Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:351

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
28-09-2015
Zaaknummer
A.R. 469 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, verkampte exequatur procedure, buitenlandse vonnis voldoen naar Arubaans recht, uitvoerbaar bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 23 september 2015

Behorend bij A.R. 469 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de rechtspersonen naar vreemd recht

BETTEROADS ASPHALT CORPORATION en BETTERECYCLING CORPORATION,

in Puerto Rico,

hierna ook te noemen: Betteroads c.s.,

gemachtigde: de advocaat mr. C.R.O. Richardson,

tegen:

Gedaagde 1,

de naamloze vennootschap

AREVENCA ARUBA HOLDING N.V.,

de naamloze vennootschap

AREVENCA ARUBA REFINERY N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Gedaagden., respectievelijk Gedaagde 1, Holding en Rifinery,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Bij uitspraak van 5 april 2013 van de Commonwealth of Puerto Rico, Court of first instance, judicial region of San Juan, Superior Court heeft dat gerecht geconstateerd, dat tegen Gedaagden op 24 januari 2013 verstek werd verleend (proceeded to enter default on January 24, 2013) en heeft het gerecht de overeenkomst tussen (onder meer) partijen in dit geding ongedaan gemaakt (cancelled) en Gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van US$ 7,8 miljoen, met kosten. Kennisgeving van de uitspraak is gedaan op 24 mei 2014 in het dagblad El Nueco Dia.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Betteroads c.s. vorderen – uitvoerbaar bij voorraad – Gedaagden te veroordelen tot datgene waartoe zij in voormelde uitspraak zijn veroordeeld, met veroordeling van Gedaagden tot vergoeding van de proceskosten, waaronder de beslagkosten.

3.2

Betteroads grondt de vordering erop dat Gedaagden naar Arubaans recht gehouden zijn aan de inhoud van het buitenlandse vonnis te voldoen.

3.3

Gedaagden voeren hiertegen verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van Betteroads c.s. in de proceskosten.

4 DE BEOORDELING

4.1.

In zijn arrest van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, heeft de Hoge Raad met betrekking Nederlandse variant van artikel 431 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overwogen:

3.5.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat voor toewijsbaarheid van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv rechtens niet het vereiste geldt dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in zijn land van herkomst.

Onderdeel 2 klaagt dat voor zover het ontbreken van uitvoerbaarheid van het Russische vonnis in de Russische Federatie in de weg kan staan aan een veroordeling conform dit vonnis, het hof heeft miskend dat het op de voet van art. 431 lid 2 Rv was gehouden de zaak opnieuw te behandelen en af te doen en op de voet van art. 23 Rv behoorde te beslissen op al hetgeen Gazprombank heeft gevorderd en aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

3.6.1.

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

3.6.2.

Op grond van art. 431 lid 1 Rv kunnen noch beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat, noch buiten Nederland verleden authentieke akten, binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of een wettelijke bepaling, een en ander als bedoeld in art. 985 dan wel art. 993 leden 1 en 2 Rv.

Op grond van art. 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter.

3.6.3.

Indien op de voet van art. 431 lid 2 Rv het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, p. 91; HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978, NJ 1997/258).

3.6.4.

In een geding op de voet van art. 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

3.6.5.

Strekt de vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor in 3.6.4 vermelde voorwaarden, dan dient de rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar (vgl. voor het geval waarin de buitenlandse rechter op grond van een forumkeuzeclausule bij uitsluiting bevoegd was HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, en HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350).

3.6.6.

Toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is. In dit verband is van belang waarop de niet-uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing berust.

3.6.7.

In het kader van het EEX-Verdrag is beslist (HvJEU 29 april 1999 (zaak C-267/97), ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477 (Coursier/Fortis Bank)) dat het begrip “uitvoerbaar” in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van de buitenlandse beslissing, en niet op de voorwaarden waaronder die beslissing in de staat van herkomst ten uitvoer kan worden gelegd. Volgens het HvJEU moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of een beslissing formeel gezien uitvoerbaar is, en de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om andere reden niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.6.8.

Van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, is onder meer sprake indien tegen de (niet bij voorraad uitvoerbare) beslissing in het land van herkomst een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld, dan wel de beslissing door een hogere rechterlijke instantie van het land van herkomst is vernietigd. Een dergelijk beletsel dient zich eveneens aan indien in de beslissing zelf is bepaald of daaruit voortvloeit dat deze slechts binnen een bepaalde termijn kan worden ten uitvoer gelegd en deze termijn nog niet is aangevangen dan wel reeds is verstreken.

