Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:334

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
A.R. nr. 2114 van 2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel, schadeloosstelling, aansprakelijkheid, niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 september 2015

Behorend bij A.R. nr. 2114 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

FATUM GENERAL INSURANCE ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Fatum,

gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch,

tegen:

Gedaagde,

wonende in Nederland te (Adres), voor deze zaak gedomicilieerd ten kantore van zijn hierna genoemde in Aruba gevestigde gemachtigde,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. D.L. Emerencia.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord;

-de op 10 juni 2014 door Fatum ter griffie ingediende akte, houdende een verzoek ex het derde lid van artikel 40 Rv;

-het schrijven van de Officier van Justitie van 13 juni 2014;

-de conclusie van repliek, met één productie;

-de conclusie van dupliek, met één productie;

-de door Fatum genomen akte houdende uitlatingen productie.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Fatum vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis kosten rechtens Gedaagde veroordeelt om aan Fatum te betalen Afl. 54.994,30, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 6 juli 2010 althans 27 september 2011 tot aan de algehele voldoening, althans te dezen enige andere juist voorkomende beslissing neemt.

2.2

Gedaagde voert verweer en concludeert dat Fatum niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat Fatum niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van Gedaagde wordt daarom verworpen.

3.2

Vast staat dat Gedaagde op 6 juli 2010 als bestuurder van een bij Fatum verzekerde (niet aan hem toebehorende) auto een verkeersongeval heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan Fatum het in hoofdsom gevorderde bedrag heeft uitbetaald aan schadeloosstelling (hierna: het ongeval). Fatum voert ter zake van die schadeloosstelling regres op Gedaagde op de voet van artikel 12 sub I van haar polisvoorwaarden. Dat artikel (in verbinding met de aanhef daarvan ) luidt: “Niet gedekt is de aansprakelijkheid van degene die in zodanige mate ongeschikt was tot het besturen van motorrijtuigen dat hem zulks door wet of overheid is verboden.”.

3.3

Fatum stelt in voormeld verband onder meer dat Gedaagde ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcohol en/of een andere stof verkeerde dat hij niet in staat was de auto naar behoren te besturen. Die stelling heeft Van de Wals gemotiveerd bestreden, en staat daarom niet vast. Hierbij wordt nog overwogen dat de juistheid van de stelling van Fatum niet blijkt uit het door partijen genoegzaam bekende mutatierapport van de politie en/of uit overgelegde berichten uit de media en/of uit voormeld schrijven van de Officier van Justitie. Ook uit het feit dat het Openbaar Ministerie de zaak met betrekking tot het ongeval heeft getransigeerd volgt de juistheid van bedoelde stelling niet. Nu Fatum dat heeft aangeboden, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om haar voormelde door het Gerecht onderstreepte stelling met alle middelen rechtens te bewijzen, te beginnen met het doen horen van door Fatum voor te brengen getuigen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in het dictum vermelde terechtzitting. Fatum dient uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan Gedaagde.

3.4

Alvast wordt het volgende overwogen. Ingevolge het eerste lid van artikel 5 van de Landsverordening wegverkeer is het de bestuurder van een voertuig verboden dit te besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik ervan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht. Indien op grond van bewijslevering de door Fatum te bewijzen stelling komt vast te staan, heeft te gelden dat het Gedaagde krachtens de hier weergeven wettelijke bepaling verboden was om ten tijde van het ongeval een (motor)voertuig te besturen. Op grond van de hiervoor weergegeven toepasselijke polisvoorwaarde is Gedaagde in dat geval in beginsel het door Fatum uitgekeerde bedrag aan schadeloosstelling verschuldigd aan Fatum.

3.5

In afwachting van bewijslevering en de daarna door partijen te nemen conclusies na bewijslevering (te beginnen bij Fatum) wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-stelt Fatum in de gelegenheid om met alle middelen rechtens, te beginnen met het doen horen van getuigen, in de gelegenheid om te bewijzen hetgeen zij ingevolge rechtsoverweging 3.3 dient te bewijzen, en verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van donderdag 15 oktober 2015 om 14:30 uur;

-bepaalt dat Fatum uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuige(n) schriftelijk kenbaar moet maken aan het Gerecht en aan Gedaagde;

-bepaalt dat er tijdens voormelde zitting maximaal twee getuigen kunnen worden gehoord, en dat mogelijke verdere getuigen op een nog nader te bepalen zitting kunnen worden voorgebracht;

-houdt in afwachting van bewijslevering en de daarna door partijen te nemen conclusies na bewijslevering (te beginnen met Fatum) iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.