Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:308

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
L.A.R. nr. 1790 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 54 Lar-procedure; Landsverordening toezicht kredietwezen; schorsing beschikking bestuurlijke boete; belangenafweging; oordeel beperkt tot vraag of verzoekster spoedeisend belang heeft; bij invordering van een dergelijk hoog boetebedrag kan er van uit worden gegaan dat dit directe en aanmerkelijke gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van verzoekster en aangenomen dient te worden dat een eventuele latere vernietiging van de bestreden beschikking de nadelige gevolgen voor verzoekster niet voldoende zal kunnen wegnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 14 september 2015

L.A.R. nr. 1790 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

De naamloze vennootschap [X] N.V.,

gevestigd in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigden: de advocaten mrs. M.G.M. Schwengle, L.M. Virginia en C.A.P. Schröder,

gericht tegen:

CENTRALE BANK VAN ARUBA,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: mrs. R.A. Vleeming en A.V. Croes-Flemming.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Bij beschikking van 2 juli 2015 heeft de CBA, na verzoekster in de gelegenheid te hebben gesteld haar zienswijze daaromtrent naar voren te brengen, aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd van Afl. 250.000,-, wegens overtreding van artikel 7, lid 2 van de Landsverordening toezicht kredietwezen (hierna: Ltk).

1.2

Tegen deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) heeft verzoekster op 17 juli 2015 bezwaar gemaakt.

1.3

Op 14 augustus 2015 heeft verzoekster onderhavig verzoekschrift ingediend, strekkende tot het schorsen van de bestreden beschikking totdat onherroepelijk op het bezwaar zal zijn beslist, een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom.

1.4

Het verzoek is mondeling behandeld ter zitting van 24 augustus 2015, alwaar partijen zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden voornoemd. Nadat partijen hun standpunten nader hebben uiteengezet - mede aan de hand van overgelegde schriftelijke aantekeningen - en over en weer op elkaar hebben kunnen reageren, is uitspraak bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

2.2

Voor honorering van het verzoek is onder meer vereist dat een aanmerkelijke kans dient te bestaan dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven, en dat een eventuele latere vernietiging van de bestreden beschikking de nadelige gevolgen voor de belanghebbende niet voldoende zal kunnen wegnemen.

2.3

Het geschil dat partijen in de bezwaarprocedure verdeeld houdt, betreft, kort gezegd, de vraag of verweerder op goede gronden gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 35a, lid 2 van de Ltk (AB 2013 no. 1, zoals gewijzigd bij AB 2014 no. 12) om aan verzoekster een bestuurlijke boete op te leggen.

2.4

Verweerder is van mening dat verzoekster in de periode van 30 oktober 2014 tot 30 januari 2015, heeft gehandeld in strijd met artikel 7 lid 2 van de Ltk, omdat de raad van commissarissen (RvC) van verzoekster in die periode uit slechts twee personen bestond, en heeft haar, om die reden, een bestuurlijke boete opgelegd.

2.5

Verzoekster heeft – kort samengevat – gesteld dat de tijdelijke overtreding van artikel 7, lid 2 van de Ltk haar niet kan worden verweten, althans dat hier geen sprake is van een ernstige overtreding van lange duur, zodat verweerder had kunnen volstaan met een minder ernstige maatregel, althans dat verweerder onder de gegeven omstandigheden verzoekster met toepassing van artikel 7, lid 4 van de Ltk (tijdelijke) ontheffing had kunnen verlenen van dit vereiste. Voorts heeft verzoekster gesteld dat de opgelegde boete buitenproportioneel hoog is en dat zij de draagkracht niet heeft om deze te betalen, nu de boete bijna 13% van haar winst in 2014 bedraagt, en dat betaling van de boete haar bedrijfsvoering negatief zal beïnvloeden.

2.6

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 7, lid 2 van de Ltk dat een kredietinstelling een raad van commissarissen heeft, die uit ten minste drie natuurlijke personen bestaat. Ingevolge het vierde lid kan verweerder aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid.

Ingevolge artikel 35a van de Ltk kan verweerder ter zake van overtreding van voornoemde bepaling een last onder dwangsom opleggen (lid 1) of een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste Afl. 1.000.000,- (lid 2).

2.7

In dit geval staat tussen partijen het volgende vast.

Verzoekster heeft een RvC dat bestaat uit drie natuurlijke personen.

Op 29 oktober 2014 heeft een lid van de RvC van verzoekster, ontslag genomen en met onmiddellijke ingang zijn functie neergelegd.

Bij brief van 31 oktober 2014 heeft verzoekster verweerder van dit ontslag op de hoogte gesteld, alsmede van het voornemen om de heer prof. mr. J.M. Saleh, als lid van de RvC te benoemen.

Op 5 december 2014 heeft verzoekster verweerder schriftelijk verzocht om goedkeuring voor de benoeming van voornoemde persoon als lid van de RvC.

Bij brief van 21 januari 2015 heeft verweerder verzoekster bericht dat het verzoek onvolledig is.

Op 30 januari 2015 heeft verzoekster de ontbrekende informatie en documenten bij verweerder ingediend.

Bij brief van 8 april 2015 heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van zijn voornemen om een bestuurlijke boete op te leggen en haar in de gelegenheid gesteld daarover haar zienswijze naar voren te brengen. Verzoekster heeft op 24 april 2015 schriftelijk van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij brief van 25 mei 2015 heeft verweerder de benoeming van de heer Saleh als lid van de RvC van verzoekster, goedgekeurd.

Bij de bestreden beschikking van 2 juli 2015 heeft verweerder aan verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd, met de bepaling dat deze boete binnen zes weken betaald dient te worden.

Op 17 augustus 2015 heeft verweerder verzoekster aangemaand om binnen twee weken de boete, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen. Bij die brief heeft verweerder tevens invordering bij dwangbevel aangekondigd.

2.8

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in deze een complexe materie betreft die zich niet leent om in het kader van onderhavige procedure, ook al betreft het een voorlopig oordeel, af te doen. Om die reden beperkt de voorzieningenrechter zich tot de vraag of verzoekster thans een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening, te weten het opschorten van de boete totdat onherroepelijk op het bezwaar is beslist. Dit belang dient te worden afgewogen tegen het belang dat verweerder heeft bij het innen van de boete.

2.9

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dienen in het onderhavige geval de belangen van verzoekster zwaarder te wegen dan de belangen van verweerder. Het gaat immers om een, voor verzoekster, aanmerkelijk financieel belang. Bij de invordering van een dergelijk hoog boetebedrag kan er van uit worden gegaan dat dit directe en aanmerkelijke gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van verzoekster. Aangenomen dient dan ook te worden dat een eventuele latere vernietiging van de bestreden beschikking de nadelige gevolgen voor verzoekster niet voldoende zal kunnen wegnemen.

2.10

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking zal worden geschorst. Voor het opleggen van een dwangsom is in dit geval, gelet op het bepaalde in artikel 56 van de Lar, geen grondslag. Evenmin is grondslag voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

3 BESLSSING

De rechter in dit gerecht:

schorst de beschikking van de Centrale Bank van Aruba van 2 juli 2015, met kenmerk [x], totdat op het daartegen gerichte bezwaarschrift is beslist;

gelast de teruggave van het door verzoekster gestorte griffierecht ad Afl. 25,--;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 14 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.