Onder een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing als hiervoor in 3.6.7 bedoeld, kan echter niet worden verstaan de verjaring of het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de beslissing krachtens het recht van het land van herkomst daarvan, nu een en ander op zichzelf het gezag van de beslissing niet aantast.

3.6.9.

Er is geen grond om in geval van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv andere uitgangspunten te hanteren bij de beoordeling van beletselen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing dan hiervoor in 3.6.7-3.6.8 zijn vermeld.

Daarbij verdient opmerking dat de stelplicht en de bewijslast ter zake van een beletsel met betrekking tot de uitvoerbaarheid als hier bedoeld, rusten op degene die aanvoert dat sprake is van een dergelijk beletsel.

3.6.10.

Hetgeen hiervoor in 3.6.4-3.6.9 is overwogen, laat onverlet dat degene die zich verweert tegen toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv, daartoe kan aanvoeren dat hetgeen in de buitenlandse beslissing is toegewezen, geheel of gedeeltelijk niet (langer) verschuldigd is, mits dit verweer niet aan de orde kon worden gesteld in de procedure die heeft geleid tot de buitenlandse beslissing, of dit verweer nadien is opgekomen. In een procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan derhalve een beroep worden gedaan op een betaling of verrekening die heeft plaatsgevonden nadat de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen.

3.6.11.

Ten slotte verdient opmerking dat de partij die in een geding ten overstaan van een buitenlandse rechter een voor haar gunstige beslissing heeft verkregen, niet is gehouden om in de procedure op grond van art. 431 lid 2 Rv een vordering in te stellen die strekt tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Het staat deze partij vrij om een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil aan de rechter te vragen. In het laatste geval is het aan de rechter om te oordelen of, en zo ja, welke bewijskracht aan de buitenlandse beslissing wordt toegekend (vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123).

Deze nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil kan ook subsidiair worden verlangd, voor het geval de primaire vordering die strekt tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, niet voor toewijzing vatbaar is.

3.7.

Hetgeen hiervoor in 3.6.6-3.6.9 is overwogen, brengt mee dat onderdeel 1 faalt voor zover het tot uitgangspunt neemt dat voor toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv niet het vereiste geldt dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst. Toewijzing van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv kan immers afstuiten op de grond dat de buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is.

Onderdeel 1 slaagt evenwel voor zover het opkomt tegen het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval sprake is van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van het Russische vonnis. Door het beroep van Bensadon op het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het Russische vonnis volgens het Russische recht te honoreren, heeft het hof miskend dat dit verval niet het gezag van het Russische vonnis aantast, maar slechts meebrengt dat dit vonnis in de Russische Federatie niet meer ten uitvoer kan worden gelegd.

3.8.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. In cassatie staat vast dat het Russische vonnis voldoet aan de vereisten die gelden voor de erkenning van een buitenlands vonnis in Nederland en dat het in Nederland wordt erkend (zie hiervoor in 3.4.3). Voor zover in cassatie van belang heeft Bensadon in hoger beroep het eindvonnis van de rechtbank voor zover daarin de vordering van Gazprombank in conventie is toegewezen, louter bestreden met een beroep op het verval van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het Russische vonnis in de Russische Federatie volgens het Russische recht, welk beroep blijkens hetgeen hiervoor in 3.7 is overwogen, geen doel treft. De Hoge Raad zal dan ook het bestreden arrest vernietigen en het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigen.

4.2.

In de onderhavige procedure hebben Betteroads c.s. gevorderd Gedaagden te veroordelen aan het buitenlandse vonnis te voldoen. Een geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.6.11 van het aangehaalde arrest doet zich dus niet voor.

4.3.

