Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:398

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
K.G. 1833 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doorbetaling loon goed werkgeverschap. (vervolg op ECLI NL OGEAA 2015 145).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 7 oktober 2015

Behorend bij K.G. 1833 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

Eiser,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Eiser,

gemachtigde: de advocaat mr. E. Duijneveld,

tegen:

de naamloze vennootschap

POST ARUBA N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Post,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de pleitnota van Eiser;

- de pleitnota van Post;

- de aantekeningen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 14 september 2015.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Eiser is in dienst van Post als postbesteller.

2.2

Bij brief van 19 juni 2014 heeft de Sociale Verzekeringsbank Aruba (verder: SVb) aan Post te kennen gegeven:
Middels dit schrijven wil ik u informeren dat de SVb arts gisteren de eerdere vastgestelde beperkingen bij de heer Joshua Eiser heeft herbeoordeeld en vastgesteld dat deze vast aanwezig zullen blijven. E.e.a. is nog afhankelijk van de behandeling van de specialist. Verzekerde is geadviseerd om het lang aaneengesloten zitten, het langdurig autorijden en het zwaar tillen en dragen te vermijden.
Verder wil ik u informeren dat de SVb arts met verzekerde heeft afgesproken om de aanpassing tijdens het werken nog aan te houden en dat de ziektemeldingskaart van verzekerde per 6 juli 2014 zal expireren.
Zoals ik u tijdens mijn eerdere gesprekken heb geïnformeerd zal de SVb bij het expireren van de ziektemeldingkaart:
- geen ziekengeld meer uitkeren voor de laatste ziekteoorzaak van verzekerde;
- geen controles meer plaats zullen vinden voor verzekerde bij de SVb voor zijn laatste ziekteoorzaak;
- geen uitspraak meer gegeven worden m.b.t. de belastbaarheid van verzekerde.
Op basis hiervan zal het re-integratietraject van verzekerde ook per deze datum worden afgerond.

2.3

Eiser ontvangt vanaf 12 september 2014 geen ziektegeld meer via Post.

2.4

Post heeft getracht de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De vergunning daartoe is geweigerd. Daarbij overwoog de Directeur van de Directie Arbeid en Onderzoek bij beschikking van 10 februari 2015 onder meer:
dat de aangevoerde reden van de ontslagaanvrage inhoudt, de ongeschiktheid van de werknemer;
(…)
dat indien de werkgever de betreffende werknemer beter faciliteert in zijn taakuitoefening en zijn werkrooster aanpast, de werknemer zijn werkzaamheden normaal kan uitvoeren;
dat aan de hand van de overgelegde stukken niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat van de werkgever in het onderhavige geval niet kan worden gevergd om het dienstverband met de werknemer te laten voortduren.

2.5

Bij beschikking van 30 juni 2015 van dit gerecht is, op het door Post ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overwogen:
3.1 Anders dan Post stelt is Eiser in verband met zijn rugklachten naar het oordeel van het Gerecht niet permanent volledig arbeidsongeschikt als postbesteller bij Post. Eiser is in verband met voormelde klachten blijkens overgelegde stukken afkomstig van SVB permanent arbeidsongeschikt voor het bestellen van post per scooter; voor het overige is Eiser volledig arbeidsgeschikt.

3.2

Post stelt in het licht van haar voormelde onjuist geoordeelde stelling dat zij het in verband met haar slechte financiële positie niet kan veroorloven om Eiser anders dan per scooter post te laten bezorgen. Die stelling heeft Eiser gemotiveerd bestreden, en staat daarom niet vast. Het Gerecht ziet geen grond om bedoelde stelling aannemelijk te oordelen, omdat Eiser onbestreden heeft gesteld dat Post hem in het recente verleden meer dan zes maanden post heeft laten bestellen per jeep in plaats van met een scooter.

3.3

Tegen de achtergrond van de door Post ook jegens Eiser te betrachten norm van goedwerkgeverschap valt niet in te zien waarom Eiser thans zijn werkzaamheden niet met die jeep mag uitvoeren, waarbij heeft te gelden dat is gesteld noch gebleken dat Post thans niet meer over bedoelde jeep beschikt en evenmin is gesteld of gebleken dat het volstrekt onmogelijk is dat Eiser zijn bestelwerkzaamheden uitvoert met die jeep. Dit klemt temeer omdat niet valt uit te sluiten dat het rugletsel van Eiser - zoals hij door Post bestreden stelt - nu juist is ontstaan door het jarenlang moeten bestellen van post per scooter, temeer omdat het van algemene bekendheid is dat Arubaanse wegen, en dan met name de vele zandwegen, niet zelden niet vrij zijn van gaten, kuilen en oneffenheden anderszins.

