Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:286

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
E.J. 270 van 2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, nietig ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1678
AR-Updates.nl 2015-0880
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 8 september 2015

Behorend bij E.J. 270 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

A

wonende te Aruba,

verzoekster, hierna ook te noemen: A,

gemachtigde: de heer advocaat mr. P.A.J. van der Biezen,

tegen:

FUNDACION PA MANEHO DI ADICCION ARUBA (FMAA),

gevestigd te Aruba,

verweerster, hierna ook te noemen: FMAA,

gemachtigde: de heer advocaat mr. M.G.A. Baiz.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief van 25 juni 2015 met producties aan de zijde van A;

- de brief van 26 juni 2015 met producties aan de zijde van FMAA;

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van mr. Van der Biezen;

- de overgelegde aantekeningen ter zitting van mr. Baiz;

- de behandeling ter zitting van 30 juni 2015 en de daarvan gemaakte aantekeningen.

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zou worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

A is op 2 september 2013 voor de duur van 3 jaar in dienst getreden bij FMAA in de functie van 2e medewerker verslavingszorg. Haar bruto maandloon bedraagt
Afl. 2.360,00.

2.2

Artikel 4 van de arbeidsovereenkomst luidt:

Op deze overeenkomst worden tevens van toepassing verklaard:

  1. […]

  2. […]

  3. De vijfde afdeling van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 1615f.

2.3

Bij brief van 28 april 2014 heeft FMAA de arbeidsovereenkomst met A opgezegd per 31 juli 2014.

2.4

Bij brief van 11 juni 2014 wordt de ontslagbrief ingetrokken.

2.5

Bij brief van 23 juli 2014 wordt wederom de arbeidsovereenkomst met A opgezegd per 1 augustus, onder vermelding dat FMAA de gewenste subsidie van het Land niet meer krijgt.

2.6

Bij brief van 14 augustus 2014 heeft A de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich beschikbaar gesteld voor de bedongen werkzaamheden.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

A verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad om FMAA te bevelen haar toe te laten tot haar werk binnen twee dagen na betekening van deze beschikking en op straffe van een dwangsom van Afl. 1.000,00 per dag dat FMAA nalaat aan dit bevel te voldoen en doorbetaling van haar loon vanaf 1 augustus 2014 tot de dag dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd en met veroordeling van FMAA in de kosten van dit geding.

3.2

A baseert haar verzoek op haar stellingen in de brief van 14 augustus 2014, zie r.o. 2.6.

3.3

FMAA voert gemotiveerd verweer dat bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag of FMAA gerechtigd was de arbeidsovereenkomst met A op de in r.o. 2.5 beschreven wijze te beëindigen.

4.2

Als eerste zal worden behandeld het verweer van FMAA dat A niet ontvankelijk is omdat zij het Land in rechte had dienen te betrekken, aangezien FMAA gelijk gesteld dient te worden met een publiekrechtelijk lichaam. Dit verweer wordt verworpen, waartoe als volgt wordt overwogen.

4.3

Vast staat dat FMAA een instelling is die gesubsidieerd wordt door het Land en voorkomt op de begroting van het onderdeel Bureau Ondersteuning Verslavingszorg. Vaste rechtspraak is inmiddels dat een instelling als publiekrechtelijk lichaam in de zin van artikel 2 sub a van de Landsverordening Beëindiging Arbeidsovereenkomsten kan worden beschouwd, indien het aanname en ontslagbeleid volledig in handen van de overheid ligt. In casu staat vast dat de Ministerraad heeft ingestemd met het aangaan van de arbeidsovereenkomst tussen FMAA en A. Aldus heeft het Land invloed op de aanname van personeel van FMAA. Tevens staat vast dat het Land invloed heeft op de omvang van het personeelsbestand van FMAA, omdat FMAA voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de personeelskosten volledig gesubsidieerd zijn. Daarentegen is niet komen vast te staan dat het Land ook invloed heeft op het ontslagbeleid. Immers, FMAA heeft er voor gekozen om A te laten afvloeien terwijl gesteld nog gebleken is dat het Land op deze keuze invloed heeft gehad. Dit heeft tot gevolg dat FMAA niet gelijk kan worden gesteld aan een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Beëindiging Arbeidsovereenkomsten (hierna LBA). Aldus is de LBA van toepassing op de arbeidsrelatie tussen partijen.

