Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:250

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
BBZ nr. 66539 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De heffingsgrondslag voor de aanslag grondbelasting 2012 van een hotel resort.

Het is aan de Inspecteur om de door hem bij het opleggen van een aanslag grondbelasting gehanteerde heffingsgrondslag aannemelijk te maken.

De Inspecteur heeft pas ter zitting een schriftelijke onderbouwing van de door hem voorgestane belastbare waarde, alsmede het taxatierapport overlegd. De rechter acht deze stukken tardief.

Belanghebbende heeft een taxatierapport heeft overlegd, opgemaakt door een taxatiebureau dat is gespecialiseerd in de taxatie van hotels. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende de door haar verdedigde waarde van het resort voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het gelijk is aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 10 juni 2015

BBZ nr. 66539 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

X Limited Partnership, gevestigd in Aruba,

BELANGHEBBENDE,

gemachtigde: Y,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

zetelend in Aruba, hierna te noemen: de Inspecteur,

gemachtigde: Z.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Met dagtekening 27 juli 2012 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een definitieve aanslag grondbelasting opgelegd, met een heffingsgrondslag van

Afl. 159.010.300,-.

1.2.Op 26 september 2012 heeft belanghebbende bezwaar ingesteld tegen voor genoemde aanslag.

1.3

Bij beslissing op bezwaar van 5 november 2013 is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft belanghebbende op 13 december 2013 beroep ingesteld. Belanghebbende heeft dit beroep op 7 mei 2014 nader gemotiveerd en daarbij een taxatierapport overgelegd.

1.5

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.6

De zaak is behandeld ter zitting van 26 maart 2015, waarbij zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende en diens taxateur en de Inspecteur bij zijn gemachtigde voornoemd. Ter zitting hebben partijen het Gerecht verzocht de uitspraak in deze zaak voor een periode van twee maanden aan te houden voor overleg tussen partijen. Het Gerecht heeft daarop aan partijen meegedeeld dat het in de maand juni 2015 uitspraak zal doen indien partijen het Gerecht niet uiterlijk op 31 mei 2015 hebben bericht dat zij tot een vergelijk zijn gekomen en dat belanghebbende het beroep zal intrekken. De meervoudige kamer van het gerecht heeft vervolgens besloten de zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer van het Gerecht in Eerste Aanleg.

1.7

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

1.8

Tijdens een r.c.-zitting op 5 juni 2015 waarbij aanwezig waren partijen en mr. G.J. van Muijen, rechter in dit Gerecht, heeft de inspecteur enige stukken, waaronder een taxatierapport, overgelegd.

2 FEITEN

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende exploiteert een hotel resort met 357 kamers, gelegen aan a- straat 1, Aruba (hierna: het resort).

2.2

Het resort beschikt over zeven restaurants, twee bars en een zogenaamde lobby-lounge; overige faciliteiten zijn onder meer een casino, een spa, zwembaden, een fitnesscentrum, diverse shops en twee tennisbanen.

3 GESCHIL

3.1

Tussen partijen is in geschil de heffingsgrondslag voor de aanslag grondbelasting 2012.

3.2.

Belanghebbende bepleit een heffingsgrondslag van Afl. 145.348.000,-.

3.3

De Inspecteur is van oordeel dat de heffingsgrondslag zoals vermeld op de aanslag grondbelasting 2012 ad Afl. 159.010.300,- juist is.

4 DE OVERWEGINGEN

4.1

Artikel 6, eerste lid van de Landsverordening grondbelasting luidt als volgt:

1. Als grondslag voor de heffing van de grondbelasting over andere onroerende goederen als bedoeld in artikel 5, geldt de jaarlijkse opbrengst van een onroerend goed, vermenigvuldigd met :

  • -

    een factor 12 ½, indien het onroerend goed werd bebouwd voor 1 maart 1977;

  • -

    een factor 8 ⅓ , indien het onroerend goed is bebouwd na 1 maart 1977, tenzij het daaruit voortvloeiende bedrag lager zou liggen dan de waarde in het economisch verkeer van dat onroerend goed in onbewoonde staat, in wel geval de laatstgenoemde waarde als grondslag van de heffing geldt.

