing van belang hieronder zal worden besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn ontbonden dient te worden.

4.2

Vast staat dat het personeelsbestand RBC in de periode gelegen tussen 1 september 2009 en 1 januari 2015 met 69 arbeidsplaatsen is ingekrompen ten gevolge van verschillende reorganisaties. Anders dan B is het gerecht van oordeel dat aan een reorganisatie niet steeds ‘slechte bedrijfseconomische omstandigheden’ ten grondslag dienen te liggen. Ook het winstgevender en slagvaardiger maken van een bedrijf is een legitiem en te respecteren doel. Het kan immers niet zo zijn dat een ondernemer slechts wijzigingen in zijn organisatie mag doorvoeren, indien het water hem aan de lippen staat. Een ondernemer zal met regelmaat zijn activiteiten dienen aan te passen aan de eisen van de tijd en de voortschrijdende technische en andere ontwikkelingen, welke ontwikkelingen ook van invloed kunnen zijn op de omvang van het personeelsbestand. RBC heeft op dit punt onweersproken gesteld dat ten gevolge van de digitale ontwikkelingen klanten minder behoefte hebben aan de (ouderwetse) loketfunctie van de bank, maar ook dat de technische ontwikkelingen aanpassing van de organisatie noodzakelijk maakten. Ook heeft RBC onweersproken gesteld dat de afdeling marketing in Aruba is opgeheven, omdat deze gecentraliseerd zijn en de marketing activiteiten vanuit Trinidad en Tobago worden aangestuurd. Aldus heeft RBC voldoende aannemelijk gemaakt dat de vorige functie van B op de marketing afdeling is verdwenen.

4.3

Vast staat dat RBC B per 31 mei 2010 een nieuwe vaste functie als …… heeft aangeboden in het filiaal in San Nicolaas. Voorts staat vast dat B deze functie heeft aanvaard, maar na korte tijd RBC heeft laten weten deze functie niet langer te ambiëren omdat zij het werk - in het licht van haar gezondheidssituatie - te zwaar vond. Uit de door partijen geschetste gang van zaken van het verdere verloop van het dienstverband blijkt dat B sindsdien uitsluitend tijdelijke werkzaamheden heeft verricht.

4.4

De vraag die zich thans voor doet luidt of er binnen RBC nog een functie voorhanden is, waar B in geplaatst kan worden. Hiertoe strekt het volgende.

4.5

Ondanks het feit dat B zich gedurende vele jaren en naar ieders tevredenheid heeft ingezet voor RBC, heeft B naar het oordeel van het gerecht in 2010 haar hand overspeeld, door na korte tijd af te zien van de door haar geaccepteerde functie in San Nicolaas. Dit klemt te meer nu bekend was dat de marketing afdeling inmiddels opgeheven was en onduidelijk was of, en zo ja in welke functie B nog geplaatst zou kunnen worden. Vast staat dat B nadien niet meer in een vaste functie is geplaatst maar tot 8 september 2014 werkzaam is geweest op project basis.

4.6

B stelt (zie haar eigen verweerschrift dat als productie 34 bij verweerschrift is overgelegd) dat zij op enig moment aan de HR- medewerker de heer X heeft gevraagd waarom er een uitzendkracht werkzaam was voor de directie, terwijl zij dit werk ook kon doen, aangezien zij reeds 15 jaar als directie secretaresse had gewerkt. Ook werkte er een andere vaste kracht, wier plek zij ook had kunnen vervullen. Volgens B heeft RBC haar verzoek afgedaan door te stellen dat B ’het werk niet meer aankon omdat het werk veranderd was’. Met B is het gerecht van oordeel dat RBC onzorgvuldig heeft gehandeld, door niet dan wel onvoldoende te onderzoeken waarom B ongeschikt zou zijn voor het werk van directie secretaresse en haar niet de kans heeft geboden deze - in de optiek van RBC gewijzigde - werkzaamheden eigen te maken.

4.7

Voorts stelt B dat er thans veel uitzendkrachten werkzaam zijn bij RBC, hetgeen niet te rijmen is met haar ontslag.