Uit de buitenlandse uitspraak blijkt dat de rechterlijke autoriteit op 1 oktober 2012 heeft besloten dat Gedaagden, als niet in Puerto Rico wonend of gevestigd noch anderszins vertegenwoordigd, middels openbare kennisgeving (summons by publication) in rechte konden worden betrokken. In zijn uitspraak van 5 april 2013 heeft de rechterlijke autoriteit geconstateerd dat aan de voorwaarden voor kennisgeving is voldaan (Having proven service of proces by publication of the aforementioned codefendants through the publication of summons and personal notice to them at there last address). Verder heeft de rechterlijke autoriteit geconstateerd dat haar internationale rechtsmacht toekwam op grond van Rule 3.1(a)(2) of Civil Procedure of Puerto Rico, 32 App. V.
De rechterlijke autoriteit heeft in dat verband overwogen:
As appears in the properly alleged facts in the Complaint, non-residents codefendants had significant contacts with the forum insofar as the approaches made to plaintiffs, the offering of the product, the negotiations for the acquisition of the asphalt were carried out in Puerto Rico, the approach to acquire the Coco Beach Complex in Rio Grande, Puerto Rico, inspection, conversations, and related representations were made in Puerto Rico, through agents and representatives in Puerto Rico who did business on their behalf and for them, the wire transfers for the payment of asphalt originated form Banco Popular de Puerto Rico in San Juan, Puerto Rico, the asphalt would be delivered in Puerto Rico and codefendants sent e-mails and other documents to plaintiff to their address in Puerto Rico.
The above circumstances establish minimum contacts of non-resident defendants with Puerto Rico who have clearly benefited from this jurisdiction, directing their efforts towards this jurisdiction and benefiting therefrom. This makes Rule 3.1(a)(2) of Civil Procedure of Puerto Rico, 32 App. V, Rule 3.1(a)(2), also known as the “long arm statute”, applicable tot them.

4.4.

Het gerecht is van oordeel dat daarmee: i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Arubaanse openbare orde of de openbare orde van het Nederlandse Koninkrijk, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Arubaanse rechter dan wel een andere rechter binnen het Koninkrijk wiens beslissing alhier op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden rechtskracht heeft, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust en die hier kan worden erkend.

4.5.

De omstandigheid dat het een uitspraak na verstekverlening betreft doet daaraan niet af, noch de omstandigheid dat Gedaagden in Aruba woonachtig of gevestigd zijn. De buitenlandse rechterlijke autoriteit heeft geconstateerd dat Gedaagden deugdelijk zijn opgeroepen. Gedaagden hebben niet aangegeven hoe zij dan wel hadden moeten worden opgeroepen. De buitenlandse rechterlijke autoriteit heeft verder geconcludeerd dat het geschil voldoende aanknopingspunten met de Puerto Ricaanse rechtssfeer heeft om haar rechtsmacht te constitueren. Anders dan Gedaagden heeft de rechter in Puerto Rico geoordeeld dat de overeenkomst voldoende aanknopingspunten met zijn rechtssfeer had. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en in ieder geval niet zodanig onbegrijpelijk dat dit aan erkenning van de uitspraak hier te lande in de weg staat. Ook overigens wordt door de veroordeling tot nakoming van een terugbetalingsverplichting geen inbreuk gemaakt op de Arubaanse openbare orde of die van het Koninkrijk.

4.6.

Gedaagden voeren ten slotte nog aan dat de uitspraak in Puerto Rico niet in kracht van gewijsde zou zijn gegaan of onherroepelijk is geworden. Voor toewijzing van de vordering tot veroordeling van hetgeen waartoe Gedaagden in het buitenland werd veroordeeld is niet nodig dat – kort gezegd – tegen de uitspraak geen (gewoon) rechtsmiddel meer openstaat. De onderhavige vordering is niet op artikel 985 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gebaseerd. Uit het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt dat de vordering dient te worden afgewezen als sprake is van een beletsel met betrekking tot de formele uitvoerbaarheid van een buitenlandse beslissing, zoals wanneer tegen de (niet bij voorraad uitvoerbare) beslissing in het land van herkomst een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld, dan wel de beslissing door een hogere rechterlijke instantie van het land van herkomst is vernietigd. Gedaagden betwisten echter niet dat de uitspraak, niettegenstaande de vraag of die in kracht van gewijsde gegaan is, in Puerto Rico uitvoerbaar is. Ook die omstandigheid staat aan toewijzing van de vordering dus niet in de weg.

4.7.

Als de in het ongelijk te stellen partijen zullen Gedaagden de proceskosten van Betteroads c.s. dienen te vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

veroordeelt Gedaagden tot nakoming van datgene waartoe zij krachtens de uitspraak van 5 april 2013 jegens Betteroads c.s. zijn veroordeeld;

veroordeelt Gedaagden in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Betteroads worden begroot op Afl. 900, aan griffierecht, Afl. 214, aan explootkosten voor iedere gedaagde voor zich en Afl. 12.200, aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.