3.4

Vorenstaande brengt met zich dat het Gerecht geen grond ziet voor toewijzing van de door Post verzochte ontbinding. Dat verzoek zal worden afgewezen. Daarbij heeft te gelden dat het Gerecht de eerst ter zitting opgeworpen stelling van Post - dat de ontbinding ook kan worden gegrond op de door haar gestelde omstandigheid dat Post in verband met haar als gevolg van digitalisering en concurrentie drastisch afgenomen bedrijfsactiviteiten wat postbestellers betreft zal moeten inkrimpen - niet voor serieus neemt althans passeert omdat die stelling - zoals Eiser terecht heeft opgemerkt - is gespeend van enige verificatoire onderbouwing

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert veroordeling van Post tot betaling van loon vanaf 12 september 2014, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wedertewerkstelling, met veroordeling van Post tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

Eiser grondt de vordering erop dat Post gehouden is hem in de gelegenheid te stellen zijn werk te doen en hem daarvoor moet betalen.

3.3

Post voert hiertegen verweer, met vordering tot veroordeling van Eiser in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1.

Het gerecht constateert dat, niettegenstaande het voorschrift van artikel 6 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet alle voornamen van eiser vermeld zijn. Nu Post ter zake geen opmerking heeft gemaakt kan hieraan voorbij gegaan worden.

4.2.

Ingevolge artikel 7A:1614d lid 1 BW behoudt de werknemer die de overeengekomen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval daartoe verhinderd was, zijn recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een betrekkelijk korte tijd, met een minimum van zes weken. Gesteld noch gebleken is dat hieromtrent in de CAO andere afspraken zijn gemaakt.

4.3.

Ingevolge artikel 7A:1614c lid 1 BW behoudt een werknemer het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.

4.4.

Eiser is in dienst getreden als postbesteller. Onbestreden is dat een postbesteller zijn werk zowel met behulp van een auto (jeep) als met behulp van een bromfiets (scooter) moet kunnen uitvoeren. Eiser kan zijn werk niet meer doen met behulp van een bromfiets. In die zin is hij ongeschikt voor zijn werk. Hij kan zijn werk, naar eigen stelling, wel uitvoeren met behulp van een auto. Post heeft er, uit oogpunt van kostenbeheersing, evenwel voor gekozen de post alleen nog te laten bestellen met behulp van een bromfiets.

4.5.

De vraag is dan of van Post als goed werkgever verlangd kan worden, dat zij Eiser in staat stelt om zijn werk te doen met behulp van een auto in plaats van een bromfiets zodat Eiser niet meer ongeschikt is om post te bestellen. Die vraag is, voor zover in kort geding van belang, in wezen al beantwoord in de hierboven aangehaalde rechtsoverweging 3.3 van de beschikking van 30 juni 2015 waarin het gerecht oordeelt, dat niet valt in te zien dat van Post als goed werkgever niet verlangd mag worden hem een auto ter beschikking te stellen. In kort geding zijn geen nieuwe argumenten aangevoerd waarom dat toch anders ligt.

4.6.

De kortgedingrechter is verder van oordeel dat Eiser, met inachtneming van navolgende, voldoende spoedeisend belang heeft om weer tot het werk te worden toegelaten en loon te ontvangen. De omstandigheid dat al meer dan een jaar geen salaris ontvangt brengt niet reeds mee dat hij nu en voor de toekomst geen spoedeisend belang heeft. Dat is anders voor zover het de periode vóór 30 juni 2015 betreft. Eiser heeft zich kennelijk in de tussentijd wel kunnen redden en niet duidelijk is hoe Eiser er bij Post op aangedrongen heeft hem weer te werk te stellen. Vanaf 30 juni 2015 mocht Eiser er op rekening dat Post zich zou inspannen om hem weer tewerk te stellen. De loonvordering met verhoging, gematigd tot 15%, is daarom vanaf 30 juni 2015 toewijsbaar. De vordering tot wedertewerkstelling zal worden toegewezen met inachtneming van enige termijn om Post de gelegenheid te bieden de organisatie van het werk daarop in te richten.

4.7.

Als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij zal Post de proceskosten van Eiser moeten vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

veroordeelt Post om Eiser met ingang van 1 december 2015 in staat te stellen de overeenkomen werkzaamheden te verrichten;

veroordeelt Post tot betaling aan Eiser van het overeenkomen loon vanaf 1 juli 2015 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, met vermeerdering van 15% voor zover het het loon betreft vanaf 1 juli 2015 tot en met 1 oktober 2015 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf dat datum waarop het loon op grond van de overeenkomst had moeten worden betaald totdat volledig is voldaan;

veroordeelt Post in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Eiser worden begroot op Afl. 450, aan griffierecht, Afl. 224,60 aan explootkosten en Afl. 1.500- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 oktober 2015 in aanwezigheid van de griffier.