4.8

RBC erkent dat er thans gebruik wordt gemaakt van drie uitzendkrachten in verband met ‘hacking’. Deze uitzendkrachten zijn ingehuurd om klanten uit veiligheidsoverwegingen te bellen. Het betreft derhalve slechts tijdelijke werkzaamheden. Voorts stelt RBC dat twee uitzendkrachten zijn ingeschakeld wegens zwangerschapsverlof en twee vervangen de kassières, die een ander functie zijn gaan bekleden. De kassa-afdeling zal echter op korte termijn opgeheven worden, dit alles aldus RBC.

4.9

B heeft een ander verder niet weersproken. Aangenomen wordt dan ook dat RBC slechts van korte duur gebruik zal maken van uitzendkrachten. Voorts heeft RBC onweersproken gesteld dat er thans binnen RBC geen vacatures zijn, waar B in aanmerking zou kunnen komen.

4.10

Hoewel RBC niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om B te plaatsen, heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat er thans geen passende functie voorhanden is. Van RBC kan redelijkerwijs niet langer gevergd worden het dienstverband met B te continueren, zonder dat hier enige arbeidsinspanning tegenover staat. De verzochte ontbinding wordt om deze reden toegewezen per 1 juli 2015.

4.11

Resteert de vraag of RBC gehouden is om aan B een vergoeding te betalen. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. B verzoekt om toekenning van een billijke vergoeding gelijk aan C=2 dan wel C=1,25. RBC daarentegen is van mening dat de vergoeding niet meer kan bedragen dan het loon over de resterende maanden tot aan de pensioen gerechtigde leeftijd, zijnde 60,5 jaar, welke leeftijd B op 31 juli 2015 bereikt.

4.12

Met B is het gerecht van oordeel dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat op grond waarvan B gehouden zou zijn geweest om met ingang van haar 60,5ste levensjaar met pensioen te gaan. Haar individuele arbeidsovereenkomst kent geen pensioenbeding, nog los van de vraag of een werkgever zich daarop zou kunnen beroepen, nu de pensioengerechtigde leeftijd (ook) op Aruba aan het verschuiven is. Het beroep van RBC op het pensioenbeding in de CAO faalt eveneens, omdat de individuele arbeidsovereenkomst geen incorporatiebeding kent en B, die geen lid is van FTA, op grond van artikel 9 Landsverordening Collectieve Arbeidsovereenkomst, niet gebonden is aan de CAO. Dit heeft tot gevolg dat RBC er niet vanuit kan gaan dat B op haar 60,5 levensjaar met pensioen zou zijn gegaan. B heeft bovendien onweersproken gesteld dat zij op grond van het bepaalde in artikel 8a lid 1 van Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering gebruik maakt van mogelijkheid om haar recht op pensioen op te schorten, vooralsnog tot 1 juli 2016. B sluit niet uit dat zij aansluitend opnieuw gebruik zal maken van haar opschortingsrecht. Tot slot heeft B onweersproken gesteld dat haar inkomen vanaf het moment dat zij gebruik maakt van haar pensioenrechten drastisch zal dalen tot slechts 25% van hetgeen zij verdiende. In het licht hiervan is het gerecht van oordeel dat geen aansluiting gezocht kan worden bij 3.5 van de Nederlandse aanbevelingen van de kring der kantonrechters ten aanzien van (bijna) pensioengerechtigden.

4.13

Nu de verzochte ontbinding gebaseerd is op bedrijfseconomische omstandigheden acht het gerecht een vergoeding gebaseerd op C=1 redelijk en billijk. Dit komt (afgerond) neer op een bedrag van AWG 200.000,00 bruto, inclusief Cessantia-uitkering. Nu RBC een lager bedrag heeft aangeboden, zal zij in de gelegenheid worden gesteld dit verzoekschrift in te trekken.

4.14

Vanwege de aard van de procedure, wordt RBC in de kosten veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

5.1

stelt RBC in de gelegenheid het verzoek in te trekken tot uiterlijk 15 juni 2015;

en voor het geval RBC dit niet doet;

5.2

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015;

5.3

veroordeelt RBC te betalen aan B een vergoeding van AWG 200.000,00 bruto, inclusief Cessantia-uitkering;

5.4

veroordeelt RBC in de kosten van de procedure, aan de zijde van B begroot op AWG 1.600,00 voor salaris gemachtigde;

5.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 19 mei 2015 in aanwezigheid van de griffier.