4.4

Ingevolge artikel 4 van de LBA kan de arbeidsovereenkomst in beginsel niet worden opgezegd zonder toestemming van de directeur van de directie arbeid. Nu FMAA niet beschikt over een ontslagvergunning is de opzegging nietig.

4.5

Nu het dienstverband tussen partijen onverminderd in stand is, dient de gevorderde tewerkstelling te worden beoordeeld. A heeft niet betwist dat haar loon volledig werd gesubsidieerd, deze subsidie door het Land is beëindigd en voorts is in rechte niet komen vast te staan dat FMAA een of meerdere andere inkomstenbronnen heeft waarmee zij haar personeelskosten zelf zou kunnen dragen. Daar komt bij dat er inmiddels meer dan een jaar is verstreken en FMAA haar ingekrompen organisatie anders heeft moeten inrichten. In het licht hiervan acht het gerecht toewijzing van de gevorderde tewerkstelling anno september 2015 niet langer opportuun. Dit oordeel had mogelijk anders kunnen uitvallen, indien A gemotiveerd had gesteld waarom niet zij maar een ander voor ontslag in aanmerking had dienen te komen, bijvoorbeeld op grond van het anciënniteit/ of afspiegelingsbeginsel. Nu A zich op dit punt niet dan wel onvoldoende heeft uitgelaten, houdt het gerecht het ervoor dat FMAA op juiste gronden de keuze - hoe vervelend ook - op A heeft laten vallen. Op grond van het voorgaande is de gevorderde tewerkstelling niet toewijsbaar.

4.7

Voor het geval de loonvordering van A wordt toegewezen beroept FMAA zich op matiging. Hiertoe voert FMAA aan dat zij volledig afhankelijk is van de subsidieverstrekking van het land en dat het Land aanzienlijke bezuinigingsmaatregelen heeft genomen en nog zal moeten nemen, teneinde de overheidsuitgaven terug te dringen. Aldus heeft FMAA geen middelen om het loon van A te betalen.

4.8

Tegenover het belang van FMAA om niet veroordeeld te worden tot een onmogelijke prestatie staat het gerechtvaardigde belang van A, die sedert 1 augustus 2014 geen inkomsten heeft. A heeft voorts onweersproken gesteld dat haar verblijf in Aruba afhankelijk is van haar werk bij FMAA en de ten behoeve hiervan aan haar verstrekte verblijfsvergunning. Ook heeft A onweersproken gesteld dat zij sinds 1 augustus 2014 geen ander werk heeft gevonden. Anders dan [naam van een andere werknemer] woonde A al in Aruba en is haar schade in dat opzicht beperkter. Om deze reden acht het gerecht toewijzing van de gevorderde loondoorbetaling over de periode augustus 2014 tot en met januari 2015, derhalve gedurende 6 maanden, vermeerderd met de vertragings- en wettelijke rente gerechtvaardigd. De rente wordt toegewezen vanaf de successieve vervaldagen ingaande 1 september 2014 tot de dag der voldoening.

4.8

FMAA wordt nu zij in het ongelijk is gesteld in de kosten van de procedure veroordeeld.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

veroordeelt FMAA tot betaling aan A het loon ad Afl. 2.360,00 bruto per maand, over de periode augustus 2014 tot en met januari 2015, te vermeerderen met de wettelijke en de vertragingsrente vanaf de successieve vervaldagen ingaande 1 september 2014 tot de dag der voldoening;

5.2

veroordeelt FMAA in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van A worden begroot op Afl. 50,00 aan griffierecht, Afl. 186,55 betekeningskosten en Afl. 1.000,00 aan salaris van de gemachtigde;

5.3

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 8 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.