Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:309

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
EJ nr. 1485 van 2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging van de erkenning van de minderjarige/Vervangende toestemming om de minderjarige te erkennen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 15 september 2015

behorend bij EJ nr. 1485 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

De man,

wonende in Aruba,

VERZOEK,

gemachtigde: de advocaat mr. E.C.P.M. Kok,

tegen

De moeder,

wonende in Aruba,

VERWEER, hierna te noemen: de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Malmberg.

Belanghebbenden:

De minderjarige, de minderjarige,

vertegenwoordigd door de bijzonder curator (DE VOOGDIJRAAD),

De juridische vader, de juridische vader.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure, blijkt uit de tussenbeschikking van dit gerecht van 17 maart 2015, alsmede uit de akte uitlating van de bijzonder curator, ingediend op 4 juni 2015. De uitspraak is hierna bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

Vernietiging erkenning

2.1

Bij bovengenoemde tussenbeschikking van 17 maart 2015, heeft het gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man, overwogen dat het onder de gegeven omstandigheden voor de man mogelijk is om de erkenning van de minderjarige door de juridische vader voornoemd (hierna te noemen: de juridische vader) aan te tasten indien de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij de erkenning en de daartegenover staande belangen van de moeder - telkens in verband met de belangen van het kind -, niet in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de juridische vader heeft kunnen komen. Het gerecht heeft voorts overwogen dat beantwoording van deze vraag pas mogelijk is nadat de bijzondere curator zijn mening hierover aan het gerecht kenbaar heeft gemaakt.

2.2

De bijzondere curator heeft in zijn akte uitlating het volgende naar voren gebracht.

De man heeft dagelijks contact met de moeder om te vragen hoe het met de minderjarige gaat. De vrouw zegt tegen de minderjarige dat de man haar vader is. De man wil betrokken zijn in het leven van de minderjarige, hij wil voor haar zorgen en wil dat de minderjarige zijn achternaam draagt. Het een en ander zodat de maatschappelijke en juridische werkelijkheid met elkaar zullen overeenstemmen. De moeder heeft geweigerd de man toestemming te verlenen om de minderjarige te erkennen, omdat de man niet heeft willen voldoen aan de door haar gestelde voorwaarde dat hij ook haar andere zoon, die niet zijn biologisch kind is, erkent. Dit, zodat er binnen haar gezin eenheid van geslachtsnaam bestaat. De bijzondere curator stelt dat uitgangspunt is dat de minderjarige en de man er recht op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Voorts is de bijzondere curator van mening dat de moeder geen rechtens te respecteren belang had bij haar weigering de man de minderjarige te laten erkennen, noch bij haar toestemming om de juridische vader de minderjarige te laten erkennen. De bijzondere curator verzoekt daarom namens de minderjarige om de erkenning van de minderjarige door de juridische vader te vernietigen.

2.3

Gelet hierop is het gerecht van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning van de minderjarige door de juridische vader.

2.4

Het gerecht is voorts van oordeel dat de moeder, onder de gegeven omstandigheden, in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming voor erkenning aan de juridische vader had kunnen komen. Dit betekent dat de erkenning door de juridische vader nietig is. In zoverre zal het verzoek van de man worden toegewezen.

Vervangende toestemming voor erkenning

2.5

Vervolgens ligt voor de vraag of aan de man vervangende toestemming tot erkenning moet worden verleend. Ingevolge artikel 1: 204, lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van het gerecht in eerste aanleg worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de verwekker is van de minderjarige. Zoals reeds in voornoemde tussenbeschikking is geoordeeld is het verwekkerschap van de man hiermee afdoende vast komen te staan.

2.7

De moeder heeft zich verzet tegen een erkenning door de man, omdat bijgevolg de minderjarige de geslachtsnaam van de man zal krijgen, en omdat tussen de minderjarige en de man nauwelijks contact bestaat terwijl de minderjarige opgroeit in een hecht gezin met haar moeder, juridische vader en broer.

2.8

Het gerecht overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel de minderjarige als de verwekker er recht op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang en het recht van de man op erkenning van de minderjarige moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en de minderjarige bij niet-erkenning.

Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Emotionele weerstand van de moeder tegen de erkenning is op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind. Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard (zie Hoge Raad 16 februari 2001, NJ 2001, 571) dat van schade aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW, slechts sprake is, indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind (enige) weerslag zou ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op zijn of haar gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als schade aan zijn of haar belangen.

2.9

De vraag die voorligt, is of de voorgenomen erkenning de belangen van de minderjarige en/of de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal schaden.

2.10

Het is aan de moeder om feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenafweging dient te leiden tot een afwijzing van het verzoek van de man. Anders dan de moeder kennelijk meent, is family life tussen de verwekker en het kind geen vereiste om in aanmerking te komen voor vervangende toestemming. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat de vervangende toestemming tot erkenning een zodanige (psychische) belasting voor de moeder teweeg zal brengen dat dit een negatieve weerslag zal hebben op de verhouding tussen haar en de minderjarige. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de minderjarige zal worden belemmerd in een evenwichtig sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De moeder heeft geen argumenten aangedragen die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen.

2.11

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen op grond van het bovenstaande, zal worden toegewezen.

Wijziging ouderlijk gezag en omgang

2.12

Reeds bij de tussenbeschikking van dit gerecht van 17 maart 2015 is de Voogdijraad verzocht onderzoek in te stellen en te adviseren over het verzoek van de man om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarig en om een omgangsregeling vast te stellen.

De Voogdijraad heeft op 4 juni 2015 meegedeeld eerst het advies van de bijzondere curator af te wachten alvorens het verzochte onderzoek te verrichten.

2.13

Gelet hierop zal het gerecht de Voogdijraad (wederom) verzoeken om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen, ter beantwoording van de vraag of in dit geval het belang van de minderjarige vereist dat alleen de moeder het gezag over haar uitoefent, alsmede de vraag of en zo ja, op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de man. De zaak zal worden verwezen naar een hieronder te noemen datum voor indiening van bedoeld adviesrapport.

2.14

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

vernietigt de erkenning door de juridische vader van de minderjarige, geboren op [datum] 2013 in Aruba uit de moeder, de moeder,

verleent de man, bij gebreke van toestemming van de moeder, vervangende toestemming om de minderjarige voornoemd te erkennen;

verzoekt de Voogdijraad om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover een adviesrapport uit te brengen, ter beantwoording van de hierboven in overweging 2.13 geformuleerde vragen;

verwijst de zaak naar de zitting van dinsdag 8 december 2015 om 8:30 uur, voor overlegging van het rapport zijdens de Voogdijraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van 15 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.