Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2015:248

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
BBZ nr. 68521
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grondbelasting. Waarde verminderd omdat de gewaardeerde oppervlakte te groot was.

Het Gerecht verhoogt ambtshalve de toegepaste vrijstelling van Afl. 60.000 tot Afl. 120.000 omdat vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk eigenaar, en dus zakelijk genothebbende, zijn van het object.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 augustus 2015

BBZ nr. 68521

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van paragraaf 2 van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

X te Aruba, belanghebbende,

tegen

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN IN ARUBA, de Inspecteur

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juli 2012 een aanslag grondbelasting opgelegd voor het jaar 2012 ter zake van het object Y-straat nummer 1.

1.2

Belanghebbende is op 3 augustus 2012 in bezwaar gekomen tegen de aanslag. De Inspecteur heeft geen uitspraak op het bezwaar gedaan.

1.3

Belanghebbende is op 14 maart 2014 tijdig in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de Inspecteur.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Belanghebbende heeft met dagtekening 23 februari 2015 nadere stukken ingezonden.

1.6

Ter zitting van 24 maart 2015 te Oranjestad zijn verschenen belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, en namens de Inspecteur mr. [A], vergezeld van mr. [B].

1.7

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota ingediend en voorgedragen.

2 DE TUSSEN PARTIJEN VASTSTAANDE FEITEN

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

De aanslag grondbelasting is opgelegd aan belanghebbende als eigenaar (volgens het afschrift van de notariële akte van verkoop en koop van 13 december 2000) van een perceel grond groot circa 746 m2 met daarop een woonhuis, “plaatselijk bekend als [Y-straat 1], uitmakende een zodanig gedeelte van het perceel kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie [Y] nummer [1], of zoveel groter of kleiner als na kadastrale opmeting zal blijken zoals op het terrein of zal worden afgebakend, zoals aangeduid met nummer [x] op [de hiervoor vermelde] situatietekening opgemaakt door [Z] Group”.

2.2

De onroerende zaak (hierna ook: het object) staat in het register van de Dienst Landmeetkunde en Vastgoedregistratie Aruba (DLV) geregistreerd als “[Y register deel/nummer [2/1]”. Belanghebbende en zijn echtgenote staan als gezamenlijke eigenaren van het object in het kadaster ingeschreven.

2.3

Het perceel van belanghebbende maakt deel uit van een groter perceel grond (de kavel met kadastrale aanduiding [2]). De in de voormelde notariële akte bedoelde kadastrale opmeting heeft niet plaatsgevonden. Wel is in 2014 de zuidgrens van het perceel door de DLV aangewezen. Die grens is in een rechte lijn vanaf de (in de praktijk geldende) oostgrens vastgesteld. Uit die grensafbakening volgt dat de zuidgrens van het perceel een lengte heeft van 35 meter in plaats van de uit de situatietekening van [Z] Group volgende lengte van 38 meter. Een formele vastlegging van de grenzen van belanghebbendes perceel – hetgeen ingevolge een zogeheten perceelvormings-procedure heeft plaats te vinden – is daarop niet gevolgd, onder meer omdat (naar het Gerecht begrijpt) de verkoper/eigenaar van het restant van het perceel [2] opmeting niet toestaat.

2.5

De aanslag is vastgesteld naar een waarde van Afl. 164.450 en bedraagt Afl. 417,80. Aan de grond is een waarde toegekend van Afl. 47.184,50 en aan het woonhuis een waarde van Afl. 117.265,50. De aanslag is opgelegd aan belanghebbende als eigenaar en daarbij is eenmaal de vrijstelling van Afl. 60.000 toegepast, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Landsverordening grondbelasting.

3 GESCHIL

Tussen partijen is in geschil of de onderhavige aanslag moet worden vernietigd dan wel verminderd omdat belanghebbende geen eigenaar van het object is geworden althans er geen kadastrale erfgrenzen zijn vastgesteld. Belanghebbende verzoekt het Gerecht ook de aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2011 te vernietigen.

4 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

4.1

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4.2

Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet tot het perceel is gerechtigd zolang er niet kadastraal gemeten is en dat het object slechts beperkt is geleverd althans het object niet juist blijkt te zijn overgedragen omdat de oppervlakte daarvan niet vaststaat dan wel ten minste 28,5 m2 kleiner is dan verondersteld. Hij verwijst daarvoor naar de door hem ingebrachte stukken. Vanaf 2001 zijn onterecht aanslagen opgelegd, aldus belanghebbende.