4.2

Het is aan de Inspecteur om de door hem bij het opleggen van een aanslag grondbelasting gehanteerde heffingsgrondslag aannemelijk te maken. De betreffende heffingsgrondslag is evenwel bij het opleggen van de aanslag, noch bij de uitspraak op bezwaar zelfs maar toegelicht.

4.3

In de uitspraak op bezwaar maakt de Inspecteur melding van een voorstel om de heffingsgrondslag vast te stellen op Afl. 148.000.000,- rekening houdend met artikel 24 van de Landsverordening grondbelasting. Dit voorstel is tenslotte niet geaccepteerd. Voorts deelt de Inspecteur mede dat hij de door de taxateurs van belanghebbende gehanteerde “Income capitalization approach” verwerpt en dat de afdeling GB niet gebonden is aan de door belanghebbende gehanteerde waarderingsmethode.

4.4

Tijdens de zitting op 26 maart is door de rechter aan partijen de mogelijkheid geboden om, voordat het Gerecht uitspraak zou doen, nader met elkaar te overleggen.

Op 29 mei 2015 heeft belanghebbende gemeld dat het nader overleg tussen partijen niet tot overeenstemming heeft geleid en dat de Inspecteur het door hem opgemaakte taxatierapport niet wenste te overleggen aan belanghebbende.

Tijdens de hiervoor onder 1.8 genoemde r.c.-zitting heeft de Inspecteur een schriftelijke onderbouwing van de door hem voorgestane belastbare waarde overgelegd, alsmede een taxatierapport. De rechter acht deze stukken tardief. Om proces-economische redenen heeft het Gerecht reeds tijdens de zitting van 26 maart 2015 aan partijen meegedeeld dat er geen nadere stukken meer kunnen worden ingediend en tevens heeft de gemachtigde van belanghebbende van deze stukken geen kennis kunnen nemen, hoewel de Inspecteur reeds op 23 mei 2015 over deze stukken beschikte.

4.5

Naar het oordeel van de rechter heeft de Inspecteur met hetgeen hij in de procedure heeft ingebracht niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gehanteerde heffingsgrondslag niet te hoog is.

4.6

Belanghebbende heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door een taxatiebureau dat is gespecialiseerd in de taxatie van hotels. Het Gerecht acht de in dit taxatierapport gehanteerde waarderingsmethode geschikt om tot een redelijke benadering van de waarde in het economisch verkeer van het resort te komen en heeft ook overigens geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de taxatie. Vaststaat dat de jaarlijkse opbrengst van het resort vermenigvuldigd met de in casu toepasselijke factor 8⅓, tot een aanzienlijk lagere waarde leidt dan die in het taxatierapport van belanghebbende is vastgesteld. De door belanghebbende voorgestane waarde is ook in relatieve termen niet schokkend ( namelijk 8,6%) afwijkend van de waarde die de Inspecteur voorstaat. Gelet op het gegeven dat een taxatie niet meer is dan een deskundige schatting en zulks meebrengt dat het bedrag waarop de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald niet als enig juiste waarde kan gelden, maar dat binnen een bepaalde marge gelegen waarden mogelijkerwijs alle als juist zijn te aanvaarden, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechter de door haar verdedigde waarde van het resort voldoende aannemelijk gemaakt. Het gelijk in deze procedure is aan belanghebbende.

5 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep gegrond, verlaagt de heffingsgrondslag tot een bedrag van

Afl. 145.348.000,- en een te betalen bedrag aan grondbelasting voor het jaar 2012 van Afl. 581.152,-.

Deze uitspraak is gegeven door mr. G.J. van Muijen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening dan wel toezending naar de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).