Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:347

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
LAR nr. 206 van 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

restitutie transactiebedrag – beroep gegrond, bezwaar niet-ontvankelijk want transactievoorstel is geen beschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 september 2015

LAR nr. 206 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

A,

wonende in Aruba,

APPELLANT

gemachtigde: de heer S. Maduro

gericht tegen:

Het Openbaar Ministerie Aruba,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. D.N. Herdé en mr. C.D. Kardol

1 PROCESVERLOOP

Verweerder heeft op 9 januari 2015 een transactievoorstel ter voorkoming van verdere strafvervolging aan appellant gedaan. Appellant heeft op 12 januari 2015 de transactie voldaan.

Appellant heeft op 12 januari 2015 bezwaar gemaakt tegen het transactievoorstel.

Op 27 januari 2015 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft op 26 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 juni 2015, alwaar appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. Herdé.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Het beroep strekt ertoe het transactievoorstel te vernietigen en te bepalen dat verweerder aan appellant het onterecht betaald bedrag aan transactie restitueert. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een transactievoorstel heeft gedaan, omdat hij geen bepalingen van de Landsverordening in- uit- en doorvoer heeft overtreden en geen strafbaar feit heeft gepleegd. Appellant stelt dat dat hij de transactie heeft betaald omdat de goederen die hij had ingevoerd ten onrechte werden vastgehouden en zijn klanten ongeduldig werden.

Ter zitting heeft appellant gesteld dat hij bij indiening van het beroepschrift heeft vermeld dat het in deze een strafzaak betreft, maar dat onderhavig beroepschrift door de griffie van dit gerecht is aangemerkt als een beroepschrift in de zin van de Lar.

De ontvankelijkheid

2.2

Aan appellant is op 9 januari 2015 door de officier van justitie een transactievoorstel van Afl. 3.590,30 gedaan ten einde ter zake van een geconstateerde overtreding van artikel 233 van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer, verdere strafvervolging te voorkomen.

Ingevolge artikel 1:149, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen ter voorkoming van de strafvervolging. Door voldoening aan die voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering. Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel kan onder andere de volgende voorwaarde worden gesteld: betaling aan het Land van een geldsom, te bepalen op ten minste Afl. 5,- en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan, wanneer een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet doorgezet, de rechtsreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen.

2.3

Nu appellant tegen het transactievoorstel zowel bezwaar bij het openbaar ministerie als beroep bij het gerecht heeft ingesteld, en geen van beide geschriften een beklag wegens niet verdere vervolging op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering behelst, kan het gerecht appellant niet volgen in zijn stelling dat hij met onderhavig beroepschrift een strafrechtelijke procedure heeft beoogd.

2.4

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lar wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder beschikking: een op enig rechtsgevolg gericht schriftelijk besluit van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid, onderdeel e, van dit artikel zijn van het begrip beschikking onder meer uitgezonderd: besluiten, genomen op grond van een bepaling van strafrechtelijke aard, voor zover betrekking hebbend op een verdachte of een gevonnist persoon.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

Ingevolge artikel 23, eerste lid kan degene die rechtsreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing, daartegen beroep instellen bij het gerecht. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het uitblijven van een beslissing op een bezwaarschrift binnen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde termijn, wordt gelijkgesteld met een afwijzende beslissing.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

2.5

Het gerecht stelt voorop dat een beslissing op bezwaar, ook indien het bezwaar betrekking heeft op een besluit genomen op grond van een bepaling van strafrechtelijke aard, naar haar aard gericht is op publiekrechtelijk rechtsgevolg. Door deze beslissing neemt immers de door de indiener op grond van de Lar geëntameerde bezwaarschriftprocedure een einde1. Ook het uitblijven van een beslissing op een dergelijk bezwaar binnen de voor het nemen daarvan gestelde termijn is derhalve op grond van artikel 23, tweede lid, van de Lar vatbaar voor beroep. Het door verweerder in zijn verweerschrift ingenomen standpunt dat er geen sprake is van een beschikking waartegen beroep openstaat en het beroepschrift om die reden kennelijk niet-ontvankelijk is, is derhalve onjuist.

2.6

In dit geval heeft appellant onderhavig beroep ingesteld reeds veertien dagen nadat hij zijn bezwaarschrift heeft ingediend. De bezwaartermijn was op dat moment evenwel nog niet verlopen, zodat van een uitblijven van een beslissing op bezwaar binnen de voor het nemen daarvan gestelde termijn, geen sprake was. Het beroep is derhalve prematuur ingesteld. Vast staat echter dat ten tijde van de behandeling van onderhavig beroep, toen de bezwaartermijn al wel was verlopen, nog geen beslissing op het bezwaarschrift was genomen. Gelet hierop en op hetgeen hierna over de ontvankelijkheid van het bezwaar wordt overwogen, ziet het gerecht geen aanleiding om appellant niet-ontvankelijk te verklaren in onderhavig beroep.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar

2.7

Het transactievoorstel van 9 januari 2015, waartegen het bezwaar is gericht, is een besluit genomen op grond van een bepaling van strafrechtelijke aard, voor zover betrekking hebbend op een verdachte. Een dergelijke besluit is, ingevolge artikel 2, lid 2 en onder sub e van de Lar, geen beschikking in de zin van de Lar. Dit betekent dat tegen het transactievoorstel van 9 januari 2015 geen bezwaar op grond van de Lar open stond. Het bezwaarschrift van appellant van 12 januari 2015 is derhalve niet-ontvankelijk.

2.8

Nu verweerder het bij hem door de appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren, ziet het gerecht aanleiding om op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- verklaart het door appellant ingediende bezwaarschrift van 12 januari 2015 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).

1 Zie ook: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 28 mei 2012, LJN: BX6128.