4.3

De Inspecteur stelt dat belanghebbende vanaf het jaar 2001 het genot heeft van het object krachtens het recht van bezit of enig ander zakelijk recht en daarom terecht in de heffing van grondbelasting is betrokken. Indien het Gerecht aannemelijk acht dat de gewaardeerde oppervlakte te groot is geweest, acht de Inspecteur het juist dat daarop een correctie wordt aangebracht. De aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2011 staan onherroepelijk vast.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

5.1

Op grond van de stukken en hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, stelt het Gerecht vast dat, per 1 januari 2012, belanghebbende en zijn echtgenote het bezit – in de zin van: het houden of genieten – van het object hadden en dat de voor de overdracht van het object vereiste levering heeft plaatsgevonden door het verlijden van de in 2.1 bedoelde notariële akte van verkoop en koop en de inschrijving daarvan in het daartoe bestemde openbare register (bij het hypotheek-kantoor). Dat in die akte is volstaan met de vermelding van de kadastrale kenmerken van het grotere perceel en dat de kadastrale erfgrenzen van belanghebbendes perceel niet zijn vastgelegd doet daaraan, mede gezien artikel 30a lid 2 Landsverordening van 14 juli 1995, niet af.

5.2

Het vorenstaande houdt in dat belanghebbende terecht met betrekking tot het object in de heffing van grondbelasting is betrokken. Het Gerecht is in dit verband van oordeel dat redelijkerwijs ook geen twijfel bij belanghebbende heeft (kunnen) bestaan ter zake van welk belastbaar object de onderhavige aanslag is opgelegd.

5.3

Belanghebbende heeft, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen, overigens geen bezwaren tegen de hoogte van de aanslag dan wel de waarde van het object ingebracht.

5.4

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zulks geldt evenzeer voor de aanslagen over de jaren vóór 2012; reeds nu deze, naar niet in geschil is, onherroepelijk vaststaan, kunnen zij overigens niet in dit geschil aan de orde worden gesteld.

5.5

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard en het Gerecht acht, mede op grond van de door belanghebbende overgelegde stukken, aannemelijk dat het door belanghebbende en zijn echtgenote in 2000 verkregen perceel op dat moment niet separaat kadastraal was beschreven en opgemeten en dat het de bedoeling was dat zulks achteraf zou geschieden, kennelijk zonder verrekening van een daarbij te blijken onder- of overmetrage. Bij de koop is uitgegaan van de aan de akte gehechte situatietekening welke de veronderstelde metrages ter zake van de scheidsgrenzen van het perceel van belanghebbende inhield. Naderhand weigerde de verkoper, eigenaar van het grotere perceel waarvan het onderhavige deel uitmaakt, mee te werken aan de opmeting van belanghebbendes grond. De meting die uiteindelijk in 2014 is geschied, heeft als resultaat opgeleverd dat de zuidgrens van belanghebbendes perceel in elk geval minder meters beliep dan indertijd werd aangenomen. Naar het Gerecht begrijpt zijn de overige grenzen van belanghebbendes perceel niet opgemeten; het perceel heeft dan ook nimmer een eigen kadastrale aanduiding gekregen.

5.6

Op grond van het vorenstaande acht het Gerecht in dit verband aannemelijk dat de Inspecteur bij de waardering van het object met 746 m2 van een te groot oppervlak van het perceel is uitgegaan en dat het verschil ten minste 28,5 m2 bedraagt. Daarom zal het Gerecht de waarde van het object met (Afl. 63,25 x 28,5 m2 =) Afl. 1.803 verminderen tot (Afl. 164.450 – Afl. 1.803 =) Afl. 162.647.

5.7

Ambtshalve overweegt het Gerecht voorts nog als volgt.

Vaststaat dat het object door belanghebbende en zijn echtgenote in gezamenlijk eigendom is verworven en in het daartoe bestemde openbare register ook op naam van beiden is ingeschreven. Zij hebben dan beiden, gezamenlijk, het bestuur over het object (artikel 1:97 lid 1 BW van Aruba). Deze aan hen toekomende bestuurs-bevoegdheden, als vermeld in artikel 1:90 lid 2 BW van Aruba, brengen mee dat zij beiden dienen te worden aangemerkt als genothebbende krachtens zakelijk recht van het object en daarmee als belastingplichtig voor de grondbelasting (in de zin van artikel 12 van de Landsverordening grondbelasting).

5.8

Het voorgaande houdt in dat belanghebbende ten onrechte alleen als genothebbende krachtens zakelijk recht in de leggers is ingeschreven en dat ten onrechte slechts eenmaal de vrijstelling van Afl. 60.000 is toegepast. Dit geldt ook nu de aanslag alleen aan belanghebbende is opgelegd en niet mede aan diens echtgenote. Hieruit volgt dat de aanslag (verder) moet worden verminderd tot een aanslag naar een waarde van Afl. 162.647 – Afl. 60.000 =) Afl. 102.647.

6 BESLISSING

Het Gerecht verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking waarvan beroep en vermindert de aanslag grondbelasting tot een naar een heffingsgrondslag van Afl. 102.647.

Deze uitspraak is gegeven door mr. E.F. Faase, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17b Landsverordening beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 14, derde lid, Landsverordening beroep in belastingzaken. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij, dan wel toezending aan de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17c Landsverordening beroep in belastingzaken).